<Resultaat 871 van 2182

>

p1
Eerweerde Heer en Goede Vriend!

Van herten danke ik U voor de goede zende die uwe vriendelikheid en welwillendheid mij verledene weke deed toekomen. Zij heeft mij veel genoegen bereid, en met blijdschepe zet ik mij neder om uwen begeleidenden brief te beantwoorden.

Uwen afdruk van “Hiawatha's[1] vasten”, dien Gij voor den heer Heyman hebt bestemd, hebbe ik hem eergisteren gebracht. Dat was hem eene aangename verrassinge; hij zeide mij dat hij-zelven U eenen brief tot dankbetuiging zoude schrijven. De Heer Heyman, een Hollander, van de Zaan[2] is hier ter stede leeraar in de Engelsche taal aan eene onzer stedelike, middelbare scholen. Hij heeft een goed deel zijner jeugd in Engelland doorgebracht, en is een achtensweerdig man en huisvader.

Wat mij zelven betreft, ik heb uwe vertaling van Hiawatha, met het uiterste genoegen gelezen, en bewonder uwe dichtveerdigheid en bekwaamheid om Longfellow's woorden zoo naukeurig in d'oorspronkelike maat in 't Vlaamsche over te brengen, zoo dat het dichterlike waas ten volsten is behouden ge-p2bleven. Waar ik aan uw werk van herten geerne den vollen lof geve, die er met alle recht aan toekomt, mag ik, zonder aan vitterij mij schuldig te maken, U wijzen op uwe woorden: "mulz- en lijzig" (op bl. 8), die, in dezen afgebrokenen form (mulz'(ig)), niet nederlandsch zijn, zoo min vlaamsch, dunkt me, als friesch of hollandsch. - Overigens, uw zoetvloeiende en liefelike vlaamsch is tienmaal geschikter om Longfellow's zoete tale in Hiawatha's song weêr te geven, als het stijve schoolmeesters-hollandsch. Hebt Gij den geheelen Hiawatha in vlaamsche verzen overgebracht, mijn vriend? Ei, hoe geerne zoude ik dat alles eens lezen!

Wat Joos Lambrecht's spellinge aangaat, ik heb mij daar mede bijzonder vermaakt. En ik houde het voor zeker en gewis dat Joos Lambrecht met onze friesche taal- en spelwijze moet bekend geweest zijn, naar dien hij, even als wij, ea en oa schrijft voor de twee-klanken ee en oo van Hollanders en Vlamingen.

Ik en hebbe uwe meeninge niet wel begrepen in deze. Hebt Gij Joos Lambrecht mij slechts ter inzage gezonden[3] dan stuur ik U hem eerlang, in dank terug. Was het echter uwe bedoeling, mij dat oude spelboek ten geschenke te geven, dan betuige ik U bij dezen geerne mijnen besten dank voor uwe goedjonstigheid.p3Ik zal geerne dienaangaande uwe bedoeling eens vernemen.

De twee gentsche almanakjes, die zoo zonderlinger wijze den naam dragen van "Westvriessche", zende ik U, gelijktijdig met dezen brief, bij poste terug[4] met dank voor de inzage. Wat de aanleiding geweest mag zijn, om deze vlaamsche volksalmanakjes, die niets bijzonders friesch vertoonen, "Westvriessche" te noemen, is mij een raadsel. En wel een zonderling raadsel. Voor 't naste denk ik dat d'opsteller Harmen de Werve een Fries van bewesten Fli moet geweest zijn. Ik heb aangaande deze zake eene vrage opgesteld, en aan het tijdschrift "De Navorscher" ingezonden[5] Misschien dat ons van dien kant een antwoord toekomt. Iets soortgelijks als met dezen gentschen "Westvriesschen" almanak voorkomt, is mij nog bekend. In d'helfte ongeveer, als ik mij niet bedriege, van de 17e eeu, kwam een brabantsche volksalmanak te Breda uit, met eene belangrijke lijst oud-friesche volksspreekwoorden in het mengelwerk. Toch verstaat men te Breda, en op dertig, veertig uren in de rondte van die stede, geen woord friesch. Maar d'opsteller van dien brabantsche almanak, alschoon hij te Breda woonde, was een Fries, en hij en koste zijnen landaard niet achter baks stellen.

Rask's frisisk Sproglære heb ik in eigendom, en is mij bekend. In het Oud-friesch (even als in het Oud-p4Hollandsch) was het loochenwoordeke en in sterke mate in gebruik, volkomen zoo als nog heden in het vlaamsch, ja nog meer. D'Oude Friesen spraken: "ik nil", voor "ik ne wil" of "ik wil niet”. Zoo ook "ik nebbe", voor "ik ne hebbe" of "ik en hebbe, ik heb niet"; enz. Maar in de hedendaagsche friesche taal, zoo schrijf- als spreektaal, komt dit volstrekt nooit meer voor. (In de hedendaagsche hollandsche volksspreektaal, vooral hier te Haarlem, echter nog wel.) Het jongste, laatste voorbeeld van het loochenende en in het friesch, is mij bekend in een oud-hindelooper volksliedje, dat zekerlik niet later dan uit het begin der vorige eeu dagteekent, zoo het niet nog ouder is. Dat is een zeemansliedje, en begint aldus:

"Wy loayen ees yn 't Flee
"Nei een goe wyn' to waatjen"

(Wij lagen eens (met ons schip) in het Fli[6] naar eenen goeden wind te wachten); en dan komt de betrekkelike strofe:

"'n Omdat wy naet in dee'
"Gyngen wy om uws plesier nei lân',
"Mei 't jel, da 't wy ton anker loaine
"Oan da strân'.

(En omdat wij niet en deden (niets te doen hadden)[7] Gingen wij voor ons genoegen naar land, Met het jol (een bijzondere sloep)[8] daar wij ten anker lagen(e) Aan het strand).p52/Dit is in den bijzonderen tongval der stede Hindeloopen, die van alle ander friesch afwijkt.

Hoe jammer dat de fransche Vlamingen niet wat meer belangstelling toonen in uw belangrijk taalblaadje "Ons oud vlaemsch". Ik heb aan dat blaadje eene tamelik uitvoerige bespreking en aanprijzing gewijd in het opstel dat ik aangaande mijne fransch-vlaamsche reize van verleden herfst hebbe geschreven, en dat in den loop van dezen zomer zal verschijnen. Misschien dat dit nog wat zoden aan den dijk zal brengen.

Het oude opschrift uit Seghers-capel acht ik hoogst merkweerdig en belangrijk tevens. Haddet Gij mij niet den sleutel daar toe in d'handen gegeven, 'k en geloove niet dat ik het ooit zoude ontraadselt hebben. Bij uwen uitleg kan ik mij zeer wel neêrleggen. Uwe “gissinge” komt ongetwijfeld overeen met de waarheid. Uit gebrek aan kennis, betreffende de godsdienstige geschiedenis der Fransch-Vlamingen, moet ik mij onthouden van een oordeel aangaande die bijzondere gemeente van Evangelische boetedoeners ofte volgelingen van St. Jan den Dooper[9] waar Gij van spreekt. Iets onwaarschijnliks echter en vinde ik in uwen uitleg niet. Integendeel! -

Met veel behagen en met voller instemminge, las ik in uwen laatsten Loquela 't genep6Gij aldaar mededeelt aangaande de fransche, oud-gotisch-nederduitsche plaatsnamen Perpignan, Draguignan[10] enz. Hier hebt Gij ongetwijfeld een goed spoor gevonden - en uwer scherpzinnigheid komt in dezen grooten lof toe. Hier hebt Gij eene poorte geöpend, waar door veel licht kan schijnen op den oorsprong en bediedenis van vele fransche plaatsnamen. Hoe veel is, betreffende deze zake van plaats- en personennamen nog niet te zanten, te navorschen, te onderzoeken, te leeren! Gelukkig dat wij op een eenvoudig maar rechtzinnig spoor zijn, en niet in volslagen duisternisse zulke bokkesprongen behoeven te maken, lijk b.v. in uwe gau, de H.H. Lanssens, de Smet, en anderen, die in den regel den bal zoo deerlik mis sloegen.

Enkelvoud:"kou" (koe),meervoud:"ky" (koeien).
skiep (schaap)skiep (schapen).
goes (gans)gies (gansen).
foet ( voet)fiet (voeten),

hebben wij in 't Friesch, zoo wel als d'Engelschen. Ook "bern" kind, "bern" (kinderen). Fiet en gies echter is tegenwoordig hooftsakelik tot den dorpe Akkrum (zuidwaarts van Leeuwarden, tusschen die hoofdstede en Heerenveen), beperkt.p7Van den Eerweerde Heer Claerhout ontving ik heden een schrijven - hij zal mij, zoo haast hij kan, eenen afdruk van zijn opstel in het Belfort zenden. Dank voor uwe bemiddeling.[11]

Eenigen tijd geleden was in Loquela sprake van de haarlokken die de peerden aan hunne pooten dragen, boven de hoeven aan de achterkant.[12] Die heeten in geheel Friesland fiterlokken, dat is: veterlokken. Oulings, meer dan thans, bonden de liên hunne schoen toe met veters. De einden van die veters, (mijn brave vader heeft zijn gantsche leven alzoo gedaan, en ik in mijne jeugd ook), werden om den enkel met een strik toegebonden. Ja, maar sloffe liên en namen die moeite niet; ze lieten de veterseinden los rondom den enkel bingelen. Met die los hangende veters heeft men de "fiterlokken" van het ros vergeleken.

En nu is 't meer dan tijd om te eindigen.

Gelieve, mijn eerweerde Heer en duerbare Vriend! 'nen herteliken groet en 'nen trouen handdruk te aanveerden
Van Uwen toegenegen Vriend
Johan Winkler.

Noten

[1] Het gaat over deze druk: Hiawada's vasten. Kortrijk: Eugène Beyaert, s.d., 13 p. = hoofdstuk 5 uit het Engelse epos van Henry Wadsworth Longfellow in het Nederlands vertaald door Gezelle.
[2] De Zaan is een kleine waterloop in de gemeente Zaandam in Noord-Holland.
[3] Het gaat hier waarschijnlijk om de editie van 1882.
[4] Het betreft ’Den oprechten West-vriesschen Almanach voor het jaer ons Heeren MDCCXXV., Gecalculeert op den Meridiaen van de 17 Provinciën’ door Mr. Hermanus de Werve. Tot Ghendt, bij Cornelis Meyer; en anderzijds ’Den oprechten West-vriesschen Almanach voor het Schrikkeljaer ons Heeren Jesu Christi MDCCLXVIII. Gecalculeert op den Meridiaen van de 17 Provinciën’ door Mr. Hermanus de Werve. Tot Gend, bij Jan Meyer.
[5] Winkler vroeg in: De Navorscher: (1886), p.404-405 naar de identiteit van Harmen de Werve, maar zijn vraag werd niet beantwoord.
[6] Het Vlie of Flie (Fries: Fly, Flee) is de rivier die Vlieland scheidt van Terschelling.
[7] Winkler gebruikt hier rechthoekige haken.
[8] Winkler gebruikt hier rechthoekige haken.
[9] Waarschijnlijk de Johannieter Orde (later Maltezer ridders). St.-Jan de Doper was de patroon van heel wat kerken, o.m. die van Zegerskapel.
[10] Een bijdrage over Perpignan en Draguignan verscheen in: Loquela: (1886) p.85-87, onder het woord ’Perpioen’.
[11] J. Winkler schreef in de brief van 22/03/1886 aan Gezelle dat hij het jammer vond dat J. Claerhout hem geen overdruk had bezorgd van zijn artikel: De Franken, de Friezen en de Saksen. Onze voorouders. In: Het Belfort: 1 (1886), p.37-56.
[12] Loquela: (1885), p.7-8, onder het woord vislokke.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamClaerhout, Juliaan
Datums° Wielsbeke, 09/12/1859 - ✝ Kaster, 12 /02/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; bestuurder scholen; pastoor; auteur
BioJuliaan Claerhout, zoon van Constant Claerhout, landbouwer, en Amelia De Volder, werd op 22/12/1883 tot priester gewijd te Brugge. Hij werd leraar aan het college te Tielt (18/09/1884) en aan de normaalschool te Torhout (10/09/1887). Vervolgens was hij onderpastoor te Sint-Denijs (23/09/1889), bestuurder van de scholen te Pittem (24/11/1894) en pastoor te Kaster (17/02/1911). Claerhout werd bekend door zijn archeologische opgravingen in Pittem en Dentergem. Hij schreef o.m. verschillende artikels in het tijdschrift Belfort en was nauw betrokken bij Gezelles tijdschrift Biekorf.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); adressenlijst Cordelia Van De Wiele; Biekorf
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamLongfellow, Henry Wadsworth
Datums° Portland (Maine), 27/02/1807 - ✝ Cambridge (Massachusetts), 24/03/1882
GeslachtMannelijk
Beroepschrijver; dichter; pedagoog; bibliothecaris
VerblijfplaatsAmerika
BioHenry Wadsworth Longfellow studeerde aan Harvard en werd bibliothecaris. Na een reis door Europa (1826-28) werd hij de eerste hoogleraar Moderne Talen. In 1854 verliet hij Harvard om zich volledig aan het schrijven van poëzie te wijden. Zijn gedichten zijn erg toegankelijk omdat ze gaan over herkenbare thema’s en geschreven zijn in een eenvoudige, maar bloemrijke taal. Longfellow maakte ook talrijke vertalingen en heeft daardoor vele Europese poëzie voor Amerikanen toegankelijk gemaakt. Diverse van zijn uit de Amerikaanse folklore geputte thema’s en figuren (zoals Hiawatha) hebben deze folklore in Europa bekendheid gegeven. Guido Gezelle had grote bewondering voor Longfellow en vertaalde zijn epos Hiawatha.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellevertaald door Gezelle
NaamLambrecht, Joos; Judocus Lambertus; Josse Lambert
Datums° Gent, ca. 1491 - ✝ Wezel, 1556/1557
GeslachtMannelijk
Beroepschoolmeester; drukker; rederijker
BioJoos Lambrecht was een schoolmeester en rederijker die zich in 1536 vestigde als drukker, lettersnijder en taalkundige in Gent. Hij is vooral bekend geworden door zijn Nederlandsche Spellynghe (1550), het eerste spellinghandboek van het Nederlands, gebaseerd op het Gentse dialect. (facsimile-druk 1882). Zijn spelling leunt heel dicht aan bij het fonetisch schrift. Lambrecht schreef ook een Naembouck van alle natuerlicken ende ongheschuumde Vlaemsche woorden (2de druk 1562), een puristisch Nederlands-Frans woordenboek. In 1553 verkocht hij zijn drukkerij en trok naar Wezel waar hij enkele jaren later overleed.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamRask, Rasmus Christian
Datums° Braendekilde, 22/11/1787 - ✝ Kopenhagen, 14/11/1832
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; filoloog; bibliothecaris
VerblijfplaatsDenemarken
BioRasmus Rask werd in 1801 naar de Latijnse School in Odense gestuurd waar zijn interesse groeide voor het Oudnoors en het IJslands. In 1808 trok hij naar de universiteit in Kopenhagen en schreef zich in als student in de theologie, maar zijn belangstelling ging duidelijk naar de taalkunde. Hij leerde en bestudeerde vele talen en reisde daarvoor over heel de wereld. In 1818 schreef hij zijn belangrijkste werk: een Tractaat over de oorsprong van het Oudnoors of het IJslands (Ditse vert. 1822). In 1825 werd hij professor in de literatuurgeschiedenis aan de universiteit van Kopenhagen. In dat jaar verscheen ook zijn Frisisk Sproglaere (Friese spraakkunst). Daarna werd hij ook bibliothecaris van de universiteit (hij had van zijn vele reizen honderden manuscripten meegebracht) en in 1831 professor in de Oosterse Talen.
Links[wikipedia]
NaamLanssens, Pieter; P(i)eter Lan(s)sens
Datums° Lichtervelde, 08/05/1801 - ✝ Koekelare, 22/11/1879
GeslachtMannelijk
Beroepauteur; leraar; schooldirecteur
BioPieter Lanssens werd geboren in Lichtervelde maar groeide op in Torhout. In 1830 huwde hij, als hulponderwijzer, met Barbara van Laer, dochter van de onderwijzer van Handzame en werd twee jaar later onderwijzer in Koekelare waar hij zich vestigde als auteur. Hij schreef, naast tal van schoolboeken en historische werken, ook een taalkundig essay: ‘Bydrage tot de kennis van den oorsprong en de beduidenis der geslacht- of familienamen’ (Brugge, 1852). In 1865, na zijn ontslag als gevolg van de schoolstrijd, werd hij directeur van een kostschool in Koekelare
Links[wikipedia]
NaamDe Smet, Joseph-Jean
Datums° Gent, 11/12/1794 - ✝ Gent, 13/02/1877
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; historicus
BioJoseph-Jean de Smet studeerde als seminarist in Gent in de rumoerige Napoleontische periode (o.m. ontslag van de bisschop) en werd priester gewijd in 1819. Hij werd onmiddellijk aangesteld als retoricaleraar aan het Klein Seminarie Sint Barbara in Gent en nadien, in dezelfde functie, in Aalst. Hij kwam in conflict met de regering in verband met de nieuwe onderwijspolitiek. In de aanloop naar de Belgische onafhankelijkheid werd hij lid van het Nationaal Congres en in 1831 professor Kerkgeschiedenis aan het Groot Seminarie van Gent. In 1835 werd hij lid van de Koninklijke Academie van Brussel en twee jaar later ook van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis. Hij bezorgde de uitgave van talrijke kronieken en gold als dé toenmalige historicus van Vlaanderen.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamHeyman, C.
GeslachtMannelijk
Beroepleraar
VerblijfplaatsNederland
BioC. Heyman bracht een groot deel van zijn jeugd door in Engeland. Hij werd leraar Engels aan de burgerschool te Haarlem. Hij was taalkundige en liberaal gezind. Hij schreef o.m. een artikel over W. Caxtons vertaling van Van den Vos Reynaerde in het tijdschrift Taalstudie.
Naamde Werve, Hermannus
Datums° 1585 - ✝ 1642
GeslachtMannelijk
Beroepastroloog
VerblijfplaatsNederland
BioHermannus de Werve was de schrijver van "Prognosis Astromantica" (1636) en van sterrenkundige informatie in vele almanakken, o.m. in een 'Gentschen Almanach voor het jaar Ons Heere MDCCXCVII dienende voor de bisdommen van Gend, Brugge, Ipren en Doornyk. Gecalculeerd op de 17 provinciën door Mr Hermanus de Werve.

Naam - plaats

NaamHaarlem
NaamLeeuwarden
NaamPerpignan
NaamDraguignan

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelThe Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch.
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]
TitelOns Oud Vlaemsch

Titel - ander werk

TitelFrisisk sproglaere udarbejdet efter samme plan som den islandske og angelsaksiske
AuteurRask, R.
Datum1825
PlaatsKobenhavn
UitgeverBeekens
TitelHet Belfort. Tijdschrift toegewijd aan letteren, wetenschap en kunst (periodiek)
AuteurClaerhout, Juliaan (redacteur)
Datum1886-1899
PlaatsGent
UitgeverS. leliaert, A. Siffer en Co
Links[dbnl], [odis]
TitelNéderlandsche spellijnghe, uutghesteld by vrághe ende andwoorde, duer Joas Lambrecht ... . - Tot onderwijs der jonghers voor haar earste beghin.
AuteurLambrecht, Joos
Datum1882
PlaatsGent
UitgeverC. Annoot-Braeckman

Titel29/03/1886, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurRik Van Gorp; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum29/03/1886
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 2: Brieven (1884-1899) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.244-248
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 211x135
wit
papiersoort: 7 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5623
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11920
Inhoud
IncipitVan herten danke ik U voor
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.