Lijsternest
INGOOIGEM
afd[eling] Nederlandse uitg[aven]
(handtekening Jan François)
Jan François
| < | Resultaat 2308 van 2531 | > |
|---|
Van Puyvelde, Leo (° Sint-Niklaas, 1882-07-30 - ✝ Ukkel, 1965-10-27)
Hoofdconservator van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België.
Leo Van Puyvelde volgde aan het Klein Seminarie van Sint-Niklaas de oude humaniora, studeerde daarna aan de Katholieke Universiteit Leuven en promoveerde er op 18 juli 1905 tot doctor in de letteren en de wijsbegeerte. Van Puyvelde was achtereenvolgens te Brugge en te Gent leraar aan het Koninklijk Atheneum. Hij werd in mei 1912 aan de Gentse Rijksuniversiteit docent kunstgeschiedenis, van 1919 af ook docent Nederlandse auteurs. Van 1920 tot 1926 was hij er gewoon hoogleraar en in januari 1927 werd hij hoofdconservator van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België en gewoon hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de Luikse universiteit, functies die hij respectievelijk tot 1948 en 1952 uitoefende. Van zijn talrijke studies, die veelal gewijd waren aan de Vlaamse schilderkunst in de 15de, 16de en 17de eeuw, verschenen de belangrijkste na zijn pensionering als hoofdconservator. Van Puyvelde was lid van verscheidene buitenlandse kunsthistorische genootschappen en academies en sedert 1911 briefwisselend en in 1919 gewoon lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde; in 1934 en 1935 was hij er bestuurder van. Van Puyvelde was trouwens als literator en literatuurhistoricus begonnen. Hiervan getuigen verzen uit 1901 (Zicht bij Zomertijd), een studie over Hélène Swarth (1901), zijn proefschrift over Albrecht Rodenbach en een volledige uitgave van diens gedichten in 1909. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Engeland, waar hij voor koning George VI kunsthistorisch onderzoek verrichtte in Windsor Castle. Aan het einde van die oorlog werd hij benoemd tot directeur-generaal voor Schone Kunsten, onder meer ter opsporing van door de Duitse bezetter geroofde Belgische kunst.
Als student te Leuven werd Van Puyvelde in juni 1903 met Frans Van Cauwelaert de belangrijkste stichter van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond. Op de eerste landdag van dit AKVS, op 30 augustus 1903 te Sint-Niklaas gehouden, werd van Puyvelde 'hoofdman' van het verbond. In 1904 werd hij redactielid van Jong Dietschland. In het kader van de strijd om de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs publiceerde Van Puyvelde in 1904 een lijst van Noord-Nederlandse schoolboeken die ook in de katholieke scholen gebruikt konden worden. Op 21 februari 1905 trok hij met een delegatie katholieke Vlaamsgezinden naar het parlement om er inzake de taalwet-Edward Coremans op krachtdadigheid aan te dringen, en te Leuven zelf overhandigde hij in dat jaar, samen met Laurent Fierens, uit naam der Vlaamse studenten aan de Leuvense rector een verzoekschrift om de studenten die erom vroegen met goeddunken van de hoogleraar examens in het Nederlands te laten afleggen, een vertoog dat zonder uitwerking bleef. Evenmin als andere cultuurflaminganten kon Van Puyvelde geloven in de almacht van taalwetten en politieke actie. Hij is steeds aangetrokken geweest door de figuur van Rodenbach en beschouwde zich en het AKVS als diens erfgenamen. Niet alleen promoveerde hij over hem, maar in die jaren hield hij ook geregeld voordrachten over de dichter, ook nog in het herdenkingsjaar 1956. In 1908 was Van Puyvelde ook medestichter en voorzitter van de Algemeene Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Van Puyvelde in Nederland, waar hij werkzaam was in het Office belge, een inlichtingsbureau van de Belgische regering in Den Haag, en medewerker werd van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Van het begin van de oorlog af was hij aanhanger van de Ame belge-theorie. Bij de breuk in De Vlaamsche Stem in 1915 ondertekende hij Van Cauwelaerts 21 juli-manifest, om geen afbreuk te doen aan Belgiës staatkundige eenheid. Voortaan stelde Van Puyvelde zich ook op een streng passivistisch standpunt (passivisme). In zijn Keerpunt der Vlaamsche Beweging (1916) schreef hij dat de oorlog bij de Vlamingen een deugd naar voren had doen komen 'die van groote beteekenis worden kan voor de verwezenlijking van al wat er aan mogelijkheden in ons volk opgesloten ligt: het is de zwijgzaamheid'; trouw aan de Godsvrede en 'zwijgen als een teken van sterkte, trouw en doorzicht'. Niet de regering trof schuld, maar de Vlamingen zelf. Spoedig moesten ook Van Cauwelaert en zijn weekblad Vrij België het ontgelden, omdat ze zich volgens hem onvoldoende van de activisten distantieerden (activisme); tussen de Godsvredeflaminganten en de actieve passieven (Van Cauwelaert) - laatstgenoemde term komt van Van Puyvelde - werd een duidelijke streep getrokken. In verscheidene opstellen tijdens de oorlog bleef Van Puyvelde als propagandist van het Office belge zich verzetten, niet alleen tegen de activisten, maar ook tegen de actieve passieven en stelde hij dat belgicisme Vlaanderen na de oorlog meer dan welke houding ook de beste diensten zou bewijzen. In april 1917 weigerde hij openlijk, met Arthur Buysse en Cyriel Buysse, tot het Vlaamsch-Belgisch Verbond van Van Cauwelaert toe te treden; kort nadien, in een brief van 30 augustus aan een minister, schreef hij dat naast de Walen ook de Franstalige Vlamingen onderhandelingspartners waren. In 1918 publiceerde hij te Parijs de brochure Le Mouvement flamand et la guerre, waarin hij, niet zonder aanvallen op Van Cauwelaert en de Frontbeweging, zijn uit de oorlog gegroeid inzicht meedeelde: in België waren er geen twee volkeren maar, zoals in Zwitserland, alleen taalgroepen; de Vlamingen waren Nederlandstalige Belgen, niets minder en niets meer. Na de oorlog bleef Van Puyvelde, zoals voordien, nog actief in het Davidsfonds als secretaris van de Oost-Vlaamse gouw; dat bleef hij tot zijn gedwongen ontslag, dat onder meer door een demonstratieve aanval van hem op het Algemeen Vlaamsch Verbond was voorafgegaan. Ook elders werd hij toen vanwege zijn houding tijdens de oorlog uit de Vlaamse Beweging geweerd. Hoezeer de oorlog voor deze flamingant van vroeger een keerpunt is geworden, blijkt uit het feit dat hij aan de franskiljonse Ecole des Hautes Etudes te Gent, opgericht tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit, een professoraat aanvaardde. Niet lang daarna overigens ruilde hij zijn Gentse leerstoel voor die aan een Waalse universiteit.