Brugge, 1.12.59
Waarde Heer Lateur,
Men deelde mij mede dat U komt. Ik dank er U voor uit ganser hart; in naam van al de leden van onze firma; en vooral in mijn persoonlijke naam.
Het feest waartoe wij U uitnodigden is reeds een sterke traditie geworden. Het heeft een tegenhanger in de zomer; het feest van S[in]t Augustinus. Het ene zowel als het andere is geboren uit een soort noodwendigheid die eigen is aan hen die een heel jaar samenwerken, om hun taak eens te onderbreken voor een gezamelijke, vreugdevolle ontspanning.
Dit keer is het dus het feest van het Kerstekind dat ons zal verblijden, dat vooral wellicht de kinderen zal verblijden die er zullen bij aanwezig zijn. Die flinke mensen uit onze streek, die vlaamse drukkers, steendrukkers en boekbinders van de S[in]t Augustinusdrukkerij, evenals de bedienden, en hun directeurs komen er in groot aantal naartoe met hun gezin. Wij ontmoeten er de "uitgevers" van D[esclée ]D[e ]B[rouwer] waarvan u het werk enigzins kent; en die komen een beetje van overal: uit België zijn er uit Vlaanderen, uit Brussel, uit Leuven[;][1] uit Nederland komen ze van Breda;[2] uit Frankrijk van Parijs;[3] soms uit Spanje.[4] En met hen de algemene leiding en beheer en de nakomelingen der stichters van het bedrijf. Op die dag staat heel die kleine wereld op gelijke voet; de estrade[5] dient enkel voor de gedecoreerden en voor het speelgoed van de kinderen! Enkele vrienden ook komen ons dan vervoegen, en heel in het bizonder verheugen wij ons dit jaar om Uw komst; U, de bard van dat Vlaanderen waar ons aller hart klopt.
[2]
Ik hoop dat U wil aanvaarden, waarde heer Lateur, de verzekering van mijne oprechte gevoelens van hoogachting en hartelijke genegenheid.
(handtekening Geoffroy de Halleux)
Geoffroy de Halleux.
Geoffroy de Halleux.
P[ostscriptum] Deze brief was reeds klaar als ik nu van mijn dokter het harde bevel krijg om voor verschillende weken naar de kliniek te gaan. Ik zal dus niet op dat feest aanwezig zijn waar ik U zo gaarne had verwelkomd.
Annotations
[1]
Filialen van Desclée De Brouwer.
[2]
In 1946 werd een filiaal van Desclée De Brouwer opgericht op het Rokin te Amsterdam. De literaire directie ervan werd toevertrouwd aan Bernard Verhoeven, de technische leiding aan de Fries Lyklama a Nyeholt. De vestiging werd in 1952 opgeheven, toen Lyklama a Nyeholt plotseling de hele boekenvoorraad verkocht en naar Nieuw-Zeeland verdween. De vertegenwoordiging van het Desclée De Brouwer-fonds werd daarop toevertrouwd aan Paul Brand te Bussum. In 1955 werd de schoolboekenuitgeverij Parcival in Breda opgekocht, waardoor Desclée De Brouwer weer over een eigen filiaal in Nederland beschikte. In 1962 werd de zetel daarvan naar Utrecht overgebracht. Het filiaal stond onder de leiding van Pieter Van der Meer de Walcheren. Ludo Simons, Het boek in Vlaanderen sinds 1800. Een cultuurgeschiedenis., p. 352-353
[3]
Na de Eerste Wereldoorlog werd door Etienne Desclée de Maredsous en Paul De Brouwer, opvolgers van de stichters van Desclée De Brouwer, in Parijs een filiaal van de uitgeverij opgericht. Ludo Simons, Het boek in Vlaanderen sinds 1800. Een cultuurgeschiedenis., p. 131
[4]
Na 1940 werden twee Spaanse filialen van Desclée De Brouwer opgericht, respectievelijk in Buenos Aires en Bilbao. Het filiaal in Bilbao werd in 1943 opgericht en stond onder leiding van de Bask José Gogeascoechea, die enige jaren op de buitenlandse verkoopdienst van Desclée De Brouwer in Brugge had gewerkt. In 1980 ging de zaak in Spaanse handen over, met behoud van haar eigen naam. Ludo Simons, Het boek in Vlaanderen sinds 1800. Een cultuurgeschiedenis., p. 132
[5]
verhoogde plaats, verhevenheid aan het einde van een zaal Van Dale, A-I, p. 800








