Lijsternest
INGOOIGEM
onze ref.: MvN/bm
(handtekening W. Doevenspeck)
W. Doevenspeck
| < | Resultaat 2507 van 2531 | > |
|---|
Lateur, Frank (° Heule, 1871-10-03 - ✝ Ingooigem, 1969-08-15)
Geboren als Frank Lateur en bakker van opleiding, maar onder zijn pseudoniem Stijn Streuvels als prozaschrijver bekend geworden in tijdschriften als Van Nu en Straks, Vlaanderen, De Gids en De Nieuwe Gids. De vlaschaard (1907) en De teleurgang van den waterhoek (1927) zijn twee van zijn bekendste romans.
Van Wilderode, Anton (° Moerbeke-Waas,, 1918-06-28 - ✝ Sint-Niklaas, 1998-06-15)
Pseudoniem van: COUPE, Cyriel (Moerbeke-Waas, 28.06.1918 - Sint-Niklaas, 15.06.1998).
Coupé volgde de Grieks-Latijnse humaniora aan het Sint-Jozef Klein Seminarie van Sint-Niklaas. Na zijn priesteropleiding en -wijding in 1944, studeerde Coupé nog twee jaar klassieke filologie aan de Leuvense universiteit. Sinds 1946 was hij onafgebroken, tot aan zijn pensionering in 1982, leraar aan zijn vroegere college in Sint-Niklaas. In 1975 werd hij benoemd tot doctor honoris causa aan de Leuvense Alma Mater en verkozen tot lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent.
Van Wilderode, dichter, vertaler, bloemlezer en essayist, is redacteur van Dietsche Warande en Belfort. Hij schreef monografieën over Filip De Pillecyn (1960) en André Demedts (1965). In 1975 voltooide hij zijn Vergilius-vertaling en was hij hiermee de eerste die, na Vondel in de 17de eeuw, het complete oeuvre van de Latijnse dichter in het Nederlands vertaalde. Ook uit het werk van Horatius heeft hij een ruime keuze vertaald. Als bloemlezer verwierf hij vooral bekendheid met het tweedelige, gecommentarieerde handboek De dubbelfluit (1968), bestemd voor het secundair onderwijs, Het groot jaargetijdenboek (1971), En het woord was bij God (1979) en Het tweede jaargetijdenboek (1987). Als dichter is Van Wilderode de auteur van een omvangrijk en belangrijk oeuvre, dat meer dan twintig bundels telt en klassieke allures bezit. Vertrekkend vanuit een romantisch eenzaamheidsgevoel (De moerbeitoppen ruisten, 1943), uitgedrukt in elegisch-dromerige verzen en in een zangerig-impressionistische vorm, verruimde hij geleidelijk zijn thematiek. In Najaar van Hellas (1947) tilde hij zijn individuele situatie op in een ruimere context, met name het lot van de hedendaagse mens, die zich doorheen een beschavingscrisis worstelt. Het proces van vereenzaming en verinnerlijking bracht hem in Het land der mensen (1952) tot een deemoedig aanvaarden van de realiteit en een zich inschakelen in dienstbaar verband, ten bate van de gemeenschap. Het werkte ook een taalversobering in de hand. Zijn dichterschap bereikte zijn hoogste bloei in de laatste twee decennia. Vanaf Dorp zonder ouders (1978) werd zijn thematiek omgebogen in spiritualistische zin en is ze steeds meer gericht op de overzijde van dit bestaan. Benevens andere prijzen ontving Van Wilderode in 1956 de Interprovinciale prijs voor letterkunde, in 1980 de driejaarlijkse Staatsprijs voor poëzie en de Joost Van den Vondelprijs, in 1986 de Interprovinciale prijs voor letterkunde voor het gehele oeuvre en in 1987 de driejaarlijkse Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan. Sinds 1993 was hij eredeken van het Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond. Van Wilderode noemt zich een Vlaams-nationalist. Hij schreef scenario's voor radio en televisie, maar ook scripten voor religieuze, culturele en volksnationale manifestaties (Guldensporenherdenking, 1966; herdenking van De Groote Stooringe, 1975). In 1958 en van 1974 tot 1976 schreef hij de bindteksten voor het Vlaams Nationaal Zangfeest in Antwerpen. Voor de IJzerbedevaart schreef hij voor de eerste maal teksten en gelegenheidsgedichten in 1953, daarna ononderbroken van 1965 tot 1993 (enkele malen waren de teksten gedeeltelijk van zijn hand). De IJzerbedevaartgedichten nam hij op in de eerste uitgave van Verzamelde gedichten (1974). Later werden ze afzonderlijk uitgegeven in De dag begint bij een puin (1985). Ook ter herdenking of bij het overlijden van Vlaamse figuren schreef hij gedichten, waarvan er een aantal werd opgenomen in In al begonnen vrede (1993). Deze gelegenheidsgedichten releveren een zeldzaam talent. Zij kregen betekenis in de Vlaamse strijd en maken van Van Wilderode daardoor een van de belangrijkste auteurs van flamingantisch geïnspireerde poëzie. Vele ervan werden getoonzet door bekende componisten. Zo is het innige Lied van mijn land, op muziek van Ignace De Sutter, wellicht het mooiste populaire lied uit het naoorlogse Vlaamse repertoire. Het wordt zowat als de officieuze Vlaams-nationale hymne beschouwd.
Minder strijdbaar, maar evenzeer gedragen door zijn liefde voor Vlaanderen en zijn volk, zijn de tientallen gedichten, geschreven bij prachtige foto's van Jan Decreton en gepubliceerd in de trilogie: Daar is maar één land dat mijn land kan zijn (1983), En het dorp zal duren (1983), Het sierlijke bestaan van steden (1990).
Sinds 1970 was hij lid van het IJzerbedevaartcomité en sinds 1972 lid van de raad van beheer van de bedevaartorganisatie. Zijn verhouding tot het IJzerbedevaartcomité verliep evenwel niet altijd rimpelloos. In de periode voor 1965 leefde hij reeds in onmin met het Comité, toen regisseur Remi Van Duyn zonder aanwijsbare reden werd ontslagen. Begin 1995 nam hij, samen met enkele anderen (de zogenaamde Groep van Gent) zelf ontslag, omdat hij het niet eens was met de niet-herverkiezing van Michiel Debackere. Hij trad eveneens toe tot het IJzerbedevaardersforum.