<Resultaat 476 van 1736

>

p1
Eerweerde Heer en hoog geachte Vriend!

Ik ben eens begonnen een opstel te schrijven over "Vlaamsch en friesch, nederlandsch en hollandsch , over vrijheid en dwingelandij[1] en spreken en schriven, in de maniere van een tzamensprake? tusschen een Vlaming en een Fries, die elkanderen toevallig op reis ontmoetten.[2] Vroeger, vooral in de vorige eeuw, waren zulke verdichte samenspraken tusschen reizende liên[3] onder den naam van "Schuitepraatjes"[4] en over allerlei gewichtige onderwerpen van den dag handelende, zeer in zwang. Ze hebben, wijl ze in volkseigenen toon geschreven werden, en verre bleven van geleerdheidskramerij, zich steeds in den bezonderen gunst des volks verheugd, en zijn ongetwijfeld een uitstekend middel om dit of dat denkbeeld den volke eigen te maken. - En als wij dit nu eens samen schreven, Gij als Vlaming, ik als Fries zou het zeker een dubbel doel bereiken, in 't Noorden en in 't Zuiden.

Ik ben dit gesprek begonnen, voleindig Gij het nu, zoo Ge 't met me ééns zijt. Ik heb U ook sprekende ingevoerd, doe Gij het mij ook. Ik heb U slechts als een voorbeeld sprekende ingevoerd. Gij zijt in niets gebonden, wat ik U in den mond leg. Gij moet dat alles veranderen, en in 't vlaamsch omzetten. Ook hebt Gij volle vrijheid om er nog tusschen te voegen, zoo U dit raadzaam voorkomt. p2Ik stel mij voor dat Gij eerst mijne laatste onbeantwoorde vraag beantwoord, en verder het gesprek voortzet zoo als Gij zult willen, om er ten slotte ook het einde aan te maken, zoo als ik het begin. Ik bedoel met mijne laatste vraag dat men oudtijds, in den besten tijd der noord- en zuid-nederlandsche letterkunde, niets geweten heeft van een eenvormige spelling over 't geheele gebied der nederlandsche sprake, dat vele tijdgenooten van malkander, Vondel, Hooft, Huygens, Anna Biins, Pater Poirters, of wie maar ook, toch allen zeer verschillend boekstaafden, zonder dat men er aan dacht dit onbehoorlijk te vinden, of zonder dat men er aan dacht dat de eenheid onzer sprake daar door verloren ging. Dat men in de laatste middeleeuen, en in de 16 en 17e eeu, in de verschillende nederlandsche gouen[5] zeer verschillend boekstaafde, en zonder eenigen schroom of bewustheid van wat men nu tegenwoordig een onbetamelijkheid acht, zoo na mogelijk zijn eigene spreektaal in geschrifte afbeeldde, enz. enz. enz.

Het friesch getinte nederlandsch dat ik schrijf, is niet volkomen de spreektaal van Leeuwarden; die zoude voor Nederlanders in 't algemeen, te onverstaanbaar worden. Ik heb mij voorgesteld te spreken als een beschaafd man uit Leeuwarden doen zou, die met een anderen Nederlander, 't zij dan Hollander of Vlaming in gesprek is, en die dus, om diens wille, zijn tonge tot een meer algemeen nederlandsch voegt, zonder daarom zijne uitspraak p3en woordschikking te veranderen. En ik stel mij voor dat ook Gij op die wijze brugsch vlaamsch spreken zult, zoo dat ieder Nederlander U ten vollen verstaat, uwe uitspraak afbeeldende. Dus ongeveer zóó als Gij gewoon zijt te schrijven in Loquela, in uwe Uitstapjes in de Warande, of ook nog wat meer echt vlaamsch, plus de afbeelding der uitspraak van ui en ij, enz. Maar niet zóó plat brugsch als b.v. de "Oude kindervertelsels in den brugschen tongval" van Lootens; dan wordt men onverstaanbaar voor andere Nederlanders.

Vergeef het mij, zoo het hier den schijn heeft, als of ik U de wet wil voorschrijven! Ik meld U maar mijne gedachte en doe U een voorstel zoo als naar mijne inzichten, meest bevorderlik is aan ons doel.

Ik heb voorloopig op de halfscheid slechts der bladen geschreven, opdat Gij op de andere zijde zoudt schrijven[6] want natuurlik zult Gij alles, wat ik den Vlaming in den mond leg, veranderen. Uwe zinbou is korter, en bezigt niet zulke lange, ingewikkelde, kunstig samengestelde zinnen als de mijne, als die der Noord-Nederlanders in 't algemeen. Uwe vlaamsche eigenaardigheden ook daarin zouden vooral dienen uit te komen. -Maar genoeg! -

Schrijf ev. nu het uwe bij, en zend mij alles terug. Dan schrijf ik alles in 't net over, of ik laat dit naukeurig door mijn 16 jarigen zoon verrichten, en zend U daarna het geheel nog eens toe, in oogenschouw, en om nog goed- of af te keuren wat Ge wilt. En zoo als Gij wilt, zalt geschieden. - En wat dan?

Zie hier mijn voorstel: Dan zenden wij het stuk p4ter plaatsing aan "De Tijdspiegel", met "De Gids", onze beide allerbeste, deftigste en degelikste tijdschriften (revue's geloof ik, zegt Gij), geheel onpartidig van standpunt en waarin onze eerste en beste letterkundigen schrijven. Ongetwijfeld wordt het daarin opgenomen; ik krijg voor mijne bijdragen daarin altijd florijn[7] 20 per vel druks; dat zullen wij samen ook wel krijgen, benevens een 25 tal overdrukken. Willen ze geen geld geven, mij ook goed. Maar ik twijfel daar aan niet. Maar dat is bijzaak. Daarna zenden wij het nog ter plaatsing in aan Rond den Heerd. En misschien, als wij er geld voor ontvangen van De Tijdspiegel, laten we het voor dat geld een honderd-tal afdrukken nemen, in Vlaanderen of hier, ter verspreiding onder onze vrienden of onder hen die met ons voor vlaamsche en friesche taal eigenheden tegen 't Hollandsch strijden.

Zie daar mijn voorstel. Kom Gij nu met een ander voor den dag, of met uwe aan- en opmerkingen op het mijne.

Ik heb U in alles rond en open mijne meening gezeid, als onder goede vrienden behoort. Overdenk Gij de zake, en voer U zelven sprekende in, in plaats van wat ik U laat spreken (als een voorbeeld), en voleindig het stuk en de samenspraak, tot dat onze Vlaming en Fries te Rotterdam aankomen en elkander Vaarwel zeggen. Dan hebben wij beiden evenveel tot de opstelling van ons beider stuk gedaan.

Overigens is hier niets bijzonders. Een vroolike Kerstmis (en blide Jûltîd[8]) wensch ik U van harten toe.

Vaarwel! mijn weerde Vriend!
In trouwe Uw
Johan Winkler.

Noten

[1] onderdrukking
[2] In een van zijn vorige brieven aan Gezelle (25/10/1882, Haarlem) stelde Winkler een gezamenlijke publicatie voor in de vorm van een volksaardige dialoog tussen een Vlaming en een Fries. Gezelle stemde hier vervolgens mee in in zijn brief van 04/11/1882 (Kortrijk). Een handschrift van Winkler getiteld ”Vlaamsch en Friesch. Een spoorwegpraatje over friesche en vlaamsche, hollandsche en nederlandsche taal.” werd gepubliceerd in het opstel van C. Gezelle, Guido Gezelle en Johan Winkler, in: Biekorf: 35 (1929) p.41-53. Dit volledige handschrift van Winkler is aanwezig in het Guido Gezellearchief in Brugge (nr. 2595b G). Ook van Gezelle berusten fragmenten van het handschrift van een samenspraak over het Vlaams en het Fries in het archief (nr. 2595) met tal van correcties. Bij Gezelle wilde het niet echt vlotten en Winkler vraagt later in een brief van 08/03/1883: ”Hoe gaat het met ons spoorwegpraatje“? Komt er nog wat van, en blijft gij genegen het uwe eraan toe te voegen? ” De samenspraak tussen Winkler en Gezelle werd nooit als sluitend geheel gepubliceerd.
[3] lieden
[4] Gesprek van reizigers in een trekschuit; een schuit die door de binnenwateren aan een lijn werd voortgetrokken. (WNT)
[5] landstreken, landgewesten
[6] Winklers handschrift in het Guido Gezellearchief (nr. 2595b G) bevat inderdaad blanco bladzijden, waarop Gezelle niets geschreven heeft.
[7] valutasymbool voor Nederlandse gulden
[8] Fries voor kersttijd.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamWinkler, Andries J.
Datums° Leeuwarden, 03/02/1866 - ✝ Haarlem, 06/08/1914
GeslachtMannelijk
Beroepsecretaris-penningmeester
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioAndries Winkler werd geboren als de zoon van arts en dialectoloog Johan Winkler en Andrieske Tjallings Römer. Zijn moeder stierf enkele dagen na zijn geboorte op 10 februari 1866 op 27-jarige leeftijd. Andries Winkler was Secretaris-Penningmeester te Haarlem. Hij trouwde met Alida van Blaarden op 19 juli 1897 en ze kregen samen vier kinderen: Johan Winkler (6 oktober 1898), Hendrik Winkler, (13 mei 1903), Andries Laurens Winkler (18 januari 1905) en Gerrit Willem Winkler (27 mei 1907). Andries Winkler beroofde zichzelf van het leven in 1914.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnen https://www.openarch.nl/frl:922bef2f-2441-7167-4a1e-a72d41550152
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamVondel, Joost
Datums° Keulen, 17/11/1587 - ✝ Amsterdam, 05/02/1679
GeslachtMannelijk
Beroepauteur
VerblijfplaatsDuitsland; Nederland
BioJoost van den Vondel wordt algemeen gezien als een van de belangrijkste schrijvers uit de Nederlandse geschiedenis. In Amsterdam trouwde hij met Mayke De Wolff (1586-1635), waarmee hij vijf kinderen kreeg Ondanks een protestantse opvoeding bekeerde hij zich in 1641 tot het rooms-katholieke geloof. Vondel staat voornamelijk bekend voor zijn toneelspelen en poëzie. Zijn bekendste toneelstukken zijn “Gijsbrecht van Aemstel” (1637), “Lucifer” (1654), “Adam in ballingschap” (1664) en “Noah” (1667), waarvan de laatste drie een trilogie over de zondeval vormen. In al zijn toneelstukken probeerde Vondel een klassieke tragedie te schrijven. Als dichter schreef hij tussen 1625 en 1632 onder meer een dertig hekeldichten, en later ook religieuze poëzie.
Links[wikipedia]
NaamPoirters, Adrianus
Datums° Oisterwijk, 02/11/1605 - ✝ Mechelen, 04/07/1674
GeslachtMannelijk
Beroepjezuïet; dichter; schrijver
VerblijfplaatsNederland
BioPoirters is een Zuid-Nederlands jezuïet, contrareformatorisch dichter en prozaschrijver. Hij begon zijn studies aan het Jezuïetencollege in ’s Hertogenbosch, daarna in Marchiennes en Leuven (filosofie en theologie) en werd in 1638 priester gewijd. Hij werkte eerst in de zielzorg en daarna vooral als leraar en schrijver van gedichten en prozateksten met een moraliserende inhoud (‘de Vlaamse Cats’). Zijn bekendste werk is het invloedrijke Het Masker van de Wereldt afgetrocken (1644). Hij was een groot voorvechter van de contrareformatie.
Links[wikipedia]
BronnenTer Laan; MEW, WP
NaamHooft, Pieter Corneliszoon
Datums° Amsterdam, 16/03/1581 - ✝ Den Haag, 21/05/1647
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; toneelschrijver; historicus
VerblijfplaatsNederland
BioPieter Corneliszoon Hooft was een van de bekendste Nederlandse dichters uit de 17e eeuw en wordt gezien als de belangrijkste vertegenwoordiger van de renaissance in de Nederlandse literatuur. Tussen 1598 en 1601 reisde hij door Frankrijk en Italië, waarna hij zijn rechtenstudie voltooide en tot baljuw van Gooiland werd benoemd. In 1610 huwde hij Christina Van Erp, die tussen 1615 en 1624 overleed samen met al hun kinderen. In 1627 sloot hij een tweede huwelijk met weduwe Leonora Hellemans, waarmee hij nog twee kinderen kreeg. Tijdens zijn verblijf in Italië raakte Hooft geïnspireerd door de Italiaanse literaire modellen. Aan het begin van de 17e eeuw schreef hij vele sonnetten, en in 1611 verscheen zijn debuutbundel “Emblemata amatoria”, een reeks erotische emblema. In 1616 verscheen zijn bekendste toneelstuk, “Warenar”, een komedie gebaseerd op de “Aulularia” van Plautus. Als historicus begon hij in 1628 aan zijn levenswerk, de Nederlandsche historiën, waaraan hij werkte tot zijn dood in 1647. Het werk bestaat uit 27 delen (waarvan 7 postuum gepubliceerd) over de recente nationale geschiedenis van Nederland
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamHuygens, Constantijn
Datums° Den Haag, 04/09/1596 - ✝ Den Haag, 28/03/1687
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; diplomaat; geleerde; componist; architect; polyglot
VerblijfplaatsNederland
BioConstantijn Huygens wordt, naast Vondel en Hooft, beschouwd als een van de grootste dichters uit de Nederlandse Gouden Eeuw. Na een uitgebreide opleiding en een studie rechten in Leiden begon hij zijn carrière in het gevolg van de Nederlandse ambassadeurs in onder meer Engeland en Venetië. Terug in Nederland maakte Huygens carrière onder de Oranjes, onder meer als raad- en rekenmeester en als secretaris prins Frederik Hendrik en Willem II. In 1627 huwde hij Suzanna Van Baerle, die tien jaar later overleed. Uit dat huwelijk volgden vijf kinderen. Zijn bekendste werken zijn onder meer Zedeprinten (1624), Dagh-werck (1638) en een verzamelbundel Korenbloemen (1658).
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamBijns, Anna
Datums° Antwerpen, 05/03/1493 - ✝ Antwerpen, 10/04/1575
GeslachtVrouwelijk
Beroepdichter; lerares
BioAnna Bijns werd in 1493 geboren als oudste dochter van een Antwerpse kleermaker. Bijns kwam in aanraking met de woordkunst via haar vader, die zich in rederijkerskringen bewoog en van wiens hand er ook minstens één refrein bekend is. Na haar vaders dood opende ze samen met haar broer Maarten een schooltje in Antwerpen. Dit zette ze na diens huwelijk ook zelf nog tot haar tachtigste levensjaar voort als een van de zeldzame vrouwen die deel uit mocht maken van de broederschap van onderwijsgevenden. Bijns’ literaire werk bestaat uit religieuze en moraliserende gedichten, fel polemische refreinen tegen Luther, liefdesgedichten en satires
Links[wikipedia], [dbnl]

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamHaarlem
NaamRotterdam
NaamLeeuwarden

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelUitstap in de warande
Links[gezelle.be]
TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelTijdspiegel (periodiek)
Datum1844-1921
PlaatsArnhem
UitgeverD.A. Thieme
TitelDe Gids (periodiek)
AuteurPotgieter (red. )
Datum1837-
PlaatsAmsterdam
UitgeverG.J.A. Beyerinck; P.N. van Kampen
Links[wikipedia]
TitelOude kindervertelsels in den Brugschen tongval
AuteurLootens, Adolphe
Datum1868
PlaatsBrussel
UitgeverJ. Nys

Titel19/12/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum19/12/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.120-123
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 206x133
wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5304
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11608
Inhoud
IncipitIk ben eens begonnen een opstel te
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.