16 april 1957
Weled[ele] Heer Frank Lateur,Lijsternest
INGOOIGEM
Zeergeachte Heer,
Wij danken U voor Uw brief van 15 april.[1] Betreffende PRUTSKE menen wij ook dat die éne proef wel zal volstaan, vermits er zo weinig te veranderen valt. Wij zullen de bladhoofdtitels hier invullen, om het boek uniform te maken aan "De Vlaschaard", hoewel dit thans minder gebruikelijk is met Nederlandse boeken, behalve studieboeken dan.
Wij begrijpen Uw opmerkingen betreffende het contract van INGOYGHEM II. Wij zullen aan onze administratie voorstellen het honorarium op 15 % te brengen. Wij geloven wel dat dit zal in orde komen. Wij zullen U gratis 10 ex[emplaren] per duizend van het nieuwe boek bezorgen. Het artikel 8 is in het contract ingeschakeld eigenlijk ten voordele van jongere auteurs, voor wie de uitgever veel doen kan om hun werk vertaald te krijgen. Vermits dit hier niet in toepassing is, zullen wij die clausule in het contract schrappen.[2]
Mogen wij U vragen de twee exemplaren van het contract terug te sturen. Wij zullen U dan nieuwe zenden.[3]
Met onze meeste hoogachting,
DESCLEE DE BROUWER & C[ompagnie],
(handtekening Jan François)
Jan François
(handtekening Jan François)
Jan François
Annotations
[1]
De originele brief van Streuvels vonden we niet terug in de geraadpleegde archieven. In het Rijksarchief te Beveren (Orbis en Orion/Dossiers Auteurs/116/Ingoyghem II) vonden we wel een uittreksel uit deze brief.
[2]
Het contract voor Ingoyghem II wordt bewaard in het Letterenhuis (S 935/C). Artikel 8 bevatte de volgende tekst: De schrijver verbindt zich er toe, het afgestane werk, zowel geheel als gedeeltelijk, niet te laten verschijnen in welke uitgeverszaak ook; noch het te laten verschijnen onder welke vorm ook hetzij mechanisch, photographisch of anders; noch er een kortere of meer uitgebreide omwerking van uit te geven voor een literair of cinematographisch doel, zonder voorafgaand accoord met de uitgeefster. De som die zou kunnen verkregen worden bij de toelating tot vertalen in een of meerdere vreemde talen, tot het uitgeven van een luxe-uitgave of van een goedkope uitgave, tot het aanpassen voor toneel, film, televisie of elke andere vorm van reproductie, zal verdeeld worden, om de helft, onder de schrijver en de uitgeefster. Deze laatste ontvangt bij deze de bevoegdheid tot onderhandelen, rekening houdende met het belang der beide contracterende partijen.
[3]
Cf. verder de brief van Jan François aan Stijn Streuvels van 26 april 1957.









