<Resultaat 654 van 2182

>

p1
Eerweerde Heer en Hoog geachte Vriend!

Ware 't niet geweest, dat Gij mij aan 't slot van uwen lesten brief (die van den 3° van Sprokkelmaand l.l.); had geschreven: "binnen eenen dag of drie schrijf ik U weêr" - ik hadde voorwaar dien brief al eer dan nu beantwoord. Toen[1] schreef ik U echter maar een paar woorden over "daveren"[2] en wachtte voorders op dat schrijven. Maar 't en kwam niet. Wel! 't en had geen haast. Zoo wachtte ik verder. Eindelik bekroop mij de vreeze of Gij misschien ziek waart geworden; en dies wilde ik toen niet schrijven, uit zorg U te hinderen. Maar nu ontfing ik gisteren, tot mijn groote blijdschap, No 10 van Loquela. Tot mijn groote blijdschap - immers was mij dat een teeken dat Gij gezond zijt, en uw werk doet. En zoo wil ik dan nu geen oogenblik langer beiden met U te schrijven. Zekerlik zijt Gij door drukke amtsplichten verhinderd om te schrijven - maar zoo veel vrijen tijd om een paar regels van mij te lezen, hebt Gij toch wel beschikbaar.

In d'eerste plaats dus: p2hertelik dank voor de twee lichtprinten die Gij mij in uwen brief zondt, die van Marie De Leu met het oudflaamsche ooriserke getooid, en die van uwen vriend, Heer Vyncke. Juist zulk een hoofdiser als dit oudflaamsche is, en juist zóó gedregen als Marieken op dit printje doet, juist zóó zijn de oudfriesche hoofdspangen in de 17o eeu nog geweest, juist zóó dragen ze nog heden ten dage de vrouen ten platten lande in zoo menige noord-nederlandsche landstreek. Maar dan een huive of kap daar over heen, in allerlei verschillende formen, híér sus, dáár zoo, van linnen, katoen of tule en met een breede strook kant omzet, die aan d'ooren met een punt is opgewipt, of als een sluier in den nek afhangt. Bewaart dat iserke, vrage ik U vriendelik, tot ik het dezen zomer bij U kom zien. En wat de printe van uwen vriend aangaat, die ook zulk een warm voorstander is van de rechten der gouspraken in 't algemeen, van 't west flaamsch in 't bizonder, zijn beeld zal door mij, om die oorzake, in eere worden gehouden. Ik heb die beeldtenis reeds naast de uwe, in mijn album een plaatske gegeven. Zekerlik maakt hij daar, met zijn monnikskleed, een vreemde vertooning. Mijne verwanten en vrienden, allen volbloed geusch, als ik zelven, zijn vol verbazing. Niette min, de voorstander der flaamsche taal, in den zelfden zin als waarin ik een voorstander ben mijner friesche taal, blijft in mijn album, naast U, als zijn vriend.

Met veel genoegen las ik, dat Gij er in ge-p3slaagd zijt, een’ Gysbert Japicx te bemachtigen. Geluk daar mee, en moge onze oude friesche zanger U veel vreugde bereiden - ook in taalkundig opzicht. Neem U echter in acht - want G. J. is een erge ketter, wat zijn boekstavering aangaat; zoo als Gij trouwens zelven reeds zult bemerkt hebben. In één opzicht, spijt het mij, dat Gij zelven reeds een G. J. hebt kunnen opdiepen. Ik had er U zoo geerne een gezonden. Maar ze zijn zeldzaam hier, en ik had er nog geen kunnen opduikelen.

Hoe gaat het met ons "spoorweg-praatje"[3] Komt er nog wat van, en blijft Gij nog genegen het uwe er aan toe te voegen?

Ik ben begonnen met een werk van nog al eenigen omvang. Te weten: met eene verhandeling over de nederlandsche geslachtsnamen; het woord nederlandsch in den ruimsten zin genomen, Noord - en Zuid. - Reeds sedert jaren verzamelde ik boustoffen daar toe. Aanvankelik gelukt mij mijn werk goed; het loopt goed van stapel, en ik verheug mij daar in. Mij ontbreken echter nog wat gegevens uit Zuid-Nederland. Ik zou b.v. zoo geerne eenen adresboek hebben uit Leuven; een oud is voor mijn doel even goed als een nieu; 't is maar om de geslachtsnamen der Lovenaars te doen. Zoo Gij mogeliker wijze mij zulk' een’ boek zoudt kunnen doen toekomen (al is het nog zoo oud en versleten), ik zou op nieu reden hebben mij zeer aan U verplicht te gevoelen. Het is werkelik schoorvoetend en schroomend dat ik p4U deze vraag doe - ik die ik al zoo veel aan uwe welwillendheid te danken hebbe.

Met veel genoegen heb ik weer No 10 van Loquela[4] ontfangen en gelezen. Hertelik dank daar voor. Uw grondig opstel over "daveren"[5] komt schoon van pas in onze kraam. J. E. ter Gouw en is de bekende oudheidkundige J. ter Gouw niet; het is zijn zoon, onderwijzer te Hilversum (Hilwarth's heim), in 't Gooiland, zuidoost van Amsterdam. Hier bij vindt Gij eene bijlage, naar aanleiding van uw opstel over "daveren", ofschoon 't met die zake zelve niet te maken en heeft. Moge 't U welkom zijn! Geen betweterij, veel min vitterij, deed mij dit schrijven, maar louter liefde voor onze taal en voor waarheid.

De beweging van het Davidsfonds om de algemeene benaming "Nederlandsch", ook voor de taal van Zuid-Nederland, te wraken, en daarvoor "vlaamsch" in de plaats te stellen, en kan ik niet goedkeuren. De benaming vlaamsch past zoo min voor al het zuid-nederlands, als de benaming hollandsch past voor al het noord-nederlands Brabanders en Limburgers (Antwerpenaars, Brusselaars, Lovenaars, Hasselters) in Zuid-Nederland en zijn geen Vlamingen, en hunne taal is niet vlaamsch. Zoo zijn Brabanders en Limburgers (om van Friesen en Gelderschen niet te gewagen) in Noord-Nederland, dus Bredanaars en Bergen-Op-Zomers en Bosschenaars, met Roermonders en Maastrichtenaars, geen Hollanders, en hunne taal is niet Hollandsch. Neen, maar allen zijn wij wel Nederlanders, Noord- of Zuid-, dat doet er niet toe, allen, Vlamingen, Brabanders, Hollanders, Friesen enz. De benaming "nederlandsch", ook voor de taal der zuidelike Nederlanden in 't algemeen, is goed en waar. "Vlaamsch" is brugsch, en kortrijksch en duinkerksch. Brusselsch en Lovensch en is geen vlaamsch, wel algemeen nederlandsch, en bizonder brabantsch.

Gegroet, mijn hoog geschatte vriend! Alle heil wenscht U met een trouen handdruk,
Uw
Johan Winkler.
p5

In Loquela, No 10[6] worden de geslachtsnamen Kempinck, Kempeneer en à Kempis genoemd, als afgeleid van den naam van het stadje Kempen in Neder-Rijnland. Dat moet ik bestrijden. Wel is de geslachtsnaam à Kempis van dien plaatsnaam afkomstig, en even zoo de geslachtsnaam Van Kempen, die in Holland niet zeldzaam is. Maar Kempeneer (met Kempenaer, de Kempenaer, ook in den tweeden naamval Kempeneers, Kempenaers) beteekent iemand, die uit de Kempen (la Campine), de bekende landstreek in noord- en zuid-nederlandsch Brabant en Limburg (met de provincie Antwerpen), afkomstig is. Talrijke Kempenaars zijn jaar uit, jaar in, uit hun dorre heidevelden getrokken naar de vette weiden en bloeiende steden van Vlaanderen en Holland. Dies is de geslachtsnaam Kempenaer, enz. zoo talrijk in Holland en Vlaanderen, en zoo algemeen. Maar Kempen is maar een klein, weinig bevolkt stedeke, en was ook in vroegere eeuen niet anders. Van daar kunnen al die "Kempenaars" niet gekomen zijn. Daar zijn in Holland en Vlaanderen veel meer lieden die den geslachtsnaam De Kempenaer, enz. dragen, dan dat geheele stadje Kempen inwoners telt.

De geslachtsnaam Kempinck en heeft ook niets te maken met den plaatsnaam Kempen. Kempinck of Kemping is oorspronkelik anders niet dan een patronymikon van den mansnaam Kempo, en beteekent: Kempen-seune, Kemp's zoon, de zoon van Kempo. En Kempo of Kampo, ook Kempe en Kampe, Campo, enz. is een oud-germaansche mansnaam, die nog heden, als zoodanig, bij de Friesen in volle gebruik is. Wassenbergh, Leendertz en Brons vermelden alle drie dezen naam als een mans-vóórnaam of doopnaam. En eveneens doet dit, onder de formen Campo, Cempo, enz., Ernest Förstemann, in zijn Altdeutsches Namen-p6buch. De naam hangt natuurlik in beteekenis samen met het woord kampen, vechten, strijden. Ongetwijfeld is ook bij de oude Vlamingen, althans voor d'invoering van 't Kerstendom, die naam als een mansnaam in gebruik geweest.

De vlaamsche geslachtsnamen Kempinck, en Kempynck, ook in den tweeden naamval, als Kempincks voorkomende, en zijn niet de eenige nederlandsche sibschapsnamen die aan dezen ouden mansnaam ontleend zijn. In Friesland bestaan nog de geslachtsnamen Kempinga en Kempenga (het laatste met e in plaats van d'oorspronkelike i van inga = ing = inck), eveneens patronymika van Kempo, in bizonder-frieschen form. Verder nog Kempema, Kempes en Kempen, alles: zoon van Kempo beteekenende. En van den form Kampo zijn ontleend de verwantschapsnamen Kampinga, Kampenga en Campenga, alle drie echte patronymika; Kampema en Campena, Kampen en Campen, allen in Friesland; Kamping in Drente; Camping in Engeland; Kamps in Holland. Bij Holwert in Friesland ligt Kempema-state (state = woonplaats van een edelman, Edelsitz in 't hoogduitsch); bij Peins in Friesland Kampema-state. En Kamping, zoo heet een dorp bij Palling in Boven-Beieren, en een ander bij Strasskirchen (Straatskerke) in Neder-Beieren. Bij deze laatste namen zijn de patronymika van de personen overgegaan op de plaatsen, waar zij woonden of die zij gesticht hadden. Had een vlaamsche Kemping of p7Kamping, Kempynck of Kampinck, de zoon dus van een vlaamschen man die Kempo of Kampo heette, een dorp gesticht, of althans was een hoeve, later een gehucht, nog later een dorp, naar hem genoemd, dat dorp zou heden ten dage Kempeghem of Campeghem, dat is Kempinga-heim, Campinghem, woonplaats van Kempinck, woonplaats van den zoon van Kempo, heeten.

Johan Winkler.[7]

Een "chalumeau", waar Gij in uwen lesten brief van schrijft, heet hier "blaaspijp"; en is, onder dien naam, bij alle goud- en zilversmeden, bij allen die fijn in metaal werken, overvloedig bekend.[8]

Nog iets: Is uwe flaamsche sibschapsnaam De Leu werkelik "half vertaald uit het fransche le leu, le loup"? zoo als Gij mij schrijft. Mij komt dat zeer zonderling voor. En gij zegt: fransch le Loup = vlaamsch Dewulf, en brabantsch 's Wolfs. Dat is ook niet zuiver. Fransch le Loup en Vlaamsch De Wulf is 't een en 't zelfste. Beide namen zjn ontleend, onmiddellik, aan den naam van het bekende verscheurende dier Isegrim. Maar p8'S Wolfs (komt deze naam in der daad in Brabant als verwantschapsnaam voor? dan moet ik hem aanvoeren in mijn werk over nederl. geslachtsnamen), Maar

'S Wolfs is = des Wolfs, des Wolfs seune, zoon van Wolf, zoon van den man die Wolf heet, en niet: zoon van het dier wolf. Immers Wolf, (Wulf, Olf, Ulf) is een algemeen bekende oudgermaansche mansnaam, die nog heden bij ons in volle gebruik is, even als Wolfert (Wolfaart, Wolfhart), daar van afgeleid. In Zeeland leit het dorp Wolfaertsdijk, bij ter Goes. Denk ook aan de mansnamen Alolf (Adelwolf), Arnolf, Adolf, Gisolf, Rudolf, enz. allen met olf, wolf, samengesteld. En ook aan den gotischen bisschop, den vertaler der bibel in zijn volkspraat, Ulfila = Wulfila, Wolfele, Wolvelyn, Wolfke. Dit olf, wolf in deze mansnamen is oorspronkelik ook wel de naam van het dier wolf (herinner U ook Everaart, van Ever = wild zwijn, Leonart, van leeu, enz.), maar men kan toch niet zeggen dat de brabantsche geslachtsnaam 'S Wolfs onmiddellik van den diernaam komt, zoo als het vlaamsche Dewulf, het fransche le loup, wel doet. -[9]

Noten

[2] Zie ”daveren” in: Gezelles volledig artikel: Hulpe over Wederhulpe. In: Loquela: (Sporkele 1883) 10, p.75-77.
[4] Loquela: (Sporkele 1883) 10.
[5] Zie Gezelles artikel: Hulpe over Wederhulpe. In: Loquela: (Sporkele 1883) 10, p.75-79. J. E. ter Gouw komt ter sprake op p.78.
[6] Zie: Hulpe over wederhulpe. In: Loquela: (Sporkele 1883) 10, p.78.
[7] Tot hier publiceerde Gezelle de brief met kleine aanpassingen waaronder verandering van ”aa” naar ”ae” onder: Tegenkomsten en brieven etc. In: Loquela: (Lente 1883) 11, p.87-88.
[8] Gepubliceerd onder: Zantekoorn in Loquela: (Wiedmaand 1883) nr.2, p.9: BLAASPUIPE, de. = Goudsmids allaam, om de vlamme van eene brandende wieke te doen stralen waar men

goud, zilver, enz. begeert gesmolten te hebbén. —”Een chalumeau, waar gij 'in uwen lesten' brief van schrijft, heet hier blaaspijp; en is, onder dien naam, bij alle goud- en zilversmeden, bij allen die fijn in metaal werken, overvloedig bekend.” Johan Winkler.

[9] Gezelle publiceerde dit met kleine aanpassingen in: Loquela: (Wiedmaand 1883) 2, p.10-11: SWÖLFS. Geslachtname = Des Wolfs, d. i. des Wolfs seune, zoon van Wolf, zoon van den man die Wolf heet, en niet: zoon van het dier wolf. Immers Wolf, (Wulf, Olf, Ulf) is een algemeen bekende oud-germaansche mansnaam, die nog heden bij ons in volle gebruik is, even als Wolfert, Wolf hart, daarvan afgeleid. In Zeeland leit het dorp Wolfaertsdijk, bij ter Goes. Denk ook aan de mansnamen Alolf (Adelwolf), Arnolf, Adolf, Gisolf, Rudolf, enz. allen met olf, wolf, samengesteld. En ook aan den gotischen bisschop, den vertaler der bibel in zijn volkspraak, Ulfila = Wulfila, Wolfele, Wolvelyn, Wolveke. Dit olf, wolf, in deze mansnamen, is oorspronkelik ook wel de naam van het dier wolf (herinner u ook Everaart, van Ever = wild zwijn, Leonart, van leeu, enz.), maar men kan toch niet

zeggen dat de brabantsche geslachtsnaam Swolfs onmiddellik van den diernaam komt, zoo als Dewulf, Lupus, Leloup, Leleu, Deleu wel doet.” Johan Winkler.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat aan het Maison Carrée te beginnen. Na zijn proefjaar keerde Vyncke terug en stichtte hij een apostolische school te Rijsel. Hij volgde medische cursussen aan de universiteit om opnieuw naar Algerije te vertrekken op 18/03/1883. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke aan op Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in 3 delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamLeendertz, Pieter
Datums° Amsterdam, 07/11/1817 - ✝ Dortmund, 10/09/1880
GeslachtMannelijk
VerblijfplaatsNederland
BioPieter Leendertz werd geboren in een gelovig gezin te Amsterdam. Hij was een ijverig en vooruitstrevend predikant, maar zette zijn grootste stempel op het gebied van de taal- en letterkunde. Hij schreef onder andere “Onze voornamen” in de Almanak voor Protestansche Nederlanders voor 1858 en “Hoe eene taal verandert” in den Almanak der Maatsch. tot Nut van ’t Algemeen voor 1861. Vanaf 1856 tot zijn dood was hij redacteur van het tijdschrift De Navorscher en tilde hij het tijdschrift zichtbaar naar een hoger niveau. In 1863 ging een groot deel van zijn werk, waaronder een met 1000 namen aangevuld exemplaar van Wassenberghs lijst van friesche eigennamen, verloren in een brand naar aanleiding van een hevige storm in Noord-Holland, maar deze schade heeft hij grotendeels kunnen herstellen in de jaren daarna. Hiernaast was Leendertz ook actief als bestuurslid voor lokale verenigingen zoals dat van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, en gaf hij les in vakken waarvoor anders geen of onvoldoende onderwijs ter beschikking was (oude talen, maar ook nieuwe talen en zelfs wiskunde). In 1868 was hij een van de oprichters van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis, waar De Navorscher het orgaan voor werd. Leendertz overleed tijdens een buitenlands verblijf in Dortmund.
Links[dbnl]
Bronnen http://www.biografischportaal.nl/persoon/58654991
NaamJapicx, Gysbert; Jacobs; Japiks; Gysbert-om; Gysbertom
Datums° Bolsward, 1603 - ✝ Bolsward, 21/08/1666
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; dichter; schrijver; voorzanger
VerblijfplaatsNederland
BioGysbert Japicx was de bekendste renaissanceschrijver uit Friesland. Hij wordt eveneens beschouwd als grondlegger van het Fries als geschreven taal. Hij groeide op in het begin van de 17e eeuw, toen het Fries enkel een spreektaal of boerentaal was en de elite Nederlands sprak.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamWassenbergh, Everwinus (Everwijn)
Datums° Lekkum, 25/09/174 - ✝ Franeker, 03/12/1826
GeslachtMannelijk
Beroepclassicus; neerlandicus; taalkundige
VerblijfplaatsNederland
BioEverwinus Wassenbergh was vanaf 1771 hoogleraar Grieks aan de universiteit van Franeker, waar hij vanaf 1797 ook Nederlands doceerde. Hij werd vooral bekend voor zijn Verhandeling over de eigennamen der Friesen (1774) en zijn Bijdrage tot een Idioticon Frisicum (ca. 1780).
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamBrons, Bernhard (Jr)
Datums° Emden, 15/10/1831 - ✝ Gronau, 08/06/1911
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige
BioBernhard Brons werd geboren in Emden (Oost-Friesland, Duitsland) als zoon van Isaak Brons (1802-1886), een Oost-Friesische koopman en politicus van Mennonitische geloofsovertuiging, en Anna Cremer. Hij is vooral bekend om zijn Friesische Namen, dat uitgegeven werd in Emden in 1877.
Links[wikipedia]
NaamFörstemann, Ernst Wilhelm
Datums° Danzig, 18/09/1822 - ✝ Charlottenburg, 04/11/1906
GeslachtMannelijk
Beroephistoricus; taalkundige (etymologie)
VerblijfplaatsDuistland
BioHij studeerde vergelijkende taalkunde aan de Humboldt-universiteit in Berlijn en verhuisde in 1841 naar Halle-Saale om er verder te studeren aan de Martin-Luther-Universiteit van Halle-Wittenberg. Na zijn universitaire studies werd hij leraar en "privat dozen"t in zijn geboortestad Danzig. In 1851 werd hij bibliothecaris in Wernigerode en daarna, vanaf 1865, in de Saksische Landesbibliothek in Dresden, die hij volledig reorganiseerde. In 1900 verhuisde hij tenslotte naar Charlottenburg waar hij op 4 november 1906 overleed. Een van zijn belangrijkste werken was een Altdeutsches Namenbuch (2 vols. 1856-1859).
Links[wikipedia]
NaamWulfila
Datums° 311 na Chr., - ✝ Constantinopel, 382 of 383
GeslachtMannelijk
Beroepbisschop
BioDe Visigotische bisschop staat vooral bekend werd als vertaler van de bijbel in het Gotisch. Het bekendste exemplaar van deze gotische bijbeltekst is de zgn. Codex Argenteus die in het Zweedse Uppsala bewaard wordt. Wulfila werd in 341 aangesteld als bisschop van de tot het Christendom bekeerde West-Goten. Waarschijnlijk heeft hij omstreeks 369 de Bijbel vertaald. Hij bleef een belangrijke bisschop tot aan zijn dood.
Links[wikipedia]
Naamter Gouw, Jan (Johannes); Aurelius
Datums° Amsterdam, 16/12/1814 - ✝ Hilversum, 09/01/1894
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; onderwijskundige; historicus; dichter
VerblijfplaatsNederland
BioJan ter Gouw werd na zijn opleiding hoofdonderwijzer aan de Amsterdamse stadstussenschool en van 1851 tot 1863 docent aan het Nederlands-Israëlitisch Seminarie. Daarna wijdde hij zich vooral aan historisch onderzoek, hoofdzakelijk met betrekking tot zijn geboortestad. Samen met Jacob van Lennep schreef hij De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd (1867-1869) en publiceerde hij talrijke artikels over spreekwoorden in Noord en Zuid.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamDe Leu, Marie
GeslachtVrouwelijk
BioKortrijkse vrouw. Gezelle stuurde een foto van haar met Vlaamse oorijzers naar Johan Winkler
Naamter Gouw, Jan (Johannes Engbert)
Datums° Amsterdam, 1845 - ✝ 1916
GeslachtMannelijk
Beroepleraar
VerblijfplaatsNederland
BioJohannes Engbert ter Gouw was onderwijzer te Hilversum en tekenaar, prentenverzamelaar en numismaat. Hij publiceerde een aantal werkjes over munten en artikels over taal in diverse tijdschriften: Noord en Zuid (1879 -1886), Spectator (1882), Onze Volkstaal (1885), De Navorscher (1892). Als de zoon van historicus Jan ter Gouw gaf hij enkele werken van zijn vader opnieuw uit, o.m. Verzen en rijmen (Hilversum, 1914, t.g.v. 100ste verjaardag van zijn vader), Amsterdamsche verhalen (voor jongelieden bewerkt door J.E. ter Gouw) en Een nieuw boekje over de oorsprong en de afleiding van de Amsterdamsche straatnamen (Hilversum 1896).

Naam - plaats

NaamLeuven
GemeenteLeuven
NaamAmsterdam
NaamHaarlem
NaamKempen
NaamHolwert
NaamPeins
NaamKamping
NaamPalling
NaamWolfaertsdijk
Naamter Goes
NaamHilversum

Naam - instituut/vereniging

NaamDavidsfonds hoofdzetel Leuven
BeschrijvingHet Davidsfonds is een Vlaams katholiek cultuurnetwerk dat in januari 1875 gesticht werd op initiatief van de Leuvense studentenvereniging “Met Tijd en Vlijt”. De eerste voorzitter was hoogleraar Pieter Alberdingk Thijm. Het Davidsfonds heeft zijn hoofdzetel in Leuven, waar ook het nationaal secretariaat gevestigd is. De brede culturele werking wordt gerealiseerd via lokale afdelingen. Gezelle was medestichter van de Kortrijkse afdeling en werd vaak gevraagd om te spreken op andere West-Vlaamse afdelingen. In 1876 publiceerde het Davifsfonds de derde uitgave van Kerkhofblommen en in 1886 Gezelles vertaling van Hiawatha.
Datering1875
Links[odis], [wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelDe Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis
AuteurWinkler, Johan
Datum1885
PlaatsHaarlem
UitgeverWillink
TitelWoordenboek op de gedichten en verdere geschriften van Gijsbert Japicx, als een vervolg op de II vorige deelen van dat werk
AuteurEpkema, Ecco
Datum1824
PlaatsLeeuwarden
UitgeverProost
TitelAltdeutsches Namenbuch
AuteurFörstemann, Ernst
Datum1856-1872
PlaatsNordhausen
UitgeverF. Förstemann
TitelDe Nederlandsche Geslachtsnamen
AuteurWinkler, Johan
Datum1885
PlaatsHaarlem
Uitgever[s.n.]

Titel08/03/1883, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurRik Van Gorp; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum08/03/1883
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inbijlage gepubliceerd met aanpassingen van Gezelle waaronder "ae" i.p.v. "aa" in: Tegenkomsten en brieven etc. - in: Loquela (1883) nr. 11, p.87-88; Zantekoorn. - in: Loquela: (1883) nr.2, p.9, 10-11; De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.149-152
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 207x134; bijlage: 2207x134
wit
papiersoort: 4 zijden beschreven; bijlage: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden met bijlage: tekst voor Loquela
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.); bijlage: op zijde 1 links in de bovenrand: Staat in Loquela, 1882-1883, n° 11, bl. 87-88; op zijde 4 in de linkermarge: Staat in Loquela, 1883-1884, n° 2, bl. 10-11 (inkt, beide hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5319
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11627
Inhoud
IncipitWare 't niet geweest, dat Gy my aan't
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.