<Resultaat 304 van 2126

>

p1

Ehrwürd’ger Vater![1]

Hätten Sie mir aùch nicht erlaùbt, an Sie zù schreiben so hätte ich es doch nicht ùnterlassen können, Sie als Mittwisser meines Glückes zù machen. Nachstehendes teile ich Ihnen gùten Vater mit, weil ich weiß daß ich Ihnen Freùde damit bereite. Nùn mùß ich Sie aber zùvor bitten verzeihen zù wollen, wenn ich etwas Langweilig werde, denn das, welches ich Ihnen mittheilen[2] will, ist so bedeùtend für mich, daß ich etwas aùsführlich sprechen mùß.

Am Abend nach meiner letzten Beichte, wùrde ich so ängstlich ù. beklommen,[3] daß ich nicht wùßte, wie ich daran war, ich hatte doch aùfrichtig gebeichtet, dieses p2dieses[4] wüßte ich, ich rief mir all Ihre mir bis in das innerste[5] meines Herzens dringende Worte ins Gedächtniß, nichts konnte meine Stimmùng ändern.

Dazù bildete ich mir mit Hülfe[6] des Vaters ein, das mir meine Sünde nicht vergeben seien weil meine Beichte nicht reùig[7] genùg gewesen sei.[8]

Nùn saß ich mit solchen gräßlichen[9] Einflüsterùngen des Teùfels, am offnen Fenster, obschon es schon sehr spät ù kalt war schaùte in die dùnkle Nacht; beten konnte ich nicht, weinen aùch nicht, ich war wie eine Verzweifelte, meine Brùst drohte[10] zù springen, entschloß mich vorläùfig nicht zù kommùnizieren. Was nùn machen? - So zù Bett geh'n konnte ich nicht, ich sprang aùf, befahl dem Bösen mit Weihwasser zù weichen, welcher mich ohne daß ich es bedachte so ganz eine zeitlang in seiner Gewalt genommen hatte; ging zùr Kapelle[11] - Etwas mùßte ich thùn ùm meiner Fùrchtbaren Stimmung eine andere Wendùng zù geben. Dort p3Dort angekommen fühlte ich mich am h. Orte, im traùlichen Dùnkel behaglicher, ich versùchte zù beten, welches mir gelang nachdem ich den Eingebùngen des Teùfels kein Gehör mehr gab ù mich so recht in Gegenwart[12] Gottes versetzte. Ich betrachtete das Leiden ùnseres Heilandes, wùrde folgedessen[13] so von Reùe über meine Sünden ergriffen, daß ich in einen heißen, Flùß von Tränen aùsbrach, 0. wie wol[14] that mir dieses; Unter bittersten Reùethränen bat ich Gott nochmals wie eine reinmuthige Magdalena ùm Verzeihùng. Dann war es mir als wenn ich die Worte hörte: „Sei getroßt, deine Sünden sind dir vergeben„. Ich fühlte daß zùm Lohn meiner Tränen Trost in mein armes Herz geträùfelt[15] wùrde, ich wùrde rùhig, zùletzt selig im Gebete. p4Welche Veränderùng! Jetzt war ich glücklich!, jetzt schien mir sich der ganze Himmel zù öffnen.

Von dieser Stùnde an, habe ich mich Jesùs ganz geweiht ù. die besten Vorsätze[16] gemacht; Jesu den ich renmüthige[17] Magdalena, als meinen einzigen Geliebten aùserwählt habe wird mir beisteh’n, daß ich das, welches ich mir an jenem ùnvergeßlichen Abend vorgenommen,[18] erfülle. Es ist zùr jetzigen Stùnde, noch fortwährend[19] mein Gedanke,[20] für ihn ù mit ihm, bete ich allen Versùchùngen Trotz daran ich noch sehr viel aùsgesetzt werde.[21]

O! ich sehe jetzt so recht ein welch ein Süßes Glück es ist, nùr in Gott zù leben. Ach! würde ich doch nie mehr, einen Schritt von dem angefang'nen Weg abweichen. Doch ich will nicht dieses ist mein entschied’ner Vorsatz, also kann es ohne meinen Willen nicht anders.p5Nùn ehrwürd’ger lieber Vater können Sie mein Glück begreifen ù mit mir Gott danken. Fest überzeùgt bin ich davon, daß Ihr frommes Gebet in der h. Messe Schùld an meiner aùfrichtigen Bekehrung ist ù nùr Ihre liebevolle Leitùng mit welcher Sie mich arme Sünderin leiteten, hat mich so weit gebracht. hätte ich nicht einen solch' gùten Beichtvater gehabt, wer weiß wie es jetzt ùm mich stände? Wie wird Gott Sie segnen!

Am vorigen Sonntag ehrwürd’ger Vater wollte ich kommen, konnte aber nicht nùn kann ich erst zùm anderen Sonntag, bis dahin ist noch lange, konnt[22] nicht so lange warten dazù. wünschten Sie aùch daß ich wissen lasse wie es ùm mich stände, deshalb, förd’re ich dieses Schreiben. Bitte entschùligen[23] Sie mein übereiltes Schreiben, es ist Zeitmangel Schùld daran. p6Heùte hörte ich daß wir erst zùm Januar nach Brügge kommen[24] das ist doch noch sehr lange, doch ich mùß mich gedùlden. Am Sonntag wollte die gnädige Fraù mich so gerne nach Lophem haben ùm zù Beichten, ich sagte daß ich lieber noch acht Tage warten wollte. Hoffendlich[25] langweile ich Sie nicht, leben Sie wol ich bete viel für Sie. Empfielt[26] sich in Ihren Gebeten

Ihr gehorsames ù aùfrichtiges Beichtkind
Bertha Wachowskij
Lophem den 13. Oktober 1868.

Noten

[1] Vertaling Johan Van Eennoo (Duits):

p. 1

Eerwaarde Vader,

Ook al had U mij niet toegestaan U te schrijven, dan nog had ik het niet kunnen laten U tot deelgenoot van mijn geluk te maken. Wat volgt deel ik U, goede Vader, mee, omdat ik weet dat ik er U vreugde mee breng. Nu moet ik U echter vooraf vragen mij te willen vergeven, omdat, wat ik U wil meedelen, zo belangrijk voor mij is, dat ik nogal uitvoerig spreken moet.

De avond na mijn laatste biecht werd ik zo bang en beklemd dat ik niet wist wat er met mij gebeurde, ik had oprecht gebiecht, dat

p. 2

dat wist ik, ik riep mij al uw tot in het binnenste van mijn hart doordringende woorden voor de geest, niets kon mijn stemming veranderen. Daarop beeldde ik mij, met de hulp van de Vader, in, dat mijn zonden mij niet helemaal vergeven waren, omdat mijn biecht niet berouwvol genoeg geweest was. Nu zat ik met zulke afgrijselijke influisteringen van de duivel, bij het open venster, ofschoon het al zeer laat en koud was, keek de donkere nacht in; bidden kon ik niet, wenen ook niet, ik was net als een vertwijfeld persoon, mijn borst dreigde het te begeven, ik besloot voorlopig niet te communiceren. Wat nu gedaan? Zo naar bed gaan kon ik niet, ik sprong op, beval met wijwater de Boze achteruit te wijken, die mij zolang en zonder dat ik het wist in zijn macht genomen had; ging naar de kapel. – Ik moest iets doen om mijn verschrikkelijke stemming een andere wending te geven. Daar

p. 3

Daar, op de heilige plaats aangekomen, voelde ik mij in het intieme donker behaaglijker, ik probeerde te bidden, wat mij lukte nadat ik aan de ingevingen van de duivel geen gehoor meer gaf en mij zo echt in de aanwezigheid van God verplaatst had. Ik keek naar het lijden van onze Heiland, werd als gevolg daarvan zo door berouw over mijn zonden aangegrepen, dat ik in een hete tranenvloed uitbarstte. O, hoe goed deed mij dat; met de bitterste tranen van berouw vroeg ik God, als een reinhartige Magdalena, nogmaals om vergeving. Toen scheen het mij toe alsof ik de woorden hoorde: “Troost je, je zonden zijn je vergeven”. Ik ervaarde dat er, als beloning voor mijn tranen, troost in mijn arm hart gedruppeld werd, ik werd rustig, en uiteindelijk was ik zalig in gebed.

p. 4

Wat een verandering! Nu was ik gelukkig!, nu leek het mij alsof de hele hemel open ging. Vanaf dat ogenblik heb ik mij helemaal aan Jezus gewijd en de beste voornemens gemaakt; Jezus, die ik, reinhartige Magdalena, als mijn enige geliefde uitgekozen heb, zal mij helpen om te volbrengen wat ik mij op die onvergetelijke avond heb voorgenomen. Tot op dit ogenblik is het nog steeds mijn gedachte. Voor Hem en met Hem bid ik, ondanks alle verzoekingen waaraan ik nog zeer veel blootgesteld word. Och! Nu zie ik echt in wat een zoet geluk het is, enkel in God te leven. Ach! Dat ik toch nooit nog één stap van de ingeslagen weg mag afwijken. Maar dat wil ik niet, dat is mijn vast voornemen, en dus kan het zonder mijn wil niet anders.

p. 5

Nu, beste eerwaarde Vader, kunt U mijn geluk begrijpen en samen met mij God danken. Ik ben er vast van overtuigd, dat uw vroom gebed in de H.-Mis de oorzaak van mijn oprechte bekering is en dat alleen uw liefdevolle leiding waarmee U mij, arme zondares, begeleid hebt, mij zover heeft gebracht. Had ik niet zo’n goede biechtvader gehad, wie weet hoe het mij zou staan? Hoe zal God U zegenen. Vorige zondag eerwaarde Vader wilde ik komen, maar kon echter niet, nu kan ik pas volgende zondag, dat is nog lang, en ik kon niet zolang wachten tot dan, en U wenste ook dat ik U zou laten weten, hoe het met mij gaat, daarom stuur ik U dit schrijven. Vergeef mij a.u.b. mijn overhaaste schrijven, tijdsgebrek is de oorzaak hiervan.

p. 6

Vandaag hoorde ik dat we pas in januari naar Brugge komen, dat is toch nog zeer lang, maar ik moet geduld hebben. Zondag wilde Mevrouw mij zo graag naar Lophem doen komen om te biechten, ik heb gezegd dat ik liever nog acht dagen wilde wachten. Ik hoop dat ik U niet verveel, maak het goed ik bid veel voor U. Beveelt zich in uw gebeden

Uw

Gehoorzaam en oprecht biechtkind

Bertha Wachowskij

Lophem X 13. Oktober 1868.

[2] De schrijfster gebruikt vaak een h na een t, wat toen meer gebruikelijk was dan nu. Verder zien we ook: thun, thränen, reinmuthig.
[3] Bedrukt, benauwd, angstig.
[4] Het woord ‘dieses’ staat dubbel geschreven bij de paginaovergang.
[5] Binnenste.
[6] Is een nu verouderd synoniem van Hilfe = hulp.
[7] Berouwvol.
[8] Dit is een konjunktief (subjonctif in het Frans) om uit te drukken dat de bewering niet zeker waar is. In het enkelvoud is de konjunktief van sein = sei, in het meervoud ‘seien’.
[9] Afgrijselijk, afschuwelijk.
[10] Drohen = dreigen.
[11] De kapel in het kasteel van Loppem.
[12] Tegenwoordigheid, aanwezigheid, heden.
[13] Dientengevolge.
[14] Foutief voor ’wohl’.
[15] Druppelen.
[16] Voornemens.
[17] Foutief voor ’reinmuthig‘ (zuiver, rein van gemoed).
[18] Na ’vorgenommen‘ ontbreekt het woord ’habe‘ of ’hatte’.
[19] Voortdurend.
[20] Foutief voor ’meine Gedanke‘, aangezien ’Gedanke’ vrouwelijk is.
[21] Es ist zur jetzigen Stunde, noch fortwährend mein Gedanke, für ihn u mit ihm, bete ich allen Versuchungen Trotz daran ich noch sehr viel ausgesetzt werde. Dit zijn twee zinnen:

1) Tot op dit ogenblik is dit nog steeds mijn gedachte, nl. dat Jezus haar zal helpen om haar voornemens te volbrengen. Dit heeft niets te maken met wat erop volgt.

2) Door Hem en met Hem bid ik, ondanks alle verzoekingen waaraan ik nog vaak word blootgesteld.

[22] Foutief voor ’konnte’.
[23] Foutief voor ’entschuldigen’.
[24] Behalve in het kasteel te Loppem, resideerde het echtpaar Van Caloen ook te Brugge in een groot herenhuis langs de Dijver, nu het Europacollege.
[25] Foutief voor ’Hoffentlich’.
[26] Foutief voor ’Empfiehlt’.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWachowsky, Bertha
Datums° Münster, 20/07/1843
GeslachtVrouwelijk
Beroepkamenierster; gouvernante
VerblijfplaatsDuitsland
BioBertha Wachowsky werd te Münster geboren op 20 juli 1843. In het personeelsregister van het kasteel van Loppem staat ze vermeld als 'femme de chambre'. Die functie oefende ze uit van 16 oktober 1867 tot 24 oktober 1871. Jaren later en na een verblijf in Gent, werd ze op 21 mei 1878 in de Brugse bevolkingsregisters ingeschreven. Ze was toen gouvernante van beroep en woonde in de Oude Zak nr. 24, in de woning van kunstschilder Henri De Cock. Nog datzelfde jaar, op 22 november, verliet ze Brugge en verhuisde ze naar Elsene.
Relatie tot Gezellecorrespondent; biechteling
Bronnen https://www.archiefbankbrugge.be/; Archief kasteel van Loppem

Briefschrijver

NaamWachowsky, Bertha
Datums° Münster, 20/07/1843
GeslachtVrouwelijk
Beroepkamenierster; gouvernante
VerblijfplaatsDuitsland
BioBertha Wachowsky werd te Münster geboren op 20 juli 1843. In het personeelsregister van het kasteel van Loppem staat ze vermeld als 'femme de chambre'. Die functie oefende ze uit van 16 oktober 1867 tot 24 oktober 1871. Jaren later en na een verblijf in Gent, werd ze op 21 mei 1878 in de Brugse bevolkingsregisters ingeschreven. Ze was toen gouvernante van beroep en woonde in de Oude Zak nr. 24, in de woning van kunstschilder Henri De Cock. Nog datzelfde jaar, op 22 november, verliet ze Brugge en verhuisde ze naar Elsene.
Relatie tot Gezellecorrespondent; biechteling
Bronnen https://www.archiefbankbrugge.be/; Archief kasteel van Loppem

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLoppem
GemeenteZedelgem

Naam - persoon

Naamde Gourcy Serainchamps, Savina Louise Joséphine; van Caloen-de Gourcy, Savina L. J.
Datums° Gent, 17/07/1825 - ✝ Loppem, 07/09/1912
GeslachtVrouwelijk
BioSavina de Gourcy Serainchamps was een dochter van graaf Félix, grootgrondbezitter, en barones Mathilde Dons de Lovendeghem uit Gent. Het gezin telde vijf kinderen en woonde op het (nu verdwenen) kasteel van Mianoye te Assesse bij Namen. Savina kreeg eerst thuisonderricht, daarna was ze pensionaire op de kloosterschool van Berlaimont (Brussel). Ze was er bevriend met Émilie van Outryve d’Ydewalle, die in 1848 huwde met Jean-Baptiste Bethune. Savina trouwde op 21 april 1847 met baron Charles van Caloen, vriend en studiegenoot van Bethune. De twee echtparen hadden veel gemeen: fervent katholiek, devoot, liefdadig, kunstminnend (neogotiek), traditionalistisch en ultramontaans. Charles en Savina kregen vijf kinderen die allen opgroeiden tot modelkatholieken: Maria (karmelietes), Savina, Joseph (benedictijn, vriend van Gezelle), Albert en Ernest. Het echtpaar was de bouwheer van het kasteel van Loppem (1859), gebouwd door de bouwmeesters Edward Pugin en Jean-Baptiste Bethune. Door de oogziekte van haar man, was het in de praktijk vooral Savina die zich deze taak aantrok. Het kasteel werd een centrum voor kunstenaars, intellectuelen, schrijvers, prelaten en bekeerlingen. Ook Guido Gezelle was vriend aan huis. Hij schreef in 1870 verzen bij de wandschilderingen in het Blauw Salon van het kasteel bij de taferelen van Duitse schilder August Martin. Savina werd in 1869 voorzitter van de Dames Zélatrices van de Noordpoolmissie, met Gezelle als geestelijk leidsman. Op verzoek van Savina schreef Gezelle in 1892 opschriften in versvorm voor de huizen waar het H. Bloed in woelige tijden verborgen werd.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; aanvrager gelegenheidsgedicht; Noordpoolmissie
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; https://www.geni.com/people/Savina-de-Gourcy-Serainchamps/6000000033149576105; J. Braet, Het kasteel van Loppem in zijn familiaal en historisch kader. In: V. van Caloen (red.), Het kasteel van Loppem. Oostkamp: Stichting Kunstboek, 2001, p.10-43
NaamWachowsky, Bertha
Datums° Münster, 20/07/1843
GeslachtVrouwelijk
Beroepkamenierster; gouvernante
VerblijfplaatsDuitsland
BioBertha Wachowsky werd te Münster geboren op 20 juli 1843. In het personeelsregister van het kasteel van Loppem staat ze vermeld als 'femme de chambre'. Die functie oefende ze uit van 16 oktober 1867 tot 24 oktober 1871. Jaren later en na een verblijf in Gent, werd ze op 21 mei 1878 in de Brugse bevolkingsregisters ingeschreven. Ze was toen gouvernante van beroep en woonde in de Oude Zak nr. 24, in de woning van kunstschilder Henri De Cock. Nog datzelfde jaar, op 22 november, verliet ze Brugge en verhuisde ze naar Elsene.
Relatie tot Gezellecorrespondent; biechteling
Bronnen https://www.archiefbankbrugge.be/; Archief kasteel van Loppem

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamLoppem
GemeenteZedelgem

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Wachowsky, Bertha

Correspondenten

Gezelle, Guido
Wachowsky, Bertha

Naam - persoon

de Gourcy Serainchamps, Savina Louise Joséphine
Wachowsky, Bertha

Naam - plaats

Brugge
Loppem

Plaats van verzending

Loppem

Titel13/10/1868, Loppem, Bertha Wachowsky aan [Guido Gezelle]
EditeurJohan Van Eenoo; Mario Van Assche; Transkribus
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderWachowsky, Bertha
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum13/10/1868
VerzendingsplaatsLoppem (Zedelgem)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 206x132
groen
papiersoort: 6 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle; idem rechts: 13/10 1868 (inkt, beide hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief4846
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11172
Inhoud
IncipitHätten Sie mir auch nicht erlaubt,
Tekstsoortbrief
TalenDuits
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.