T48
P48
Pm50
D75

XXXIII 

 1 
„Een verpleegster”, antwoordde ze traag, vriendelijk, nochtans zonder glimlach. 
 2 
Ik liet mijn armen zakken, deinsde een stap achteruit, betastte mezelf. 
 3 
„U bent gered”, zei ze. „U is alleen verdoofd geweest. U hebt niets... De trein...” 
 4 
Ik hoefde niet verder te luisteren. Dus toch een spoorwegramp ! Ik keek om me heen. We bevonden ons in een ruim vertrek, kennelijk de noenzaal van een hotel op het platteland. Maar alles stond er overhoop. In allerijl had men er een infirmerie van gemaakt. 
 5 
„Dank u”, stamelde ik, „dank u...” 
 6 
Ik keek haar opnieuw aan. Het was wel zij : lichtblond, parelgrijze ogen, de mond als het hartje... En haar witte jas, in de haast onvolledig dichtgeknoopt, liet de donkerblauwe, bestarrelde blouse zien, de zwartrode rok... 
 7 
Roerloos bleef haar blik op mij rusten. Ik moest het oog afwenden. Op enkele passen van ons, zat iemand op een stoel. Ik sprong naar hem toe. 
 8 
„Hernhutter”, riep ik, „professor !...” 
 9 
De oude man had een stumperige uitdrukking, maar zijn ogen lachten. Hij deed kinderlijke bewegingen met zijn lege handen. 
10 
Mecano ! Mecano !” miespelde hij. 
11 
Mijn hart schreide. De man stond niet op. De oppasster lei sussend haar hand op zijn schouder. 
12 
„Kalm, vadertje, toe...” zei ze. 
13 
En hij knikte, knikte braaf en lachte geheimzinnig, de arme sufferd. 
14 
Ik keerde mij om en haalde diep adem. 
15 
Als een automaat liep ik naast de verpleegster de zaal uit, langs berries en veldbedden met steunende gewonden, die door witte mannen en vrouwen geholpen werden. Bij de uitgang lagen de doden, uitgestrekt op draagbaren of op de grond, enkelen, waarschijnlijk de meest verminkten, onder een laken of deken. De overigen vertoonden slechts geringe sporen van uiterlijk molest, maar haast bij allen stond nog niet geheel gestold bloed in de oogkuilen. 
16 
Ik herkende dadelijk Val. Hij sliep, met zijn ogen open. 
17 
„Val”, fluisterde ik in een snik, „mijn jongste broertje !...” 
18 
Onvergankelijk schoon lag hij daar, zo fijn, zo aanminnig nog, met steeds die schittering in zijn blik, welke thans was als van heel kostbaar glas. Er kleefde geen bloed aan hem, misschien één druppel toch, als een pareltje in het dons boven zijn lip. 
19 
Ademloos stond ik over hem gebogen. En toen, op de grond, bemerkte ik zijn speelkaarten, die uit de zak van zijn pantalon moesten gegleden zijn. Allemaal lagen ze met de bovenkant naar onderen, behalve ene : hartenvrouw ! 
20 
Kreunend raapte ik de kaart op. De zuster stond aan de andere zijde van de draagbaar en volgde met een wonderbaarlijke blik al mijn bewegingen. Ik liet haar traag de kaart zien. Haar ogen glansden, maar ze verroerde zich niet en bleef zwijgen. 
21 
Toen stak ze langzaam haar hand uit, nam de kaart en schoof ze, door de sleuf van zijn overhemd, op het hart van het studentje. 
22 
„Scheidt ons die dode, of verbindt hij ons ?” stond ik me daarbij ondoorgrondelijk af te vragen. 
23 
Maar de verpleegster zei alleen, en haar blik bleef onuitsprekelijk : 
24 
„Zou u nu niet naar huis telegraferen ?” 
25 
Ik bleef nog één ogenblik staan. Toen draaide ik als een houten, maar voor altijd bezeerde pop op mijn hakken om, en ging. 

XXXIII 

 1 
„Een verpleegster”, antwoordde ze traag, vriendelijk, nochtans zonder glimlach. 
 2 
Ik liet mijn armen zakken, deinsde een stap achteruit, betastte mezelf. 
 3 
„U bent gered”, zei ze. „U bent alleen verdoofd geweest. U hebt niets... De trein...” 
 4 
Ik hoefde niet verder te luisteren. Dus toch een spoorwegramp ! Ik keek om me heen. We bevonden ons in een ruim vertrek, kennelijk de noenzaal van een hotel op het platteland. Maar alles stond er overhoop. In allerijl had men er een infirmerie van gemaakt. 
 5 
„Dank u”, stamelde ik, „dank u...” 
 6 
Ik keek haar opnieuw aan. Het was wel zij : lichtblond, parelgrijze ogen, de mond als het hartje... En haar witte jas, in de haast onvolledig dichtgeknoopt, liet de donkerblauwe, bestarrelde blouse zien, de zwartrode rok... 
 7 
Roerloos bleef haar blik op mij rusten. Ik moest het oog afwenden. Op enkele passen van ons, zat iemand op een stoel. Ik sprong naar hem toe. 
 8 
„Hernhutter”, riep ik, „professor !...” 
 9 
De oude man had een stumperige uitdrukking, maar zijn ogen lachten. Hij deed kinderlijke bewegingen met zijn lege handen. 
10 
Mecano ! Mecano !” miespelde hij. 
11 
Mijn hart schreide. De man stond niet op. De oppasster lei sussend haar hand op zijn schouder. 
12 
„Kalm, vadertje, toe...” zei ze. 
13 
En hij knikte, knikte braaf en lachte geheimzinnig, de arme sufferd. 
14 
Ik keerde mij om en haalde diep adem. 
15 
Als een automaat liep ik naast de verpleegster de zaal uit, langs berries en veldbedden met steunende gewonden, die door witte mannen en vrouwen geholpen werden. Bij de uitgang lagen de doden, uitgestrekt op draagbaren of op de grond, enkelen, waarschijnlijk de meest verminkten, onder een laken of deken. De overigen vertoonden slechts geringe sporen van uiterlijk molest, maar haast bij allen stond nog niet geheel gestold bloed in de oogkuilen. 
16 
Ik herkende dadelijk Val. Hij sliep, met zijn ogen open. 
17 
„Val”, fluisterde ik in een snik, „mijn jongste broertje !...” 
18 
Onvergankelijk schoon lag hij daar, zo fijn, zo aanminnig nog, met steeds die schittering in zijn blik, welke thans was als van heel kostbaar glas. Er kleefde geen bloed aan hem, misschien één druppel toch, als een pareltje in het dons boven zijn lip. 
19 
Ademloos stond ik over hem gebogen. En toen, op de grond, bemerkte ik zijn speelkaarten, die uit de zak van zijn pantalon moesten gegleden zijn. Allemaal lagen ze met de bovenkaart naar onderen, behalve ene : hartenvrouw ! 
20 
Kreunend raapte ik de kaart op. De zuster stond aan de andere zijde van de draagbaar en volgde met een wonderbaarlijke blik al mijn bewegingen. Ik liet haar traag de kaart zien. Haar ogen glansden, maar ze verroerde zich niet en bleef zwijgen. 
21 
Toen stak ze langzaam haar hand uit, nam de kaart en schoof ze, door de sleuf van zijn overhemd, op het hart van het studentje. 
22 
„Scheidt ons die dode, of verbindt hij ons ?” stond ik me daarbij ondoorgrondelijk af te vragen. 
23 
Maar de verpleegster zei alleen, en haar blik bleef onuitsprekelijk : 
24 
„Zou u nu niet naar huis telegraferen ?” 
25 
Ik bleef nog één ogenblik staan. Toen draaide ik als een houten, maar voor altijd bezeerde pop op mijn hakken om, en ging. 

33 

 1 
« Een verpleegster », antwoordde ze traag, vriendelijk, nochtans zonder glimlach. 
 2 
Ik liet mijn armen zakken, deinsde een stap achteruit, betastte mezelf. 
 3 
« U bent gered », zei ze. « U is alleen verdoofd geweest. U hebt niets... De trein... » 
 4 
Ik hoefde niet verder te luisteren. Dus toch een spoorwegramp ! Ik keek om me heen. We bevonden ons in een ruim vertrek, kennelijk de noenzaal van een hotel op het platteland. Maar alles stond er overhoop. In allerijl had men er een infirmerie van gemaakt. 
 5 
« Dank u », stamelde ik, « dank u... » 
 6 
Ik keek haar opnieuw aan. Het was wel zij : lichtblond, parelgrijze ogen, de mond als het hartje... En haar witte jas, in de haast onvolledig dichtgeknoopt, liet de donkerblauwe, bestarrelde blouse zien, de zwartrode rok... 
 7 
Roerloos bleef haar blik op mij rusten. Ik moest het oog afwenden. Op enkele passen van ons, zat iemand op een stoel. Ik sprong naar hem toe. 
 8 
« Hernhutter », riep ik, « professor !... » 
 9 
De oude man had een stumperige uitdrukking, maar zijn ogen lachten. Hij deed kinderlijke bewegingen met zijn lege handen. 
10 
« Mecano ! Mecano ! » miespelde hij. 
11 
Mijn hart schreide. De man stond niet op. De oppasster lei sussend haar hand op zijn schouder. 
12 
« Kalm, vadertje, toe... » zei ze. 
13 
En hij knikte, knikte braaf en lachte geheimzinnig, de arme sufferd. 
14 
Ik keerde mij om en haalde diep adem. 
15 
Als een automaat liep ik naast de verpleegster de zaal uit, langs berries en veldbedden met steunende gewonden, die door witte mannen en vrouwen geholpen werden. Bij de uitgang lagen de doden, uitgestrekt op draagbaren of op de grond, enkelen, waarschijnlijk de meest verminkten, onder een laken of deken. De overigen vertoonden slechts geringe sporen van uiterlijk molest, maar haast bij allen stond nog niet geheel gestold bloed in de oogkuilen. 
16 
Ik herkende dadelijk Val. Hij sliep, met zijn ogen open. 
17 
« Val », fluisterde ik in een snik, « mijn jongste broertje !... » 
18 
Onvergankelijk schoon lag hij daar, zo fijn, zo aanminnig nog, met steeds die schittering in zijn blik, welke thans was als van heel kostbaar glas. Er kleefde geen bloed aan hem, misschien één druppel toch, als een pareltje in het dons boven zijn lip. 
19 
Ademloos stond ik over hem gebogen. En toen, op de grond, bemerkte ik zijn speelkaarten, die uit de zak van zijn pantalon moesten gegleden zijn. Allemaal lagen ze met de bovenkant naar onderen, behalve ene : hartenvrouw ! 
20 
Kreunend raapte ik de kaart op. De zuster stond aan de andere zijde van de draagbaar en volgde met een wonderbaarlijke blik al mijn bewegingen. Ik liet haar traag de kaart zien. Haar ogen glansden, maar ze verroerde zich niet en bleef zwijgen. 
21 
Toen stak ze langzaam haar hand uit, nam de kaart en schoof ze, door de sleuf van zijn overhemd, op het hart van het studentje. 
22 
« Scheidt ons die dode, of verbindt hij ons ? » stond ik me daarbij ondoorgrondelijk af te vragen. 
23 
Maar de verpleegster zei alleen, en haar blik bleef onuitsprekelijk : 
24 
« Zou u nu niet naar huis telegraferen ? » 
25 
Ik bleef nog één ogenblik staan. Toen draaide ik als een houten, maar voor altijd bezeerde pop op mijn hakken om, en ging. 

33 

 1 
een verpleegster,’ antwoordde ze traag, vriendelijk, nochtans zonder glimlach. Ik liet mijn armen zakken, deinsde een stap achteruit, betastte mezelf. 
 2 
‘U bent gered,’ zei ze. ‘U is alleen verdoofd geweest. U hebt niets... De trein...’ 
 3 
Ik hoefde niet verder te luisteren. Dus toch een spoorwegramp! Ik keek om me heen. We bevonden ons in een ruim vertrek, kennelijk de eetzaal van een hotel op het platteland. Maar alles stond er overhoop. In allerijl had men er een infirmerie van gemaakt. 
 4 
‘Dank u,’ stamelde ik, ‘dank u...’ 
 5 
Ik keek haar opnieuw aan. Het was wel zij: lichtblond, parelgrijze ogen, de mond als het hartje... En haar witte jas, inderhaast onvolledig dichtgeknoopt, liet de donkerblauwe, bestarrelde blouse zien, de zwartrode rok... 
 6 
Roerloos bleef haar blik op mij rusten. Ik moest het oog afwenden. Op enkele passen van ons zat iemand in een stoel. Ik sprong naar hem toe. 
 7 
‘Hernhutter,’ riep ik, ‘professor...!’ 
 8 
De oude man had een stumperige uitdrukking, maar zijn ogen lachten. Hij deed kinderlijke bewegingen met zijn lege handen. 
 9 
Meccano! Meccano!’ lispelde hij. 
10 
Mijn hart schreide. De man stond niet op. De oppasster lei sussend haar hand op zijn schouder. 
11 
‘Kalm, vadertje, toe...’ zei ze. 
12 
En hij knikte, knikte braaf en lachte geheimzinnig, de arme sufferd. 
13 
Ik keerde mij om en haalde diep adem. 
14 
Als een automaat liep ik naast de verpleegster de zaal uit, langs berries en veldbedden met steunende gewonden, die door witte mannen en vrouwen geholpen werden. Bij de uitgang lagen de doden, uitgestrekt op draagbaren of op de grond, enkelen, waarschijnlijk de meest verminkten, onder een laken of deken. De overigen vertoonden slechts lichte sporen van uiterlijk molest, maar haast bij allen stond nog niet geheel gestold bloed in de oogkuilen. 
15 
Ik herkende dadelijk Val. Hij sliep, met zijn ogen open. 
16 
‘Val,’ fluisterde ik in een snik, ‘mijn jongere broertje...!’ 
17 
Onvergankelijk schoon lag hij daar, zo fijn, zo beminnelijk nog, met steeds die schittering in zijn blik, welke thans was als van heel kostbaar glas. Er kleefde geen bloed aan hem, misschien een druppel toch, als een pareltje in het dons boven zijn lip. 
18 
Ademloos stond ik over hem gebogen. En toen, op de grond, bemerkte ik zijn speelkaarten, die uit de zak van zijn pantalon moesten zijn gegleden. Allemaal lagen ze met de bovenkant naar onderen, behalve ene: hartenvrouw! 
19 
Kreunend raapte ik de kaart op. De zuster stond aan de andere zijde van de draagbaar en volgde met een wonderlijke blik al mijn bewegingen. Ik liet haar traag de kaart zien. Haar ogen glansden, maar ze verroerde zich niet en bleef zwijgen. 
20 
Toen stak ze langzaam haar hand uit, nam de kaart en schoof ze, door de sleuf van zijn overhemd, op het hart van het studentje. 
21 
‘Scheidt ons die dode, of verbindt hij ons?’ stond ik me daarbij ondoorgrondelijk af te vragen. 
22 
Maar de verpleegster zei alleen, en haar blik bleef onuitsprekelijk: 
23 
‘Zou u nu niet naar huis telegraferen?’ 
24 
Ik bleef nog één ogenblik staan. Toen draaide ik als een houten, maar voor altijd bezeerde pop op mijn hakken om, en ging. 

Zoek / Exporteer

Zoek


Inhoudsopgave

Vergelijkend apparaat

Toon alle
XXXIII,3
XXXIII,4
XXXIII,6
  • inderhaast (D75)
XXXIII,8
XXXIII,10
XXXIII,10
XXXIII,10
XXXIII,15
XXXIII,17
XXXIII,17
XXXIII,18
  • beminnelijk (D75)
XXXIII,18
XXXIII,19
  • zijn gegleden (D75)
XXXIII,19
  • bovenkaart (P48)
XXXIII,20
  • wonderlijke (D75)