Uitgever
Ypersche straat, 22
Thielt
| < | Resultaat 247 van 2531 | > |
|---|
Courtmans-Berchmans, Johanna D. (° Oudegem, 1811-09-06 - ✝ Maldegem, 1890-09-22)
Schrijfster.
Johanna Berchmans was gehuwd met J.B. Courtmans, leraar en auteur van schoolboeken. Na zijn dood in 1856 richtte zij in Maldegem een kostschool op, die zij ondanks felle katholieke tegenwerking in stand wist te houden. Aanvankelijk schreef zij gedichten, toneelstukken en schetsen. Maar de strijd tegen haar omgeving bracht haar er toe om vanaf 1860 een hele reeks tendensverhalen en romans te schrijven. Haar romans en novellen waren geïnspireerd door het plattelandsleven (hoofdzakelijk in het Meetjesland), de verfransing en de schoolstrijd. Ze schreef over de sociale crisis en de mensonterende levensomstandigheden van de landbouwers en landarbeiders. De sociale inslag en de kritiek op de tijdsomstandigheden geven haar werk documentaire waarde. In haar roman Bertha Baldwin greep ze terug naar het roemrijke Vlaamse Verleden en wou ze Consciences Leeuw van Vlaanderen een vrouwelijke tegenhanger geven. Het Geschenk van den Jager, over de tegenstelling tussen het plattelands- en fabrieksleven, werd in 1865 met de vijfjaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse letterkunde bekroond.
Van Cauwelaert, August (° Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, 1885-12-31 - ✝ Antwerpen, 1945-07-04)
Vlaams dichter, essayist en romanschrijver.
Broer van Frans van Cauwelaert en schoonzoon van Juliaan De Vriendt. Was de zoon van een welgestelde boer uit het Pajottenland, studeerde van 1898 tot 1905 aan het Klein Seminarie van Hoogstraten en daarna tot 1911 rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Op 9 september 1911 begon Van Cauwelaert zijn stage als advocaat bij Hector Lebon in Antwerpen. In 1914 meldde hij zich als vrijwilliger bij het Belgische leger, kreeg zijn opleiding te Bayeux in Normandië en kwam in maart 1915 aan het front. Op 7 april 1916 levensgevaarlijk gewond nabij Passendale, werd hij verpleegd in Hoogstade en op 27 september door zijn broer Frans voor herstel naar Cannes meegenomen. Na zijn genezing werd hij lid van een wervingscommissie in Bordeaux en in juli 1918 stuurde men hem naar Nederland als hoofd van een passenbureau. Op 6 augustus 1919 werd hij vrederechter in Kontich, in 1922 rechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en in 1927 voorzitter van de politierechtbank aldaar. Reeds in Hoogstraten onderging Van Cauwelaert de invloed van Vlaamsgezinde leraren, zoals Aloïs Walgrave, Thaddeus Spaeninkx en Karel De Wals. In Leuven was hij actief in Met Tijd en Vlijt, dat in 1909 zijn bundel Verzen I uitgaf, en in de tijdschriften De Vlaamsche Keikop, De Student en Ons Leven; van 17 tot 19 februari 1912 fungeerde hij er nog als voorzitter van het derde Groot-Nederlands Studentencongres, nadat hij de Leuvense studenten had doen toetreden tot het in 1910 op het eerste Groot-Nederlands Studentencongres in Antwerpen gestichte en hoofdzakelijk vrijzinnig georiënteerde Algemeen Nederlandsch Studentenverbond. In de Eerste Wereldoorlog werd Van Cauwelaert voorzitter van de in zijn bataljon opgerichte Vlaamse studiekring (mei 1915). Hij werkte mee aan De Belgische Standaard - met mejuffrouw Maria Belpaire zou hij zijn leven lang innig bevriend blijven - en aan Vrij België, het blad van zijn broer; zijn voorgenomen opneming in de raad van beheer van het eerstgenoemde blad kon ten gevolge van zijn verwonding en evacuatie geen doorgang vinden. Ontstemd over de houding van de Belgische regering in ballingschap tegenover de Vlaamse frontsoldaten, schreef hij in oktober 1917 het gedicht Voor onze regeering, dat eindigt met de verzen: 'Eerst krijgen de Rijnlandsche schurken hun loon, dan drijven we op 't dansen van trommel en fluit, de schaamtlooze Heeren van Havere er uit.' Na reeds voor de oorlog van nabij betrokken te zijn geweest bij de redactie van de tijdschriften De Lelie en Vlaamsche Arbeid, richtte hij in april 1919 Het Vlaamsche Land op, tegelijk weekblad, uitgeverij en boekhandel. Van 1924 tot 1945 leidde hij het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort, in een brede, humane geest. In 1930 werd hij corresponderend en in 1937 werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde; zijn eerste lezing (1931) ging, onder de titel Daar hapert iets, over de verhouding Vlaanderen-Nederland, die hij onbevredigend achtte; in dat verband beval hij Vlaanderen 'zelfkritiek naar binnen en zelfrespect naar buiten' aan. In 1938 werd hij aangesteld tot lid van de Nederlandsche Cultuurraad. Hij was ook nationaal bestuurslid en Antwerps voorzitter van de IJzerstichting en lid van het IJzerbedevaartcomité. Van zijn scheppend werk mag hier de roman Het licht achter den heuvel (1929) genoemd worden, literair overschaduwd door de bekroonde roman Harry (1935), doch in historisch opzicht belangwekkender door de schildering van de naoorlogse atmosfeer in de Vlaamse dorpen, waar de terugkerende frontsoldaten de gevestigde orde aantasten, en zijn dichtbundel Liederen van droom en daad (1918), gedichten over de oorlog, over zijn verwonding en over de liefde tot zijn latere vrouw. Verder werden zijn verhalen uit zijn rechtersloopbaan (Vertellen in toga, 1935, en En de rechter vertelt opnieuw, 1944) en zijn Verzen van het leven en de overvaart (1940) bekend.

