<Resultaat 415 van 2052

>

p1
6, Hereford Square,
London. S.W.

My dear Father

Absence from home, and weak health occasioned by fresh cares, together with the very meagre amount of the information you desired[1] which I have to send is the reason why you have not heard from me earlier. I was so much pleased to receive another of your kind letters! We thank you very much for your good Paschal wishes, and I can assure you that we highly appreciate a Priest's Blessing.

The bearer of your letter called here with it one Sunday afternoon before we had returned from Vespers, so that we did not see her; but had we been at home, we could have given her no information of the kind she needed,p2as we are perfectly ignorant of mercantile affairs, none of our family on either side being engaged in commercial pursuits. However she has probably long since met with competent advisers on that point.

When we were lately at Brighton the Nuns (Sisters of Mercy)[2] asked me to choose a cell for myself, and I took the opportunity of making a few inquiries as to the admission of a Belgian novice. The Reverend Mother said that the choice of a convent would be regulated by the vocation, and that she thought one would be admitted into any convent, provided that she were a good girl, that the references were satisfactory, and that she brought with her a pension,p3the amount of which would vary with the convent. You did not say whether the person you mention is of gentle birth, or otherwise. +[3] I have heard of servants being admitted at some convents, who take with them each only £ 5. There is one at Hammersmith for the reception of penitents who are not in the same part of the convent as the novices. These nuns devote themselves to the reformation of penitents.

I am so happy about your intention having been granted! I put it into the Confraternity of The Precious Blood, at the Oratory at the time you mentioned it, and now I shall put in our thanksgiving next Sunday, if I do not forget to do so again. I ought to have put it in earlier,

+ I do not know whether it would make any difference.p4but since our return a fortnight ago, I have forgotten it on each Sunday, but I never forget it when I am at the Altar of the Sacred Heart, or that of Our Lady.

I am anxious and unhappy about Fr Christie, who has been very seriously ill, and away, I miss him sadly, not having seen him since Holy Week. He has been greatly overworked, and the rest and change which he so greatly needed has not yet restored him. I believe he is coming back very soon now, but the joy of all his children at the prospect of his speedy return is considerably damped by hearing that he is still much out of health. Pray for him.

My new Convert (my sister in law) enjoys her newly found happiness extremely, but my brother whom I thought nearer than he seemsp5now to be, is much displeased at the step she has taken, and told her so. He and I never mention the subject, and the rest are equally forbearing with me which is very good of them, but he thinks it his duty to take her her[4] to task. I am disappointed at finding he is further from the truth than we imagined, so at present I am trying first for two persons who are nearer.

My present crosses are my servants; they give me no peace, although they profess the greatest attachment to me! I could secure our own comfort just now, by taking a Protestant Housemaid, who is well recommended and anxious to come and live with us, but there is no telling how it might affect the Cook,[5] for servants exercise so much influence over each other, she might lose her religon or perhaps be alwaysp6quarrelling. I think it is my destiny to be in perpetual Purgatory, and console myself by thinking that I shall have no servants in Heaven to look after. I am sorry to say that we should not suffer in this way except from Catholic servants, but I scarcely like to set the example of refusing to take them and having Protestants instead. I believe old Catholics, that is born Catholics, manage them better; because they are more strict with them, and are not so easily imposed upon, but they (the servants) always prefer living with converts, I am told.

Adieu, dear Father, pray for me that I may be more courageous, and love crosses instead of allowing them to weigh too heavily. You see I have not found the heartsease yet. When you meet Fr Constantine, the Carmelite (formerly at Bruges, now at Courtrai) will you give him Mr. Buckler's kindest remembrances and mine too, & with everything that is kind from us both to you, I am always, your grateful Child.
Mary Buckler.

Enfant de Marie[6]p7I am so ignorant as not to know the correct way of addressing a letter to a Priest abroad. Will you teach me? In English, we should put,

The Reverend

Guido Gezelle.

Noten

[1] Gezelle had informatie over Engelse kloosters gevraagd, waar een Vlaamse vrouw een toevlucht zou kunnen vinden. Zie brief van M. Farbrother aan G. Gezelle, Londen, 18/03/1874.
[2] In 1852 hadden de Sisters of Mercy hier het St Joseph’s Convent of Mercy opgericht, deels gebouwd naar ontwerp van Charles Buckler. Mogelijk logeerde Mary dus in het cellenblok dat haar echtgenoot hier in 1864-'66 had laten optrekken.
[3] Verwijzing naar meer informatie onderaan de brief.
[4] Verschrijving bij de regelovergang.
[5] Volgens de census van 1871 had het gezin twee domestieken: de 34-jarige Margaret Murphy en de 26-jarige Mary Kelly. Tegen 1881 waren zij beiden vervangen door de 36-jarige dienstmeid Kate Taylor en de 29-jarige kokkin Amelia H. Munday. Mogelijk was deze Amelia reeds in 1874 in dienst. Het aantal huispersoneelsleden bij de Bucklers bleef beperkt tot twee. Het ging telkens om vrouwelijke huispersoneelsleden.
[6] Door zich ‘kind van Maria’ te noemen, toont Mary een speciale devotie voor Maria en/of een bijzondere deugdzaamheid, vroomheid en vriendelijkheid na te streven. De titel wordt ook gebruikt door leden van Mariacongregaties, maar het is niet geweten of Mary hiertoe behoorde.

Register

Correspondenten

NaamFarbrother, Mary Louisa; Farbrother, Mary Aloysia; Buckler, Mary
Datums° Oxford, 03/05/1828 - ✝ Londen, 29/05/1892
GeslachtVrouwelijk
VerblijfplaatsEngeland
BioMary Louisa Farbrother werd op 3 mei 1828 in Oxford geboren als tweede dochter en derde kind van onderwijzer John Farbrother (Cirencester, Gloucestershire, 1797 – Reading, Berkshire, 13/07/1866) en zijn eerste vrouw Mary Wheeler. Haar ouders trouwden op 21 april 1817 in Marylebone, Londen. Het echtpaar kreeg vier kinderen. John Farbrother hertrouwde op 26 september 1832 met Mary Dibbin (1807-1867). Dit echtpaar kreeg vijf kinderen. Mary Louisa Farbrother huwde zelf in juni 1851 in Buckinghamshire, Oxfordshire met architect Charles Alban Buckler (1824-1925). Ze kregen geen kinderen. Met de censussen van 1851 en 1861 woonden ze in Oxford en met de censussen van 1871, 1881 en 1891 in 6, Hereford Square, South Kensington, Londen. Mary en haar man ondernamen vele reizen naar het continent en verbleven in Frankrijk en België bij kennissen. Tijdens hun reis in België verbleven ze bij een bevriend koppel in Brussel en in Brugge in de Moerstraat 34 in het huis van priester Lodewijk Van Haecke. Tijdens het verblijf in Brugge werd Guido Gezelle de biechtvader van Mary Louisa. Haar biechtvader in Engeland was Father Albany Christie. Mary Louisa Farbrother overleed op 29 mei 1892 in 6, Hereford Square, South Kensington, Londen.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Ancestry
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamFarbrother, Mary Louisa; Farbrother, Mary Aloysia; Buckler, Mary
Datums° Oxford, 03/05/1828 - ✝ Londen, 29/05/1892
GeslachtVrouwelijk
VerblijfplaatsEngeland
BioMary Louisa Farbrother werd op 3 mei 1828 in Oxford geboren als tweede dochter en derde kind van onderwijzer John Farbrother (Cirencester, Gloucestershire, 1797 – Reading, Berkshire, 13/07/1866) en zijn eerste vrouw Mary Wheeler. Haar ouders trouwden op 21 april 1817 in Marylebone, Londen. Het echtpaar kreeg vier kinderen. John Farbrother hertrouwde op 26 september 1832 met Mary Dibbin (1807-1867). Dit echtpaar kreeg vijf kinderen. Mary Louisa Farbrother huwde zelf in juni 1851 in Buckinghamshire, Oxfordshire met architect Charles Alban Buckler (1824-1925). Ze kregen geen kinderen. Met de censussen van 1851 en 1861 woonden ze in Oxford en met de censussen van 1871, 1881 en 1891 in 6, Hereford Square, South Kensington, Londen. Mary en haar man ondernamen vele reizen naar het continent en verbleven in Frankrijk en België bij kennissen. Tijdens hun reis in België verbleven ze bij een bevriend koppel in Brussel en in Brugge in de Moerstraat 34 in het huis van priester Lodewijk Van Haecke. Tijdens het verblijf in Brugge werd Guido Gezelle de biechtvader van Mary Louisa. Haar biechtvader in Engeland was Father Albany Christie. Mary Louisa Farbrother overleed op 29 mei 1892 in 6, Hereford Square, South Kensington, Londen.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Ancestry

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLonden

Naam - persoon

Naamonbekend
NaamBuckler, Charles Alban
Datums° Londen, 25/09/1824 - ✝ Londen, 14/06/1905
GeslachtMannelijk
Beroeparchitect; auteur; uitgever; topograaf; kunstschilder; heraldicus
VerblijfplaatsEngeland
BioCharles Alban Buckler werd geboren op 25 september 1824 in Bermondsey, Londen als zoon van architect John Chessel Buckler (1793-1894) en Esther Fair (1797-1882). Ook zijn grootvader John Buckler was architect. Charles Alban Buckler bekeerde zich in 1844 tot het katholicisme en werd een van de belangrijkste architecten van katholieke kerken in Engeland. Hij was een aanhanger van de neogotische stijl. Buckler was daarnaast auteur (soms ook samen met zijn vader) en uitgever van boeken over architectuur, geschiedenis en heraldiek. Hij was ook topograaf, kunstschilder en heraldicus. In de jaren 1870 gaf Henry Fitzalan-Howard, 15th Duke of Norfolk, hem de opdracht om Arundel Castel te heropbouwen. Drie van zijn broers werden dominicaan. Buckler trouwde op 29 april 1851 in Headington, Oxford met Mary Louisa Farbrother (1828-1892). Het huwelijk bleef kinderloos. Hij overleed op 14 juni 1905 te Brentford, Londen.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Ancestry
NaamFarbrother, Mary Louisa; Farbrother, Mary Aloysia; Buckler, Mary
Datums° Oxford, 03/05/1828 - ✝ Londen, 29/05/1892
GeslachtVrouwelijk
VerblijfplaatsEngeland
BioMary Louisa Farbrother werd op 3 mei 1828 in Oxford geboren als tweede dochter en derde kind van onderwijzer John Farbrother (Cirencester, Gloucestershire, 1797 – Reading, Berkshire, 13/07/1866) en zijn eerste vrouw Mary Wheeler. Haar ouders trouwden op 21 april 1817 in Marylebone, Londen. Het echtpaar kreeg vier kinderen. John Farbrother hertrouwde op 26 september 1832 met Mary Dibbin (1807-1867). Dit echtpaar kreeg vijf kinderen. Mary Louisa Farbrother huwde zelf in juni 1851 in Buckinghamshire, Oxfordshire met architect Charles Alban Buckler (1824-1925). Ze kregen geen kinderen. Met de censussen van 1851 en 1861 woonden ze in Oxford en met de censussen van 1871, 1881 en 1891 in 6, Hereford Square, South Kensington, Londen. Mary en haar man ondernamen vele reizen naar het continent en verbleven in Frankrijk en België bij kennissen. Tijdens hun reis in België verbleven ze bij een bevriend koppel in Brussel en in Brugge in de Moerstraat 34 in het huis van priester Lodewijk Van Haecke. Tijdens het verblijf in Brugge werd Guido Gezelle de biechtvader van Mary Louisa. Haar biechtvader in Engeland was Father Albany Christie. Mary Louisa Farbrother overleed op 29 mei 1892 in 6, Hereford Square, South Kensington, Londen.
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Ancestry
NaamChristie, Albany James
Datums° Southwark, 18/12/1817 - ✝ Londen, 02/05/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; academicus; jezuïet
VerblijfplaatsEngeland; Italië; Malta
BioChristie Albany James was de zoon van Albany Henry Christie uit Chelsea, Londen. Hij studeerde aan King's College, Londen en ging op 2 juli 1835 naar Oxford om er verder te studeren aan het Oriel College. Hij kwam er onder invloed van de Oxford Movement en John Henry Newman. Vanaf 1844 tot 1846 studeerde hij geneeskunde te Londen. In oktober 1846 werd hij door Dr. Doyle van St.-George's, Southwark, opgenomen in de Katholieke Kerk en ging hij ook naar het College (medische school) van Bart's. In 1847 sloot hij zich als novice aan bij de jezuïeten. Hij begon theologie te studeren aan het College of St. Beuno's (Wales), een onderkomen voor tal van priesters van het Collegium Romanum die voor de revolutie van 1848 hadden moeten vluchten. Hij studeerde verder te Rome en werd in 1852 tot priester gewijd. Hij keerde voor zijn laatste jaar naar St. Beuno's terug en werd in 1855 leraar aan het Engels College van The Society at Valetta te Malta. Van 1856 tot 1860 was hij leraar te Stonyhurst, Saint Mary’s Hall. In 1858 werd hij op zending gestuurd en in 1862 ging hij naar de Farm Street Church in Londen, waar hij ook de biechtvader was van Mary Buckler. Christie werd later bekend als een katholieke toneelschrijver en dichter. Hij stierf in Londen, op 2 mei 1891.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVanneste, Victor Emiel; Constantius A.S. Maria (Pater)
Datums° Izegem, 11/04/1830 - ✝ Brussel, 24/01/1885
GeslachtMannelijk
Beroepkarmeliet; pater
BioVictor Emiel Vanneste werd op 11 april 1830 te Izegem geboren als zoon van Samuel Hilarius Vanneste en Marie Anne Theresia Windels. Hij trad toe tot de orde van de Karmelieten te Ieper en nam er de naam aan van pater Constantinus A.S. Maria. Vanaf 7 oktober 1850 was hij leraar te Ieper en op 10 juni 1854 werd hij tot priester gewijd. Hij was achtereenvolgens leraar van de H. Schrift te Gent (1858), leraar dogmatiek in het karmelietenklooster te Brugge (1863-1864) en daar ook leraar wijsbegeerte (1872-1873) tot hij naar Gent trok om daar opnieuw leraar H. Schrift te worden (1876-1880). Op 24 januari 1885 stierf hij te Brussel.
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III, III, p.381
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamFarbrother, Frederick Robert
Datums° Oxford, 1840 - ✝ Smallthorne, 1901
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; kapelaan; dominee
VerblijfplaatsEngeland
BioFrederick Robert Farbrother werd geboren te Oxford, Oxfordshire in 1840 als jongste zoon van John Farbrother (1797-1866), vader van Mary Farbrother die een correspondent was van Guido Gezelle, en zijn tweede echtgenote Mary Dibbin (1808-1867). Het echtpaar trad op 26 september 1832 in het huwelijk. Frederick Farbrother werd pas op 5 maart 1841 gedoopt in Oxford. Hij studeerde in 1866 af aan het Trinity College in Dublin, in 1867 werd hij diaken en in 1868 werd hij tot (anglicaanse) priester gewijd. Van 1867 tot 1871 was hij kapelaan van Wheathampstead en van 1871 tot oktober 1874 van St. John the Baptist in Hulme, Manchester. Van eind 1874/begin 1875 tot 1878 was hij actief als dominee in Lynton, Devonshire en in 1878 werd hij dominee van Wincle bij Macclesfield. Hij trouwde op 22 oktober 1874 met Sarah Belinda Ward Jackson (1845-1906). Frederick overleed in april 1901 in Smallthorne, Staffordshire.
BronnenAncestry ; Findmypast/Newspaper and Periodicals
NaamEarle, Lucy Grey
Datums° Bristol, 1821 - ✝ Weston-super-Mare, 01/01/1884
GeslachtVrouwelijk
VerblijfplaatsEngeland
BioLucy Grey Earle werd geboren te Bristol, Gloucestershire in 1821 als dochter van John Charles Earle (1791-1843), chirurgijn uit Bristol, en Mary Britton (1792-1855). Ze trouwde op 28 juni 1851 in Weston-super-Mare, waar ze bij haar moeder woonde, met John Edmund Farbrother (Oxford, Oxfordshire 05/1823 – Shepton Mallet, Somerset 16/11/1871), onderwijzer van de Grammar School in Shepton Mallet, zoon van John Farbrother (1796-1866) en Mary Wheeler (1797-1860) en oudste broer van Mary Louisa Buckler, née Farbrother. Lucy stierf in Oakley-house, Weston-super-Mare, Somerset op 1 januari 1884.
BronnenAncestry; Findmypast/Newspapers and Periodicals
NaamBarrington, Jane
Datums° County Louth, ca. 1833
GeslachtVrouwelijk
Beroepkloosterzuster; kloosteroverste
VerblijfplaatsIerland; Engeland
BioJane Barrington werd omstreeks 1833 geboren in de County Louth (Ierland). Volgens de census van 1861 was ze sister of Mercy in Brighton (Bristol Road 3), en in de censussen van 1871 en 1881 stond ze vermeld als moederoverste.
Bronnen https://www.ancestry.co.uk/

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamLonden
NaamBrighton

Naam - instituut/vereniging

NaamThe Good Shepherds
BeschrijvingDe Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Liefde van de Goede Herder, kortweg Zusters van de Goede Herder, werd gesticht door zuster Maria Euphrasia Pelletier (Rosa Virginia Pelletier). De congregatie kwam in 1835 voort uit de Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Liefde. In 2014 zijn beide congregaties gefuseerd, waarbij de naam Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Liefde van de Goede Herder werd aangehouden. Maria Euphrasia Pelletier werd in 1814 opgenomen in de Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Liefde, gesticht in 1662. Op 29-jarige leeftijd werd zij gekozen tot overste van het klooster in Tours. Vanaf 1829 gaf zij leiding aan een nieuwe vestiging van de congregatie in Angers. Vanuit Angers richtte ze een eigen congregatie op, aanvankelijk onder de naam Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Liefde van de Goede Herder van Angers. Tussen 1829 en het overlijden van Maria op 24 april 1868 werden 110 kloosters gesticht, verspreid over alle werelddelen. In de zomer van 1841 kwamen enkele Franse zusters vanuit Angers naar Londen en stichtten in Hammersmith, Beauchamps Lodge, Fullham Road een klooster (Convent of our Lady of Charity of the Good Shepherd) met een verbeteringsgesticht voor "gevallen" maar boetvaardige jonge vrouwen (Asylum of the Good Shepherd for the reception of penitent females). De eerste moeder overste was Mother Regaudiat (Mother Mary of St. Joseph). De zusters van de Goede Herder moesten van een onberispelijk gedrag en het liefst van goede huize zijn. In het eerste jaar werden er twaalf boetvaardige vrouwen opgevangen maar hun aantal nam gestaag toe. In 1857 werden er 100 jonge vrouwen opgevangen. Er waren toen dertig nonnen. Met "gevallen" vrouwen werden niet alleen prostituees bedoeld maar ook vrouwen die zich in het algemeen misdragen hadden of onhandelbaar waren. Bedoeling was om ze weer op het rechte pad te brengen. Het ging om jonge vrouwen tussen 18 en 24 jaar. Ze moesten werken in de wasserij die verbonden was aan het verbeteringsgesticht. Er heerste een strenge tucht. De "boetelingen" of "penitents" zoals ze werden genoemd stonden onder de leiding van een "Mistress of the penitents", een kloosterzuster die de leiding over hen had. Doorgaans bleven de vrouwen twee jaar waarna ze bv. geplaatst werden als meid. Sommige "boetelingen" of "penitents" besloten om te blijven. Dat kon mits het afleggen van een jaarlijkse gelofte. Ze droegen een habijt. Nog anderen besloten om effectief kloosterzuster te worden. Zij werden "Magdalens" genoemd en traden toe tot de Orde van Sint-Magdalena die de regel van de Karmelietessen volgde. Ze leefden strikt gescheiden van de eigenlijke Zusters van de Goede Herder maar werden geleid door een van hen. Daarnaast werden in Hammersmith ook kinderen opgevangen die criminele feiten hadden gepleegd of onhandelbaar waren, en ook vrouwelijke ex-gedetineerden. In 1864 openden de zusters een tweede klooster met verbeteringsgesticht voor meisjes in East End, Finchley, Londen. In 1873 werd het ook een verbeteringsgesticht voor vrouwelijke ex-gedetineerden. Dit complex brandde bijna volledig af in 1972.
Datering1835 -
Links[wikipedia]
NaamConfraternity of The Precious Blood, London Oratory
BeschrijvingDe Archconfraternity of the Most Precious Blood kwam en komt samen in de kapel van Our Lady of Dolours in London Oratory, ook wel Brompton Oratory genoemd. Genootschappen die van de aanbidding van het bloed van Christus hun voornaamste doelstelling maakten, doken voor het eerst op in Spanje. In Engeland werd een dergelijk genootschap opgericht in de kerk van St.-Wilfrid in Staffordshire (1847) onder impuls van Newman en Faber. In 1850 werd de broederschap overgeheveld naar Londen, eerst in William Street, een viertal jaar later naar Brompton. Dit verklaart waarom de huidige kerk, die in 1884 werd gewijd, bekend staat als Brompton Oratory, maar eigenlijk de Church of the Immaculate Heart of Mary heet. De Oratory doet dienst als parochiekerk voor het rooms-katholieke diocees van Westminster.
Datering1850-heden
Links[wikipedia]
NaamSisters of Mercy
BeschrijvingDe congregatie van de Sisters of Mercy werd in 1831 gesticht in Dublin op initiatief van Catherine McAuley. Zij was lang in dienst geweest als hoofd van het huishouden bij een rijke familie, die haar een omvangrijke erfenis naliet. Daarmee liet ze een groot huis optrekken om er een school onder te brengen voor arme meisjes en een opvangplaats voor dakloze dienstmeisjes en vrouwen. De school ging open op 24 september 1827, de dag van Moeder Gods van de Genade. Op 12 december 1831 legden Catherine McAuley en haar medewerksters hun gelofte af als ‘sister of mercy’. Ze kozen ervoor om de stilte en het gebed van de Karmelietessen te combineren met de activiteiten van de Sisters of Charity. Vóór haar dood in 1841 wist McAuley als zuster Mary Catherine nog diverse bijhuizen op te richten in Ierland en Engeland. Het eerste in Engeland kwam er in 1839 in Bermondsey. Ook na 1841 zwermde de congregatie verder uit, naar Australië, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten.
Datering1831-heden
Links[wikipedia]
NaamSt. Joseph's Convent of Mercy
BeschrijvingIn 1852 kwam de congregatie van de Sisters of Mercy vanuit Bermondsey naar Brighton om er het St. Joseph’s Convent of Mercy op te richten, gelegen aan Bristol Road. In 1864-66 voegde architect Charles Buckler een blok met cellen en een refter toe aan het gebouw. Hij was ook als architect verantwoordelijk voor de kloosterkapel in 1892.
Datering1852-heden

Titel14/05/1874, Londen, Mary Louisa Farbrother (= Mary Louisa Buckler) aan Guido Gezelle
EditeurGuido Spyns; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderFarbrother, Mary Louisa
OntvangerGezelle, Guido
Verzendingsdatum14/05/1874
VerzendingsplaatsLonden
Gepubliceerd inDe briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen 1854-1899 / door B. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, (o.l.v.) A. Deprez. - Gent : Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.II, p.155-156
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel en 2 enkele vellen, 205x132; 104x109
wit
papiersoort: 7 zijden beschreven; zijde 7 met adressaat, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden watermerk: L-J D L & Co.
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5007
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11324
Inhoud
IncipitAbsence from home, and weak
Tekstsoortbrief
TalenEngels
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.