<Resultaat 382 van 1594

>

p1
Eerweerde Heer en Vriend!

Dank voor 't kijkje dat Gij me gegeven hebt op de leuvensche overzetting[1] Hoe leelijk grof moet toch dat brabantsch klinken in onze kiesche[2] vlaemsche[3] en friesche ooren!

Het verheugt mij bizonder dat Gij die friesche versjens[4] zoo spoedig en zonder moeite verstaan hebt, en in 't vlaemsch overgezet. En niet aleen dat Gij volkomen goed de beteekenis, de zin der versjens hebt gevat, ook de woorden hebt Ge allen verstaen en getrouwelik weergegeven. "Dreage molke", en is niet "drooge" melk, maar (af)[5](ge)drage(ne) melk, daar de room afgedragen (hoogduitsch abgetragen), of, lijk gij-liên[6] spreekt afgedregen is. Droog is in 't friesch niet dreag , maar droeg, droech. Maar de bedudenis is ontroomde melk, gelijk Gij zeer goed begrepen hebt. Ook en beteekent "in myld juwn" niet juist: in mild geven, lijk Gij vertaelt, maar: en mild gegeven. Dat wij 't voorvoegsel ge niet en hebben voor onze verledenep2deelwoorden, zoo min als onze volle neven, d'Engelschen, doet Hollanders en Vlamingen, Neder- en Hoogduitschers deze woorden dikwijls voor "onbepaalde wijzen" aanveerden, en maakt hen 't spoor bijster. Geven (infinitivus) is jaen; gegeven is juwn, joen.

Gij hebt wel gemist met het aantal der postzegelkens die Ge op uwe laetste zende hebt geplakt. Het waren er maer vier, en 't moeten er vijf zijn, want de goedkoopste zende drukwerk van hier naar Zuid-Nederland is 2 1/2 van onze centen, en dat zijn er minstens 5 van de uwen. Niettemin, ik en heb geen ongeld behoeven te betalen - men schijnt het aan 't postkantoor niet te hebben bespeurd.

Als ik het volgende jaer 't geluk zal hebben bij U te zijn[7] zal ik U een voorstel doen, en d'uutvoering daervan met U bespreken. Te weten over een gedachte die heden nacht bij mij opkwam, dat wij samen een opstel moeten schrijven, een samenspraek[8] in volksaerdigen form, tusschen een Vlaming en een Fries, over tael en tongvallen, boeketael en gouspraken[9] over Nederlandsch en Hollandsch, Vlaemsch en Friesch, kort en zakelik, zonder p3geleerdheid - Gij in 't vlaemsch en ik in 't friesch.[10] Zouden wij dat niet goed kunnen doen, en zou dat niet heilzaem zijn der zake die wij beiden dienen? Laet er uwe gedachten eens over gaen.

Gegroet, mijn lieve vriend!
Van uwen
Johan Winkler.

P.S. Zie hier, als bladvulling, nog een gedicht van Gysbert Japicx, omstreeks de helft der 17e eeuw, uitgegeven 1654; in de meening dat het U niet onwelkom zijn moge. Laet het tweede vers uw priesterlik herte niet ergeren! - Ik wensch niemand te grieven, en Gy zult niet kleingeestig zijn, en stooten U hier aen.

"Lân-geanne oef frieske freugde oer it ynnimmen fenne sted Hulst; mei de skansen dear by om. (Wyse: "Polyphemus aen de strande",)[11]


Lit ûs nu reis frolik sjonge,
Ald end jonge,
Oer de wolfeart fen ûs lân:
Hulst mei skansen, bûte-wirken,
Hûsen, tsjerken,
Falt sîn Heachheit ynne hân.
_
'T heele lân fen Waes is ûsers,
Romm', Ketûsers,
Jesuwiten, Moeints end Paep!
p4

'T altîd griene Hulst. Nu torret
In forsorret,
Spaenjen's bloed-rie, Romen's kaep.
_

3
Nu wol 't mei Antwerpen knîpje,
Nu môt pîpje
Gint end Bregge allîk en mûs.
Giel-eag, mei sîn fûle raenjen,
Môt nei Spaenjen,
Mei de stirt în ears nei hûs.

4
Flaemske fammen, Bet end Kalle!
AEf wa'r galle
Oer geweld, kreft end oerlest,
Sille freamde slavernye
Naet mear lye
As dit keal-moar bret farnest.

5
Flaendren môt mei ûs forienje(.)[12]
Dat scoe tjienje
T'herre best; den folget nei
Brabân, end wa dear oars binne
Dy birinne
Mase, Skelde, Lieve end Lei.

6
Den scil't lân net meer forwoastje,
Den môt roastje
't Godleas swird (ald-sûnde pleag),
Den wirdt speetse end restinge hinge
Ynne swinge
Rûg bisponnen în it reag.

7
'T lân, în free, scil d'holle oplûke
Ûtte foeke
Fen dy bloed-hûn, Yber-fald.
'T scil florearje, 't scil forrîkje,
Ja, 't scil lîkje
Riu nei d'alde, goune wrald.

8
Jouw Oraenjen, ljeave Heare!
Disse eare
Dat hy ûs de free bifiucht;
Dat wy Dy dear lof for siunge,
Ald end jonge,
From, ienfaldich, sliacht end riucht.[13]



(.) Wat zegt Gij van den frieschen dichter, die rond 1640 reeds zong:

Vlaenderen moet met ons vereenigen!

_____

Frederik Hendrik, prins van Oranje-Nassau, stadhouder der vereenigde nederlandsche gewesten, veroverde de stad Hulst in Vlaenderen op de Spanjaerden, in 16..?[14] Sedert is Hulst met de kriten[15] daar rondom, als een deel van 't Land van Waes[16] bij Noord-Nederland gebleven. Maar de hoop des dichters, de blijde hope dat Antwerpen, Gent en Brugge, geheel Vlaenderen en Brabant, zouden volgen, werd niet bewaerheid.p5

1
Land-blijdschap[17]
of
friesche vreugde
over het innemen van de stad Hulst, met de Schansen daar by om.

Laat ons nu eens vroolik zingen,
Oud'(en) en jongen,
Over de welvaart van ons land:
Hulst met schansen, buitenwerken,
Huizen, kerken,
Valt Zijn Hoogheid in de hand.
_
'T (ge)heele land van Waas is onzes (het onze)!
Ruimt, Karthuizers,
Jesuiten, monnik en paap
'T altijd groene Hulst. 2a Nu (ver)dort
En verdroogt 2b
5 Spanje's bloedraad, Rome's kaap.
_
Nu wil (zal)'t met Antwerpen knypen,
Nu moet pypen
Gent en Brugge al(ge)lijk een muis.
Geeloog 3a, met zijn vuile ranken 3b
Moet naar Spanje,
Met den steert in eers naar huis.
p6Vlaamsche maagden, Bet en Kalle,
Of wie daar klaagde
Over geweld, (ver)kracht(ing) en overlast,
zullen vreemde slavernij
Niet meer lyden,
Als dit half-moor 4 (ge)broed(sel) vernest. 5
_
Vlaanderen moet met ons vereenigen
Dat zou dienen (dienstig, nuttig, zijn),
Tot zijn (hunlieden) best; dan volgt na
Brabant, en wie daar anders (meer nog) zijn,
Die beloopen (beloopen worden, bevloeid worden)
Mase, Schelde, Lieve en Lei.
_
Dan zal 't land niet meer verwoesten (verwoest worden)
Dan moeten roesten
'T godloos zweerd, (oude zonde-plaag)
Dan wordt spiets en rusting (op)gehangen.
In de schoorbalken van de zondering, (.)[18]
Ruig besponnen in het (spinne)rag, (web).
_
Het land, in vreê, zal 't hoofd opsteken 6 (trekken)
Uit de fuik (vuik, vischnet),
Van dien bloedhond, Iber-voogd, 7
Het zal bloeien (floreeren), 't zal verrijken,
7 Ja, 't zal (ge)lyken
Ruimschoots 8 naar d'oude, goudene wereld.
_____

(.) ..Swinge

tekening van een swinge

p7

Geef Oranje, lieve Heere!
Deze eere
Dat hy ons de vreê bevechte:
Dat wy U daar lof voor zingen
Oud'(en) en jongen
Vroom, eenvoudig, slecht en recht 9. [19]


1. Geanne, beter Geane, samentrekking van geadene, verslijting van geadinge, by Kiliaen gadinge = lubentia, voluptas[20]

2a. Woordspeling met den naam der stede Hulst en van den bekenden kleinen boom, met altijd groen blijvende, ook den winter verdurende, gladde, harde, stekelige bladeren, Ilex aquifolium[21] Heet hij anders in 't flaamsch?

2b Forsorret, verdroogt, van 't verbum forsorje, verdroogen, verwelken, verdorren; Kiliaen heeft versoren = verdorren.

3a Geel-oog, dat is de Spanjaard, met zijn donker uitzicht, zwarte haren, geel-bruinachtige huid, zwarte oogappels, en geelachtig oogwit, in tegenoverstelling van de blonde, blau-oogde Friesen, met blauachtig oogwit, als porcelein.

3b Raenjen (raningen), in 't oud-hollandsch (bij Cats, Hooft, Huygens) ranken, dat zijn listen, valschheden, booze streken, treken, slechte trekken.

4. Heal-moar, half-moor, omdat de Spanjaarden in 't gemeen, veel moorsch bloed in d'adren hebben, p8van de moresken[22] maranen[23] die in de middeleeuen in Zuid-Spanje, (Andalusie, Grenada, Malaga, Sevilla) huisden.

5. Fornest, vernest, van vernesten, dat juist zoo gevormd is als verhuizen, 't eene huis verlaten om in 't andere te gaan wonen. - Gesprek tusschen Sjoerd en Tjerk, twee friesche knapen:

Sjoerd: Ho folle aien habbe de protters, up jimme skuorre-thek, în 't twade breth?

Therk. Ik wît net. Hia binne fornest!

(Sjoerd Hoe veel eieren hebben de spreeuen, op u-lieder schuurdak (op 't dak van ulieder schuur), in het tweede broedsel? - Therk Ik weet niet. Zij zijn vernest! (Zij hebben een ander nest betrokken, zijn in een ander nest gaan broeden))

6. Lûka (loeke, beter luke, met hoogduitsch u) is in 't friesch het nederlandsch trekken; algemeen en veelvuldig in gebruik. Luik-ooren de peerden in Vlaanderen? Dan is dit vlaamsch luiken en 't friesch lûke weer een woord, dat wij beiden hebben, en de Hollanders met alle andere Noord-Nederlanders, behalve de Friesen, gantschelik derven.

7. Iber-voogd. Iber is een oude naam voor 't volk op 't Pyreneesch (iberisch) schier-eiland. -Hier komt bij den dichter Gysbert-om (zoo als 't friesche volk hem noemt), de schoolmeester[24] uit de mouw kijken.

8. Riu, Rjü, veel, ruimschoots, vrij wat. Bij Kiliaen rijf, rijve = largus[25] copiosius[26] abundans[27]

Noten

[1] In een vorige brief (20/10/1882) waarbij hij twee Friese gedichten van Gysbert Japicx voegde, schreef Winkler dat hij graag de Leuvense overzetting van deze teksten zou zien.
[2] fijngevoelig, delicaat (Van Dale)
[3] Winkler schrijft hier ‘ae’ in de plaats van ‘aa’, dit naar aanleiding van de brief van Gezelle van 09/09/1881. Daarin liet hij weten dat hij ‘aa’ naar de oude spelling ‘ae’ aanpast bij publicatie van Winklers brieven in Loquela. Winkler zelf verkoos ook de oude spelling ‘ae’ boven de ‘Hollandse’ ‘aa’. Dit blijkt uit de brief die hij schreef tussen 01/11/1882 en 03/11/1882. Doorheen de correspondentie gebruikt Winkler afwisselend beide schrijfwijzen. De verbeteringen die hij vaak nog moest doorvoeren tijdens het schrijven tonen aan dat het voor hem in de praktijk een hele aanpassing was om de oude spelling te hanteren.
[4] Beide verzen kwamen uit Gysbert Japicx’ werk ”Friesche rymlerye; yn trye delen forschaet”.
[5] ’af’ staat tussen vierkante haken.
[6] gijlieden
[7] Winkler zal Gezelle inderdaad in 1883 bezoeken.
[8] dialoog
[9] lokale taalvarianten of dialecten
[10] Een handschrift van Winkler getiteld ”Vlaamsch en Friesch. Een spoorwegpraatje over friesche en vlaamsche, hollandsche en nederlandsche taal.” werd gepubliceerd in het opstel van C. Gezelle, Guido Gezelle en Johan Winkler, in: Biekorf: 35 (1929) p. 41-53. Dit volledige handschrift van Winkler is aanwezig in het Guido Gezellearchief in Brugge (nr. 2595b G). Ook van Gezelle berusten fragmenten van het handschrift van een samenspraak over het Vlaams en het Fries in het archief (nr. 2595) met tal van correcties. Bij Gezelle wilde het niet echt vlotten en Winkler vraagt later in een brief van 08/03/1883: ”Hoe gaat het met ons spoorwegpraatje“? Komt er nog wat van, en blijft gij genegen het uwe eraan toe te voegen? ” De samenspraak tussen Winkler en Gezelle werd nooit als sluitend geheel gepubliceerd.
[11] Dit vers bevindt zich op p.84-86 van de editie van ”Friesche rymlerye; yn trye delen forschaet” uit 1668. Het lied Polyphemus aan den strande, waarvan de melodie gebruikt wordt voor het lied dat Winkler weergeeft, verwijst naar een verhaal In Ovidius’ Metamorphosen. Polyphemus was in de Griekse mythologie een Cycloop die op het eiland Sicilië woonde, het land van de Cyclopen. Hij was de zoon van de zeegod Poseidon en de nimf Thoosa. Hij was een wilde bruut die rauw vlees en zelfs mensen at. In zijn jeugd geraakte Polyphemus zeer verliefd op de mooie Nereïde Galatea die regelmatig lag te zonnen op het strand, waar hij haar opzocht. Bekend is het lied dat hij voor haar zong. Galatea had echter haar hart verpand aan de 16-jarige prins Acis en moest niets weten van de eenogige wildeman. Toen Polyphemus de geliefden betrapte, doodde hij Acis uit jaloezie met een rotsblok. Polyphemus speelt ook een rol in de Odyssee, wanneer Odysseus en zijn mannen stranden op Sicilië.
[12] Zie opmerking van Winkler onder de verzen.
[13] Winkler plaatste strofe 3 en 4, strofe 5 en 6 en strofe 7 en 8 naast elkaar op deze pagina van de brief.
[14] 1645
[15] streken
[16] Het Land van Waas of Waasland is een streek in het noordoosten van de huidige provincie Oost-Vlaanderen.
[17] Winklers vertaling van het bovenstaande vers van Gysbert Japicx.
[18] Verwijzing van Winkler naar zijn illustratie hiervan onderaan deze pagina van de brief.
[19] Winkler vergat voetnoot 9 te verklaren.
[20] Vertaling Paul Thoen (Latijn) lubentia en voluptas: genoegen, genot, lust
[21] Latijnse naam van de hulstplant.
[22] De Islamitische bevolking die tijdens de middeleeuwen op het Iberisch schiereiland, Sicilië, Sardinië, Corsica, Malta en in de Maghreb woonde. Na de opstand van Alpujarras (1499-1501) werd de vrijheid van godsdienst opgeheven en werd de bevolking gedwongen om christen te worden. Velen van hen bleven echter in het geheim de islam volgen.
[23] ’Maraan’ werd gebruikt als scheldnaam voor Spanjaarden die zich uit lijfsbehoud afwendden van hun geloof (islam of jodendom). In Nederland werd het ook gebruikt als algemeen scheldwoord voor de Spanjaarden. (WNT)
[24] Gysbert Japicx was onderwijzer te Witmarsum (1625) en te Bolsward (1637).
[25] Vertaling Paul Thoen (Latijn): mild, kwistig, overvloedig
[26] Vertaling Paul Thoen (Latijn): ruim voorzien, vermogend, rijk
[27] Vertaling Paul Thoen (Latijn): overvloeiend, overvloedig

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon, waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan Rond den Heerd vanaf 1875 en aan Loquela vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor Biekorf. Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamVondel, Joost
Datums° Keulen, 17/11/1587 - ✝ Amsterdam, 05/02/1679
GeslachtMannelijk
Beroepauteur
VerblijfplaatsDuitsland; Nederland
BioJoost van den Vondel wordt algemeen gezien als een van de belangrijkste schrijvers uit de Nederlandse geschiedenis. In Amsterdam trouwde hij met Mayke De Wolff (1586-1635), waarmee hij vijf kinderen kreeg Ondanks een protestantse opvoeding bekeerde hij zich in 1641 tot het rooms-katholieke geloof. Vondel staat voornamelijk bekend voor zijn toneelspelen en poëzie. Zijn bekendste toneelstukken zijn “Gijsbrecht van Aemstel” (1637), “Lucifer” (1654), “Adam in ballingschap” (1664) en “Noah” (1667), waarvan de laatste drie een trilogie over de zondeval vormen. In al zijn toneelstukken probeerde Vondel een klassieke tragedie te schrijven. Als dichter schreef hij tussen 1625 en 1632 onder meer een dertig hekeldichten, en later ook religieuze poëzie.
Links[wikipedia]
NaamJapicx, Gysbert; Jacobs; Japiks; Gysbert-om; Gysbertom
Datums° Bolsward, 1603 - ✝ Bolsward, 21/08/1666
GeslachtMannelijk
Beroeponderwijzer; dichter; schrijver; voorzanger
VerblijfplaatsNederland
BioGysbert Japicx was de bekendste renaissanceschrijver uit Friesland. Hij wordt eveneens beschouwd als grondlegger van het Fries als geschreven taal. Hij groeide op in het begin van de 17e eeuw, toen het Fries enkel een spreektaal of boerentaal was en de elite Nederlands sprak.
Links[wikipedia], [dbnl]
Naamvan Oranje, Frederik Hendrik
Datums° Delft, 29/01/1584 - ✝ Den Haag, 14/03/1647
GeslachtMannelijk
Beroepstadhouder
VerblijfplaatsNederland
BioFrederik Hendrik van Oranje was stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vanaf 1625 tot aan zijn dood in 1647. Onder zijn bewind wist de Republiek verscheidene steden waaronder Maastricht, Breda, ’s-Hertogenbosch en Hulst te veroveren tijdens de Tachtigjarige oorlog. Door middel van een uitgekiende huwelijkspolitiek, het aanleggen van een uitgebreide kunstverzameling en de bouw van meerdere paleizen wist hij zichzelf en zijn familie een vorstelijk imago aan te meten. Een jaar na zijn dood kwam er met de Vrede van Münster een einde aan de oorlog met Spanje.
Links[wikipedia]
NaamCats, Jacob
Datums° Brouwershaven, 10/11/1577 - ✝ Den Haag, 12/09/1660
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; jurist; politicus
VerblijfplaatsNederland
BioJacob Cats stond ook bekend als 'Vader Cats' omwille van zijn voornamelijk didactische gedichten In de 17e eeuw was Cats een van de meest gelezen dichters in Nederland. Het gewone volk had vaak maar twee boeken in het bezit: de Statenbijbel en een werk van Cats. Hoewel hij als volksdichter met Homerus werd vergeleken, was zijn populariteit in de 19e eeuw al flink bekoeld. Een nieuwe, gemoderniseerde uitgave van Cats' werk door Matthias de Vries en Arie de Jager uit de jaren 1850 werd slechts lauw ontvangen; recensenten gaven aan het originele werk van Cats juist te appreciëren voor zijn oude, statige sfeer.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamHuygens, Constantijn
Datums° Den Haag, 04/09/1596 - ✝ Den Haag, 28/03/1687
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; diplomaat; geleerde; componist; architect; polyglot
VerblijfplaatsNederland
BioConstantijn Huygens wordt, naast Vondel en Hooft, beschouwd als een van de grootste dichters uit de Nederlandse Gouden Eeuw. Na een uitgebreide opleiding en een studie rechten in Leiden begon hij zijn carrière in het gevolg van de Nederlandse ambassadeurs in onder meer Engeland en Venetië. Terug in Nederland maakte Huygens carrière onder de Oranjes, onder meer als raad- en rekenmeester en als secretaris prins Frederik Hendrik en Willem II. In 1627 huwde hij Suzanna Van Baerle, die tien jaar later overleed. Uit dat huwelijk volgden vijf kinderen. Zijn bekendste werken zijn onder meer Zedeprinten (1624), Dagh-werck (1638) en een verzamelbundel Korenbloemen (1658).
Links[wikipedia], [dbnl]

Naam - plaats

NaamAntwerpen
GemeenteAntwerpen
NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamGent
GemeenteGent
NaamHaarlem
NaamHulst
NaamSevilla
NaamMalaga
NaamGrenada

Titel - ander werk

TitelEtymologicum Teutonicae linguae sive dictionarium Teutonico-Latinum
AuteurKiliaan, Cornelis; van Hasselt, Gerard
Datum1777
PlaatsTraiecti Batavorum
UitgeverDe Meyere

Titel25/10/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2022
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum25/10/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.88-95
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 206x130; 206x134
wit
papiersoort: 8 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op zijde 6 linksonder: schets van gebouw van de hand van Johan Winkler
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5285
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11589
Inhoud
IncipitDank voor t kykje dat Gy me
Tekstsoortbrief
TalenNederlands; fry
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.