| < | Resultaat 1812 van 2531 | > |
|---|
De Meyer, Maurits (° Elversele, 1895-03-02 - ✝ Wilrijk, 1970-11-24)
Uitgever en volkskundige.
Studeerde tussen 1916 en 1918 klassieke filologie en geschiedenis aan de door de Duitse bezetter vernederlandste Gentse universiteit von Bissing Universiteit). Dit had tot gevolg dat de Belgische universiteiten en de Centrale Examencommissie voor hem na de oorlog gesloten bleven. Spoedig trad hij in dienst van de nog jonge uitgeverij Standaard Boekhandel, waarvan hij 35 jaar lang directeur (01.10.1924) en later beheerder was. Zo was hij ook medestichter van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen (VBVB), die hij ook als voorzitter zou leiden, en was hij betrokken bij de organisatie van de Boekenbeurs voor Vlaanderen in Antwerpen. Als wetenschapsman verwierf de Meyer faam door zijn activiteiten op gebied van volkskunde - het is mede dankzij hem dat men deze wetenschap in Vlaanderen ernstig is gaan beoefenen. De Meyer specialiseerde zich in de studie van Vlaamse sprookjes, waarover hij in binnen- en buitenland publiceerde.
Gezelle, Guido (° Brugge, 1830-05-01 - ✝ 1899-11-27)
Priester-dichter en leraar.
Oom van Caesar Gezelle en Stijn Streuvels. Priester-dichter en leraar die met zijn nationaal-religieus geïnspireerde lessen, gedichten en journalistieke publicaties grote invloed uitoefende op de katholieke Vlaamse studentenbeweging. Gezelle werkte achtereenvolgens in Roeselare (Klein Seminarie), Brugge, Kortrijk en opnieuw Brugge. Hij maakte vlug naam als Vlaams literair auteur met zijn Kerkhofblommen (1858), en was ook zeer actief als taalgeleerde, volkskundige, pamflettist, polemist, en stichter-stimulator en uitgever van tijdschriften als Rond den Heerd, Loquela en Biekorf. Gezelle was een taalparticularist, wat tot uiting kwam in zijn bijdragen aan deze tijdschriften. Hij liet tevens een bundel Laatste Verzen na die in 1901 postuum uitgegeven zou worden.
Grote, Geert (° Overijssel, 1340 - ✝ Deventer, 1384)
Kanunnik.
Hij was de zoon van de schepen en de raadsheer van de gemeenteraad van Deventer. Zijn jeugdjaren werden gekenmerkt door de pest en opkomende sektes. Hij studeerde aan de faculteit der Artes aan de Parijse universiteit. Daarna legde hij zich toe op de studie van de vrije wetenschappen, de moraalstudie, het burgerlijke en het kerkelijke recht en de theologie. Terwijl hij zich met deze vakken bezighield, bereidde hij zijn kerkelijke loopbaan voor. Hij werd eerst kanunnik van Aken in 1362 en in 1371 kreeg hij de titel van kanunnik van Utrecht. Al zijn werken getuigen van een grote eruditie en devootheid.
Huizinga, Johan (° Groningen, 1872-12-07 - ✝ De Steeg, 1945-02-01)
Historicus.
Tot 1903 waren het jaren van zoeken, daarna wijdde Huizinga zich geheel aan de geschiedenis. Onder impuls van J. Te Winkel ging hij Germaanse filologie studeren en evolueerde in de richting van indogermanistiek. Hij kwam in aanraking met het Sanskriet en vanuit een voorliefde voor Indische cultuurgeschiedenis groeide zijn interesse voor de westerse geschiedenis. In 1903 werd hij privaatdocent in de Oudheid - en Letterkunde van Voor-Indië in Amsterdam maar al gauw wendde hij zich naar de beoefening van de Europese geschiedenis en meer bepaald de Middeleeuwen. In 1915 aanvaardde Johan Huizinga de benoeming tot hoogleraar algemene geschiedenis te Leiden. Daar voltooide hij het grote boek waaraan hij al jaren werkte: Herfsttij der middeleeuwen (1919). De verschijning van dit werk in het Duits en het Engels in 1924, evenals in hetzelfde jaar de publicatie van zijn Erasmus in het Nederlands en het Engels, betekenden zijn doorbraak als historicus van naam in binnen- en buitenland. Mede door zijn studies over de inhoud van het begrip renaissance vergeleek men hem met de grote Zwitserse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt. Als Leids hoogleraar, redacteur van De Gids, voorzitter van de Commissie voor Advies inzake de Rijksmusea, lid en later voorzitter van de afdeling Letterkunde van de Koninklijke Akademie, gaf hij over tal van onderwerpen zijn mening: geschiedenis, museumwezen, universiteit, boekverzorging, spelling, onderwijs en dergelijke. Hij kan worden beschouwd als de grondlegger van de Nederlandse cultuurgeschiedenis.
Kollár, Kàlmàn (koloman) (???)
Uitgever.
Dr. Koloman Kollàr was de Hongaarse tweede echtgenoot van Maria-Theresia Veen, de dochter van L.J. Veen, die de gelijknamige Amsterdamse uitgeversmaatschappij oprichtte. Kollàr was zelf een uitgever en zijn langdurige buitenlandse ervaring beïnvloedde het fonds en gaf de uitgeverij een meer internationaal karakter, want op zijn advies werden er niet alleen werken van o.a. Rüssel, Jacques Pirenne en Rostovtzeff opgenomen, maar ook romans van belangrijke Hongaarse auteurs (Marai, Harsányi e.a.).
Lannoo, Joris (° Tielt, 1891-02-20 - ✝ Tielt, 1971-12-08)
Directeur van drukkerij-uitgeverij Lannoo te Tielt.
Joris Lannoo begon zijn humaniorastudie aan het Tieltse college, maar moest die in 1909 noodgedwongen stopzetten. Op 1 juni 1909 nam hij samen met zijn broer Rafaël een kleine Tieltse drukkerij, drukkerij Horta, over. Na de Eerste Wereldoorlog, waarin hij als officier aan het front van de Yzer streed, bevond de uitgeverij zich in verval, maar door grote inspanningen werkte Lannoo zich opnieuw op. In 1929 vestigde hij zich in de Kasteelstraat, waar hij een groot bedrijf oprichtte en leidde tot in de jaren '60, toen een ziekte hem geleidelijk het werk uit handen nam en zijn zonen hem opvolgden. Hij gaf veel Vlaamse werken uit van o.a. Stijn Streuvels, Guido Gezelle, Emiel van Hemeldonck, ... Verder was hij ook nog stichtend lid van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen en van de Vlaamse Uitgeversbond. Hij legde contacten met Nederlandse uitgevers als de R.K. Boekcentrale, Van Langenhuysen en Veen, met wie hij jaren samenwerkte. Het bedrijf omvat thans drie afdelingen: drukkerij, grafiek en uitgeverij.
Van Dieren, Jan Petrus (° Grave, 1818-05-15 - ✝ Antwerpen, 1887-01-20)
Stichter van de Antwerpse drukkerij en uitgeverij Van Dieren.
Jan Petrus van Dieren vestigde zich in 1839 in Antwerpen, waar hij in 1840 werd ingeschreven als 'imprimeur-libraire' en de drukkerij-uitgeverij V. van Dieren & Co. oprichtte. Hij verzorgde omvangrijke taalkundige en literaire uitgaven als het Nederlansch Letterkundig Woordenboek van P. Weiland. In 1842 gaf hij werken van Theodoor Van Ryswyck uit. Ook op het gebied van het dagblad- en tijdschriftwezen maakte hij zich verdienstelijk. Hij was de stichter van Het Handelsblad (sedert 1844), De Huisvriend (1865-1913) en van De Belgische Illustratie (1869-1884).
Daarnaast gaf hij o.m. de werken uit van August Snieders en van Hendrik Conscience (vanaf 1850). De Antwerpse firma drukte standaardwerken als de Geschiedenis van Vlaanderen, Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden, Vlaanderen door de eeuwen heen, Flandria Nostra en Lectuurrepertorium. Jan Petrus Van Dieren overleed in 1887, maar zijn zonen Jan (1847-1926) en Theofiel (1855-1918) de leiding over. Na de Eerste Wereldoorlog werd Jans zoon (1882-1961) directeur. Zijn neef, Vincent, nam in 1913 de drukkerij Van Os-de Wolf over en bouwde ze uit tot de befaamde drukkerij V. Van Dieren en Co. Van Dieren & Co. staakte haar werkzaamheden in 1968.