<Resultaat 1050 van 2044

>

p1
Achtbare Heer en Vriend,

Het doet mij genoegen dat mijn “Mazeltjes droom” U van waarden is[1] Ik vraag van mijnen kant links en rechts om de historie van dien Droom te achterhalen: wij hebben hier nu eene van die schulpen vast, waar het binnenste van overlang uit en verloren is. Toch verwacht ik dat de eene of andere eenvoudige boereman mij of iemand anders zeggen zal: “Wel heere! is ‘t maar dat? Zet u en horkt[2]

Onze Volkstaal” is meer dan een jaar ten achter; ik hoor er niets meer van. ‘t Zit hem ook in slechte handen, en, platuit gezeid, zij hebben ginder geene handeling van linguistiek; verder dan woordenlijstjes zonder uitleg of gissingen ernevens, - kerkhofbotjes! - gaat het niet dikwijls.[3]

Nu[4]p2 Loquela, nr 4[5]

Gatouwē.[6] Nooit zal mijne moeder dat anders uitspreken. Geheel de streek tusschen Pitthem en Rousselare, die toch zoo taalveerdig en woordenrijk is! zegt niet anders dan gatouwe. Ouderlingen spreken er nog de eind-e als e̊/å uit, vooral in oude termen. ‘t Is daar dat ik de gâdōod hoorde noemen; ‘t is daar dat men mèèl zegt voor meel = multer; dat de diminutieven op ke en ge als ga, ka luiden, enz. Zoei! en Wååie! komen daar ook te pas als uitroepen.

Wat voor een boekje bedoelt men in no 63 der Wetensweerdigheden[7]

Hebt gij reeds mortorie verklaard gevonden?[8] professor Nelis zegt mij, dat het = fransch carnage, tuerie beteekent; het staat in den Walewein; maar ik heb geenen Walewein te mijner beschikking.

Had ik Debo’s Idioticon onder de hand (mijne boeken liggen overhoop door te verhuizen[9]) ik zou kijken of mutse = zwijnenmaag er in staat. Mutse = maag; iemand mutsen, slecht gemutst zijn; estomaquer quelqu’un …..?p3Loquela Nr 6[10]

Haver-uit-de Mouwe[11] = slagen. In Conscience, de Schoolmeester[12] (Antwerpen) staat er: “straks krijgt hij toch weêr haver.”

verbo[13] Kelderen.[14] Zou mijn Kelderkraweitje dan wel een Kwelderkraweitje zijn?

----

Ik verzamel maar altijd voort, rijp en groen, woorden, brokken van oude liedjes, rijmspreuken, enz. Verledene week hoorde ik nog:

“Schōon plānkīer:
Roēpt dē jongmān̄s ālhier[15]

dat veel zins bevat: Waar ‘t plankier[16] in de arme gewesten vooral, vuil ligt, wonen bejaarde lieden of menschen met kleine kinderen, die geen’ tijd hebben om hun gedacht tot buiten de deur te doen gaan; waar integendeel jonge dochters of aankomende meisjes zijn, wordt het plankier intijds gevaagd en geschuurd. Dat is voor de jongmans een speur, gelijk het gebaante voor de jagers.

Een “rekwestrant” vroeg verledene week aan de Bestendige Deputatie de bemachtiging om eene dermzouterij (fransch boyauderie) in te richten.

Den zelfden dag hoorde ik op het Pandreitje[17]p4twee groenselwijven in volle gekäkel; eene zei: “Ze zeggen dat hi nu keunemarchand-t ook.” Vertaalt dat eens in goed nederlandsch! Voorwaar, op markten en straten is veel raars te leeren.

In afwachting U te lezen of te zien, groet ik U wel vriendelijk.
Uw dienstwillige
K. Deflou

Verontschuldig mij wegen mijn ongewoon postpapier: dat komt van te verhuizen. Verhuist nooit, tenzij – voor Brugge!

dF

Noten

[1] Vraag in: Bijblad van Loquela: 7 (Pietmaand en Bamesse 1887) 5-6: ”Wat beteekent: ’Uit mazeltjes droom komen?” Wat of wie is dat mazeltje of Mazel?”. Karel Deflou geeft antwoord in de zijn brief aan G. Gezelle van 12 oktober 1887. Mazeltjes droom ook nog later in: Zantekoorn. In: Loquela: 15 (Hooimaand 1895) 3, p.20: ”MAZELTJES DROOM, den. = Eerste slaap, bij overdracht, verbijsteringe van zinnen. — ”Dat ik dat zou gaan betalen? kom-je uit Mazeltjes droom de'?” Geh. Brugge. Vrglkt Maaiedokke.”
[2] Luister (WNT: horeken).
[3] Onze Volkstaal: Tijdschrift gewijd aan de Studie der Nederlandsche Tongvallen (1882-1890, hoofdredacteur Hajo Taco de Beer) wilde een wetenschappelijk verantwoorde dialectstudie opzetten om een algemeen Nederlands idioticon te bekomen. Het tijdschrift verscheen echter zeer onregelmatig: in 1882, in 1885 en de laatste keer in 1890.
[4] Het woord “Nu” staat dubbel geschreven bij de paginaovergang.
[5] Loquela: 7 (Oestmaand 1887) 4.
[6] Het lemma ’Gatouwe’ in Zantekoorn. In: Loquela: 4 (Oestmaand 1887) 4, p.26.

In de brief van Deflou wordt de a in Gatouwe telkens onderlijnd om het opvallende verschil met de uitspraak “getouwe” (= weefgetouw) aan te duiden. Het streepje boven de eind-e duidt aan dat deze e dof uitgesproken wordt, als de e in het. Zie ook de brief van K. Deflou aan G. Gezelle van 02/07/1888.

[7] Bijblad van Loquela: 7 (Oestmaand 1887) 4, N°63. “J'ai eu entre les mains des manuels, destinés hélas! à l'instruction des enfants du peuple, et où des gravures illustraient ces faussetés, pour les mieux fixer dans les esprits. (...)”. Uit: “La Vérité et le Mensonge dans l'histoire, discours prononce le 23 Août 1887 au Congrès des Sciences Historiques et Archêologiques, à Bruges, par M. Henry Cochin, Membre du Comité Flamand de France. — Dunkerque. Gustave Baudelet, Imprimeur-Editeur, 30, rue Nationale. 1887.”
[8] Vraag in: Bijblad van Loquela: 6 (Sporkele 1887) 10: ”Kent er iemand den zin van 't w. mortorie? Eduard De Dene, Brugge 1561.”
[9] Deflou verhuisde omstreeks het najaar van 1887 van de Garenmarkt 1 te Brugge (zie brief van 16/01/1882) naar de Oude Gentweg 26 of 28 (zie brieven van 08/01/1888, 16/05/1888 en ongedateerd naamkaartje).
[10] Loquela: 7 (Bamesse 1887) 6.
[11] Zantekoorn. In: Loquela: 7 (Bamesse 1887) 6, p.44: ”HAVER UIT DE MOUWE, de. = Slagen.

— Ze zou'n hem daar seffens haver uit de mouwe geven. Geh.? Uit de nalatenschap van zaliger Deken De Bo.”

[12] Gaat over het verhaal “De schoolmeester ten tyde van Maria-Theresia? Zedeschets.” uit de bundel: Avondstonden. Antwerpen: J.E. Buschmann, 1846, p.232-251. Oorspronkelijk “De dorpschoolmeester ten tyde van Maria-Theresia? Een tafereel”, in: De Noordstar: 2 (1841), p.241-258.
[13] Bij het woord.
[14] Zantekoorn. In: Loquela: 7 (Bamesse 1887) 6, p.45: ”KELDEREN, kelderde, gekelderd. = Kwellen, pijne, leed aandoen. — 'k He' twee maanden lang gekelderd geweest van de zilte! Geh. Kortrijk. Dit w. en is niet te verwarren met het gekende boek- en bastaardw. kelderen(2), in den kelder doen, in cellar-ium mittere, in-cellariare. Kelderen(1) is een echt Germaansch, geen Latijnsch VI. w., uitbouw van kwellen, kwelleren (ll = ld) kwelderen, zonder w, kelderen. Vrglk kwatrecht katrecht, verkwazen verkazen, kwagaren kagaren, boekweetekoeke boekeetekoeke, eetekoeke, misvat (h)eete koeke, enz. Het w. en staat nievers bekend, mijns wetens, zelfs niet in Dr de Jagers Frequentativenboek.

Het Hoogduitsch w. kelteren, van kelter, kwaad latijn calcatura, calctura, oud Hoogduitsch calctur, kaltir, ketter, waar de wijn getreden wordt (calcatur) en komt hier insgelijks niet te passe. “

[15] Boven de lettergrepen staan korte en lange horizontale lijntjes om het metrum van het lied aan te geven. Naast de korte strepen die in de transcriptie zijn weergegeven, staan er ook lange strepen boven ”kier“, ”jong” en ”hier”.
[16] Smalle of brede zoom met stenen belegd langs een huis of stal, voetpad langs de straat. Tussen het plankier en de straat ligt een grippe (voor, goot). (De Bo, Westvlaamsch Idioticon).
[17] Zijarm van de Reie die de overdekte marktplaats het Pand passeerde. Het Pandreitje werd vanaf 1769 gedempt en de naam ging over op de straat, die uitgeeft op de Rozenhoedkaai, en later ook op de 17de-eeuwse gevangenis in Brugge, die zich op het einde van het Pandreitje bevond. (Wikipedia)

Register

Correspondenten

NaamDeflou, Karel
Datums° Brugge, 09/07/1853 - ✝ Brugge, 27/06/1931
GeslachtMannelijk
Beroephistoricus; filoloog; letterkundige
BioKarel Deflou was de zoon van een antiquaar-prentenhandelaar in de Gruuthusestraat, naast de drukkerij waar Guido Gezelles ‘Jaer 30’ verscheen. Door het overlijden van zijn vader in 1866 kwam er een einde aan het antiquariaat en kon de jonge Karel niet verder studeren. Na zijn basisonderwijs werd hij bediende, en vervolgens beambte bij de provincie West-Vlaanderen. Hij bekwaamde zich op eigen houtje in de Germaanse en oude talen en legde zich toe op taalstudie en geschiedenis. Vooral de toponymie boeide hem. Hij was een schrijver en historicus met een grote werkkracht en een goed geheugen. De eerste bijdrage die van hem in druk kwam, behandelde de Brugse straatnamen. Vanaf 1879 begon hij de toponiemen te verzamelen, een decennialange bezigheid die in zijn monumentale woordenboek zou uitmonden. Vanaf 1887 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, en vanaf 1926 ook van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie. Verder was hij ook bestuurslid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge sinds 1911, en was hij de eerste bibliothecaris van het Willemsfonds te Brugge. Zijn meesterwerk is het 'Woordenboek der Toponymie in Westelijk Vlaanderen', dat in 18 delen verscheen tussen 1914 en 1938. Nog vooraleer het af was, werd hem hiervoor in 1928 een grootse hulde gebracht en verkreeg hij een eredoctoraat van de KUL. Aanvankelijk sloot Deflou aan bij de kring rond Julius Sabbe. Dankzij de taalkundige belangstelling hebben Deflou en Gezelle elkaar pas echt gevonden in de Loquela-periode. De Flou was in 1882 getrouwd met Eulalie Sylvie Verbrugghe, die ooit nog een buurmeisje van Gezelle was geweest aan de Lange Rei/Potterierei.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamDeflou, Karel
Datums° Brugge, 09/07/1853 - ✝ Brugge, 27/06/1931
GeslachtMannelijk
Beroephistoricus; filoloog; letterkundige
BioKarel Deflou was de zoon van een antiquaar-prentenhandelaar in de Gruuthusestraat, naast de drukkerij waar Guido Gezelles ‘Jaer 30’ verscheen. Door het overlijden van zijn vader in 1866 kwam er een einde aan het antiquariaat en kon de jonge Karel niet verder studeren. Na zijn basisonderwijs werd hij bediende, en vervolgens beambte bij de provincie West-Vlaanderen. Hij bekwaamde zich op eigen houtje in de Germaanse en oude talen en legde zich toe op taalstudie en geschiedenis. Vooral de toponymie boeide hem. Hij was een schrijver en historicus met een grote werkkracht en een goed geheugen. De eerste bijdrage die van hem in druk kwam, behandelde de Brugse straatnamen. Vanaf 1879 begon hij de toponiemen te verzamelen, een decennialange bezigheid die in zijn monumentale woordenboek zou uitmonden. Vanaf 1887 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, en vanaf 1926 ook van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie. Verder was hij ook bestuurslid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge sinds 1911, en was hij de eerste bibliothecaris van het Willemsfonds te Brugge. Zijn meesterwerk is het 'Woordenboek der Toponymie in Westelijk Vlaanderen', dat in 18 delen verscheen tussen 1914 en 1938. Nog vooraleer het af was, werd hem hiervoor in 1928 een grootse hulde gebracht en verkreeg hij een eredoctoraat van de KUL. Aanvankelijk sloot Deflou aan bij de kring rond Julius Sabbe. Dankzij de taalkundige belangstelling hebben Deflou en Gezelle elkaar pas echt gevonden in de Loquela-periode. De Flou was in 1882 getrouwd met Eulalie Sylvie Verbrugghe, die ooit nog een buurmeisje van Gezelle was geweest aan de Lange Rei/Potterierei.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBrugge
GemeenteBrugge

Naam - persoon

NaamDeflou, Karel
Datums° Brugge, 09/07/1853 - ✝ Brugge, 27/06/1931
GeslachtMannelijk
Beroephistoricus; filoloog; letterkundige
BioKarel Deflou was de zoon van een antiquaar-prentenhandelaar in de Gruuthusestraat, naast de drukkerij waar Guido Gezelles ‘Jaer 30’ verscheen. Door het overlijden van zijn vader in 1866 kwam er een einde aan het antiquariaat en kon de jonge Karel niet verder studeren. Na zijn basisonderwijs werd hij bediende, en vervolgens beambte bij de provincie West-Vlaanderen. Hij bekwaamde zich op eigen houtje in de Germaanse en oude talen en legde zich toe op taalstudie en geschiedenis. Vooral de toponymie boeide hem. Hij was een schrijver en historicus met een grote werkkracht en een goed geheugen. De eerste bijdrage die van hem in druk kwam, behandelde de Brugse straatnamen. Vanaf 1879 begon hij de toponiemen te verzamelen, een decennialange bezigheid die in zijn monumentale woordenboek zou uitmonden. Vanaf 1887 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, en vanaf 1926 ook van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie. Verder was hij ook bestuurslid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge sinds 1911, en was hij de eerste bibliothecaris van het Willemsfonds te Brugge. Zijn meesterwerk is het 'Woordenboek der Toponymie in Westelijk Vlaanderen', dat in 18 delen verscheen tussen 1914 en 1938. Nog vooraleer het af was, werd hem hiervoor in 1928 een grootse hulde gebracht en verkreeg hij een eredoctoraat van de KUL. Aanvankelijk sloot Deflou aan bij de kring rond Julius Sabbe. Dankzij de taalkundige belangstelling hebben Deflou en Gezelle elkaar pas echt gevonden in de Loquela-periode. De Flou was in 1882 getrouwd met Eulalie Sylvie Verbrugghe, die ooit nog een buurmeisje van Gezelle was geweest aan de Lange Rei/Potterierei.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamNelis, Aloïs
Datums° Antwerpen, 09/08/1842 - ✝ Leuven, 03/02/1898
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; historicus; auteur
BioAloïs Nelis studeerde aan de normaalschool te Luik en was leraar klassieke talen aan de athenea van Antwerpen (1864), Hasselt (1867) en Brugge (1871). In Brugge was hij bevriend met zijn collega Eusèbe Feys, (die samen met Adolphe Lootens in 1879 de volksliederenverzameling “Chants populaires flamands avec les airs notés et poésies populaires diverses recueillis à Bruges” uitgaf), en met de leraar Nederlands Julius Sabbe, met wie hij in 1884 zetelde in het organiserend comité van het 19de Taal- en Letterkundig Congres, te Brugge. In 1874 trouwde hij met Marie Justine Brouwers, die hij in Hasselt had leren kennen. Nelis was bestuurslid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge van 1877 tot 1889 en bibliothecaris van 1882 tot 1889. Te Brugge was hij ook bevriend met Karel Verschelde, Louis Gilliodts, Edward Gailliard en Adolf Duclos. In 1880 werd Nelis lid, en in 1884 ondervoorzitter van de “Vlaamsche Broederbond” een Brugse vereniging die erkenning van de moedertaal nastreefde. Hij trad er op als voordrachtgever, o.a. over Hendrik Conscience. In 1890 werd hij studieprefect te Brugge en in 1895 te Leuven. Publicaties van hem zijn : La bataille d’Axpoele - 21 juin 1128 (1876-77), Fragment inédit du Spiegel Historiael (1880), Les cartulaires de la prévôté de Saint-Martin à Ypres précédés d'une esquisse sur la prévôté (drie delen, samen met Eusèbe Feys, 1880-1884) en Hendrik Conscience’s leven en werken. Drie voordrachten (Brugge, 1883).
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamDesplenter, Ursula
Datums° 1813 - ✝ Koolskamp, 15/02/1900
GeslachtVrouwelijk
BioUrsula Desplenter werd geboren als dochter van Jacobus Desplenter(e) en Rosalie Tommelein. Ze huwde op 02/06/1852 te Brugge met Karel (Carolus Amandus) Deflou. Ze was de moeder van Karel (Carolus Franciscus Idesbaldus) Deflou. Ze was weduwe sinds 28/07/1866.

Naam - plaats

NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamPittem
GemeentePittem
NaamRoeselare
GemeenteRoeselare

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard
TitelOnze volkstaal, tijdschrift gewijd aan de studie der Nederlandsche tongvallen
Auteurde beer, Tacco H.
Datum1882-1890
PlaatsBlom & Olivierse
UitgeverKuilenburg

Titel29/11/1887, Brugge, Karel Deflou aan [Guido Gezelle]
EditeurLouise Snauwaert
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderDeflou, Karel
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum29/11/1887
VerzendingsplaatsBrugge (Brugge)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 200x131
wit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5942
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|12232
Inhoud
IncipitHet doet mij genoegen dat mijn Mazeltjes
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.