<Resultaat 1345 van 2161

>

p1
Den WelEd. Heer
Johan Winkler te Haarlem.

Zeer geachte vriend,[1]

Gisteravond ontving ik uwen brief[2] waarvoor ik u mijn hartelijken dank betuig. Gij hebt er mij veel genoegen door gedaan, en omdat ik er nu tijd en lust toe heb, wil ik u maar terstond antwoorden. Vooral verheugde mij de toezending van het schrijven van den Eerw. Heer Gezelle. Ben ik u dankbaar, dat gij mijn verzoek wel aan dien achtbaren man hebt willen overbrieven[3] ik ben ook hem ten zeerste erkentelijk voor de groote bereidvaardigheid, die hij ook ditmaal weêr te mijnen opzichte heeft betoond. Wilt gij hem bij gelegenheid mijn welgemeenden dank overbrengen?

Wat nu het gebruik van ont in Vlaanderen betreft, gij ziet, dat mijne veronder-p2stelling juist was. Ont is, voor zoover dat nagegaan kan worden, noch in de middeleeuwen, noch in later tijd in Vlaanderen mondsgemeen geweest[4] wat het wèl was, en gedeeltelijk nog is, in Friesland, Holland, Utrecht, een deel van Gelderland, Kleef en Limburg (de gewesten buiten Noord en Zuid Nederland laat ik hier onvermeld). Hieruit volgt dus, dat het voorkomen van ont in Friesland en van onthier ende in Vlaanderen niet als bewijs kan gelden voor de verwantschap van die beide gouwspraken. Want was dat het geval, dan kon men met nog meer recht besluiten tot nauwe verwantschap van het Limburgsch en het Friesch en van invloed dier beide gouwspraken op elkaar; en daaraan denkt natuurlijk niemand.

Gij zult nu wel van de juistheid dezer gevolgtrekking overtuigd zijn. Hiermee is echter in ’t minst niet aangetoond, dat het Friesch niet van invloed op het Vlaamsch is geweest. Natuurlijk niet. Het bewijst alleen, dat gij in uw opstel over “Frisk end Flaemsk” ongelukkigp3zijt geweest in de keus uwer voorbeelden voor de overeenstemming van die beide taaltakken, iets dat den beste kan overkomen. En dat ik u dat aanwees, zult gij mij natuurlijk niet kwalijk nemen, want zooals gijzelf in “Sljucht en Rjucht”, bl. 113b, 114a schrijft[5] “Ik kin it nammers net altiid fen myn herte forkrye om te swyen as der flaters to boek steld binne, fen saken der ’t ik selfs mei piel[6] zoo gaat het mij ook, en zoo vind ik, dat ieder waarheidlievend mensch er over denken moet.

De Eerw. Heer Gezelle deelt verder in zijn’ brief nog allerlei bijzonderheden over het woord ont mede. Zij waren mij zeer welkom. Daar hij er belang in schijnt te stellen, schrijf ik nog het een en ander over dit woord. Misschien deelt gij hem dan den zakelijken inhoud van dit geschrijf mede, of zendt gij hem, wat nog eenvoudiger is, dit deel van mijnen brief ter lezing.

Ont en onthier ende hebben etymologisch niets te maken met hent(e), hoent.p4Dit wordt dan ook niet door Verdam in zijn Mnl. Wdb. beweerd.[7] Deze zegt alleen (dl. III, 346), dat “ment, went, bis, onthier ende, tote dien dat, tote dat, tote” hetzelfde beteekenen als hent, niét dat zij uit denzelfden stam gesproten zijn. Hoe zou dat ook kunnen, bv. van bis en hent, of tote en hent?

Dit hent, dat dus ook “totaan” beduidt, is ontstaan uit hente, hento, zooals uit de verwante Middelhoogduitsche en Middelnederlandsche vormen blijkt; maar ont heeft niets met heen en toe te maken en onthier is dus niet ontstaan uit henen toe hier. Wis en zeker niet. Het is een heel ander woord, van heel anderen oorsprong, dat alleen toevallig dezelfde beteekenis heeft. Ons ont is van denzelfden stam als het Gotische voorzetsel und (om; totaan; zoolang als) en het voegwoord unte (zoolang als; tot; want; dat). Hieruit alleen reeds blijkt, dat het niets te maken heeft met hent.

Of unte, dat Verdam, III 345 regel 2 v.b, opgeeft als een bijvorm van hente, dat ook werkelijk is, weet ik niet. Ik heb het boek, waarin het voorkomt[8] (Reg. Bisd. 141)p52/niet bij de hand. Maar, oppervlakkig geoordeeld, zou ik het eer voor een’ bijvorm van ont houden. Is het dit echter niet, dan bewijst het niet, dat ont en hent verwant zijn, maar alleen, dat in de latere middeleeuwen de bijvormen der oorspronkelijk verschillende woorden ont en hent dooreen zijn geloopen en beide woorden door het volk niet meer uit elkaar werden gehouden.

Later zal op ont en onthier in het Middelnederlandsch Woordenboek wel worden meegedeeld, wat er van deze woorden en hunne bijvormen bekend is, en in welke Middelnederlandsche boeken zij voorkomen.[9]

De samengestelde vorm onthier ende bestaat uit ont hier ende, dat beteekent: tot hieraantoe dat, tot op het oogenblik dat, totdat. (Voor ende = dat, zie men Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek II 642 op ende 9o)[10]

Of het woord ont (= totaan) nog in andere samengestelde uitdrukkingen voortleeft, weet ik niet. Ont stukken enp6ont tween komen voor, maar of hierin wel ditzelfde ont zit, daaromtrent heb ik nog geen zekerheid. Voorloopig geloof ik niet, dat wij hier met ont (totaan) te doen hebben. Maar ik moet deze zaak eerst ernstig onderzoeken vóór ik in dezen eene beslissing nemen kan.

Ik grond mijn voorloopig oordeel op het volgende: De gewone vorm, waarin ont stukken en ont tween in de middeleeuwen voorkomen, is onstue en ontwee. Wij vinden wel eens vormen met t, maar veel minder vaak dan deze. Wanneer wij nu hiermee vergelijken de Middelnederlandsche woorden entwee, entween, entrouwen, enwech en andere, dan beginnen wij te twijfelen, of die tweede t in onttween er wel in hoort. Het ligt voor de hand om ontwee te beschouwen als een wisselvorm van entwee, gelijk ook door Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek II 674 wordt gedaan.[11] Het eerste deel van de samenstelling is dan het voorzetsel en (toonlooze vorm van in), waaroverp7in Middelnederlandsch Woordenboek II 632 wordt gesproken. Dat ontween tot onttween verbastert, is niet verwonderlijk, want dikwijls worden letters ingeschoven. Dit is b.v. ook het geval in het Hoogduitsche entzwei, dat verkeerdelijk in plaats van het Middelhoogduitsche enzwei is gekomen. Wellicht heeft het volk, dat on- in ontween niet meer begreep, het in verband gebracht met ont, en is zoodoende in het schrijven en spreken de vorm ont tween ontstaan. Evenzoo kan het met onstue, onstucken zijn gegaan, doch hier is de inschuiving eener t moeilijker te verklaren dan in ontween. Ik wijs er hier echter op, dat in verscheidene Middelnederlandsche geschriften de scherpe s aan het begin van een woord, in tegenstelling van de zachte (= z), in het schrift wordt weergegeven door ts. Zoo vindt men b.v. tstat, waar wij stat zouden verwachten, en tsridders voor ’s ridders, Tserclaes voor Serclaes, enz. Nu kan men ook in onstucken deze schrijfwijze hebben aangewend en ontstucken hebben ge-p8schreven, doch onstucken hebben uitgesproken. Later kan men dan ook ontstucken zijn gaan uitspreken, evenals wij b.v. nu van lichaam spreken in plaats van lik-haam, zooals het oorspronkelijk was, alleen omdat de ch in andere woorden als X werd uitgesproken. – Dat men nu in Vlaanderen algemeen ont tween en ont stukken zegt, is geen vast bewijs, dat dit ook de oorspronkelijke en de goede vorm is. – Om deze redenen houd ik het er voor, dat deze uitdrukkingen alleen maar in schijn iets met ont te maken hebben.

Ont- als samenstellend deel van werkwoorden (onthalen, ontstaan, enz) heeft ook een heel anderen oorsprong dan ont (totaan). Het is nl. de toonlooze bijvorm van ant-, dat b.v. nog over is in antwoord. Dit ant- (voor and, anda) is van denzelfden stam als Grieksch ἀντί en Latijnsch ante. In het Gotisch treft men het voorzetsel and nog op zichzelf aan in de beteekenis “langs, over”. In het Oudgermaansch vinden wij vele samenstellingen met and-; tegenwoordig zijn zep93/zeldzaam. In werkwoordelijke samenstellingen ging and- over in den toonloozen vorm end-, ent- (vgl. het Hoogduitsch en Middelnederlandsch,) en hieruit ontwikkelde zich in het Middelnederlandsch en Nederlandsch de bijvorm ont- (vgl. Middelnederlandsch entwee (in het Oosten van ons land) en ontwee (in Vlaanderen, enz)). Hoe ont- aan al de verschillende beteekenissen kwam, die het nu in samenstelling met werkwoorden heeft, kan ik hier natuurlijk niet uiteenzetten; maar over eenigen tijd zal het in het Nederl. Wdb. te lezen zijn, daar de redactie voornemens is de o-reeks voort te zetten. te lezen zijn, daar de redactie voornemens is de o-reeks voort te zetten.[12]

Tot zoover dan over ont. Ik hoop dat u deze uitweiding niet al te erg heeft verveeld. Maar om alles duidelijk uiteen te zetten, kon ik niet korter zijn. Alleen wil ik er dit nog aan toevoegen, ofschoon ik wel denk, dat het onnoodig is. Ten overvloede schrijft ik het u, want ik ben nu bang geworden, dat gij mij verkeerd zoudt kunnen begrijpen, als ik niet alles zeg. Welnu, ik heb aangetoond, dat ont zonder meer geen Vlaamsch woordp10is en dat het dus geen waarde heeft als bewijs voor de overeenstemming tusschen Friesch en Vlaamsch, maar ik heb daarmee niet gezegd, dat ik het afkeur om ont – óók in Vlaanderen – in te voeren en in gebruik te nemen ter afwisseling van “tot”. Natuurlijk niet. Zooals het in Hiawatha gebruikt is, verhoogt het de eigenaardigheid en zangerigheid van dat gedicht. Het gebruik ervan is volstrekt niet in strijd met den aard van onze taal. Er is dus niets tegen de invoering van het woord in te brengen, dan alleen, dat het den eersten tijd niet begrepen zal worden. Maar hoeveel andere woorden zijn er niet, waarvan wij de beteekenis éérst moeten leeren vóór wij die kennen? Dat bezwaar is dus niet groot. Het is dan ook best mogelijk, dat ont na verloop van tijd een gewoon woord wordt in de Vlaamsche schrijftaal en misschien ook in de spreektaal. Het zij zoo. Maar – het woord mag nu nog niet wordenp11opgenomen in een Vlaamsch Idioticon. In geen geval!

Ik heb nu nog een verzoek aan u. Er is een tweede druk van de Bo’s Idioticon in bewerking, reeds verscheidene jaren. Weet gij nu wellicht, hoe het daarmee staat? Mijn boekhandelaar kan er niets van aan de weet komen. Duurt het nog lang eer deze druk uitkomt? Ik wilde mij gaarne een de Bo aanschaffen, en daar ik nu weet, dat er, wellicht zeer spoedig, een tweede, door Gezelle vermeerderde druk uitkomt voor de prijs van omtrent 8 Gulden, daarom kan ik er natuurlijk niet toe besluiten mij een eersten druk op eene verkooping aan te schaffen voor 13 tot 16 Gulden, wat ze gewoonlijk opbrengen. Wanneer nu echter de verschijning van den 2den druk nog “ad Kalendas Graecas[13] wordt uitgesteld, dan denk ik, als zich daartoe eene goede gelegenheid aanbiedt, toch maar een 1sten druk te koo-p12pen. Als gij hier dus iets naders van weet, zoudt gij mij veel genoegen doen door het mij te melden.[14]

Hierbij sluit ik een brief van den Heer Thieme[15] in over den bestuurder van den Navorscher. Gelijk ik u den 10den April schreef, had ik hem mijne bezwaren kenbaar gemaakt. Dit is het antwoord daar op. Wie de nieuwe bestuurder zijn zal?[16] Ik weet het niet, maar ik heb zoo bij mezelf gedacht, of het soms de Heer J.G. Frederiks is. Dat zou er net een man voor zijn. Hij is een veelweter, die in bijna alle vakken thuis is, en een werkzaam man. Tot voor eenige jaren was hij leeraar aan het Amsterdamsch Gymnasium, maar tegenwoordig is hij ambteloos. Hij werkt nu aan het Biographisch Woordenboek van Nederl. schrijvers. Ik maak hier een op niets steunende gissing, maar toch zal ik den Heer Frederiks, als ik hem weder eens spreek, - dat gebeurt zoo een paar maal in het jaar – eens polsen.

Aan het slot van zijnen brief schrijftp134/de Eerw. Heer Gezelle, dat hij gaarne een lijstje van volksnamen voor vlinders ontving[17] Ik kan hem tot mijn spijt in dit opzicht niet van dienst zijn. Alleen zou ik op kunnen geven, wat Dieffenbach is zijn Glossarium opgeeft. Ik weet, dat daar op papilio een zeker aantal Germaansche namen worden opgegeven. Wellicht bezit Gezelle dit boek niet; ik wil u het daar vermelde gaarne op eene briefkaart mededeelen. Schrijf mij er dan bij gelegenheid maar om.

En hiermede eindig ik dezen brief, u nogmaals dankende voor de lezing van den brief van den Eerw. Heer Gezelle en uw Friesch opstelletje, terwijl ik mij na vele hartelijke groeten noem

uwen altijd dienstwilligen dienaar
GJBoekenoogen.

Noten

[1] J. Winkler verstuurt deze brief naar G. Gezelle als bijlage bij zijn brief van 13/05/1890.
[2] Eerder in mei stuurde J. Winkler het antwoord van Gezelle over het woord ”ont”. Zie ook nog later over het woord ”ont" in brief van J. Boekenoogen aan G. Gezelle van 04/07/1890.
[4] J. Winkler en Gezelle zijn het hier niet mee een eens. Zo zegt Gezelle in zijn boek The Song of Hiawatha, op p.196: ”Het w. onthier is mndsgm. In Vlanderen (Z. Schuerm.), zoo wel als ontstuks, dat in Gailliard, en ontween dat in Kiliaen staat; ja, men zou schaars een eeuwenoud, bij ons nog levend w. kunnen vinden, dat zoo veel recht heeft om gebezigd te worden als ont”. (Dries Gevaert, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Licentieverhandeling UGent, Letteren en Wijsbegeerte, 1984, dl.III, p.511)
[5] Fen ’t iene in ’t oare. In: Sljucht en Rjucht : Rym en Onrym: p.113-114.
[6] Piel = moeilijk werk, moeite, last. (Waling Dykstra, Friesch Woordenboek. Deel 2. 1903)
[7] Zie het lemma ”HENT” in: Verwijs & Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek. (online editie).
[8] Op p.141: “alsolanghe unte wi hem ofte holdere des breves daerof (ghe)noch hadden ghedaen”.
[9] Zie de lemma’s ”ONT” en "ONTHIER" in: Verwijs & Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek (online editie).
[10] Zie het lemma ”ENDE”, 9a in: Verwijs & Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek (online editie).
[11] Zie de lemma’s ”ONTWEE” en "ENTWEE" in: Verwijs & Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek (online editie).
[12] In november 1892 werd Deel X, van O tot en met Ooilam voltooid. Pas in augustus 1910 werd Deel XI, van Ooit tot en met Ozon voltooid, waarin het lemma ”ONT” voorkomt.
[13] Voorgoed uitstellen.
[14] De tweede druk van het Westvlaamsch Idioticon van L.L. De Bo kwam er pas in 1892.
[15] Het is niet duidelijk welk lid van de uitgeversfamilie Thieme bedoeld wordt.
[16] Vanaf de 41e jaargang (1891) van het tijdschrift De Navorser werd Jacobus Anspach vervangen J.F. Van Someren, die hoofdredacteur bleef tot en met de 57e jaargang (1908).

Register

Correspondenten

NaamBoekenoogen, Gerrit Jacob
Datums° Wormerveer, 18/04/1868 - ✝ Leiden, 20/08/1930
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige (lexicograaf); volkskundige
VerblijfplaatsNederland
BioGerrit Jan Boekenoogen studeerde onder J. Verdam Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden en promoveerde in 1896 cum laude op een dissertatie over de Zaanse volkstaal. Hij was als redacteur voltijds verbonden aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) en hield zich daarnaast vooral bezig met de studie van sprookjes, rijmpjes, oude raadsels, volksboeken en volksliedjes. Hij was buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde van 12/06/1900 tot 26/08/1930.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst
Bronnen http://www.biografischportaal.nl/persoon/93679017
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamBoekenoogen, Gerrit Jacob
Datums° Wormerveer, 18/04/1868 - ✝ Leiden, 20/08/1930
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige (lexicograaf); volkskundige
VerblijfplaatsNederland
BioGerrit Jan Boekenoogen studeerde onder J. Verdam Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden en promoveerde in 1896 cum laude op een dissertatie over de Zaanse volkstaal. Hij was als redacteur voltijds verbonden aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) en hield zich daarnaast vooral bezig met de studie van sprookjes, rijmpjes, oude raadsels, volksboeken en volksliedjes. Hij was buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde van 12/06/1900 tot 26/08/1930.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst
Bronnen http://www.biografischportaal.nl/persoon/93679017

Briefontvanger

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Plaats van verzending

NaamWormerveer

Naam - persoon

NaamBoekenoogen, Gerrit Jacob
Datums° Wormerveer, 18/04/1868 - ✝ Leiden, 20/08/1930
GeslachtMannelijk
Beroeptaalkundige (lexicograaf); volkskundige
VerblijfplaatsNederland
BioGerrit Jan Boekenoogen studeerde onder J. Verdam Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden en promoveerde in 1896 cum laude op een dissertatie over de Zaanse volkstaal. Hij was als redacteur voltijds verbonden aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) en hield zich daarnaast vooral bezig met de studie van sprookjes, rijmpjes, oude raadsels, volksboeken en volksliedjes. Hij was buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde van 12/06/1900 tot 26/08/1930.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst
Bronnen http://www.biografischportaal.nl/persoon/93679017
NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerdam, Jacob
Datums° Amsterdam, 22/01/1845 - ✝ Amsterdam, 19/07/1919
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; filoloog; rector; auteur
VerblijfplaatsNederland
BioJacob Verdam was een Nederlandse hoogleraar in de Nederlandse taal en het Middelnederlands aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hij werd in 1865 student aan de Leidse universiteit. Door zijn bijzondere gaven op het gebied van de taal- en letterkunde en zijn studiezin werd hij in 1869, vóór zijn promotie, benoemd tot leraar aan het gymnasium te Leiden. In 1872 werd hij doctor in de letteren en zes jaar later verwisselde hij het leraarsvak voor een leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam. In 1891 werd hij benoemd aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij in 1908-09 het ambt van rector heeft waargenomen. Verdam schreef verschillende werken, waaronder het "Middelnederlandsch Woordenboek", dat de gehele taalschat bevatte van het middeleeuwse Nederlands, een werk van grote omvang en van grote waarde. Verder verschenen van zijn hand "Uitgaven van middeleeuwse texten", "Episodes uit Jacob van Maerlants Historie van Troyen", "Spiegel der Sonden", "Uit de geschiedenis van de Nederlandse taal" en tal van verhandelingen, studies en tijdschriftartikelen. Verdam was lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamFrederiks, Johannes Godefridus
Datums° Duinvliet bij Oostkapelle, 24/04/1828 - ✝ Amsterdam, 05/05/1896
GeslachtMannelijk
Beroepprivaatdocent; leraar; auteur
VerblijfplaatsNederland
BioJohannes Godefridus Frederiks werd opgeleid tot leraar in Domburg en gaf les te Middelburg, Colijnsplaat, Drimmelen, Geertruidenberg en Rijswijk. Hij was privaatdocent in Den Haag, waar hij lesgaf aan Japanse officieren. In januari 1872 werd hij leraar geschiedenis en Nederlandse taal- en letterkunde aan de hogereburgerschool te Zutphen en begin 1880 aan het gymnasium te Amsterdam. Hij ging op pensioen in 1886. Zijn bekendste werk is het Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891), dat hij schreef samen met F. Jos van den Branden. Hij gaf geschiedkundige en taalkundige werken uit tussen 1848 en 1884 en publiceerde in verschillende periodieke werken en bladen, zoals Vaderlandsche Letteroefeningen, De Gids en De Nederlandsche Spectator. Ook plaatste hij vanaf 1870 korte bijdragen over geschiedenis, taal en letteren in De Navorscher en andere tijdschriften.
Links[wikipedia], [dbnl]

Naam - plaats

NaamHaarlem
NaamUtrecht
NaamWormerveer
NaamKleef

Naam - instituut/vereniging

NaamUitgeverij Thieme
BeschrijvingHermann Carl Anton Thieme (Wesel, 1770 - Zutphen, 1826) startte in 1795 het familiebedrijf Thieme toen hij de drukkerij van zijn schoonvader A. van Eldik overnam. Na zijn dood ging het over naar zijn zonen Carl Albert (Zutphen, 1793 - Arnhem, 1847), Jan Fredrik (Zutphen, 1798 - Arnhem, 1861), Wilhelm Johan (Zutphen, 1805 - Zutphen, 1867) en Gerrit (Zutphen, 1815 - Rijswijk, 1867), die de drukkerij-uitgeverij en de boekhandels te Arnhem en Zutphen gestaag uitbreidden. Willem (Zutphen, 1834 - Apeldoorn, 1899), de zoon van Wilhelm Johan, verkocht echter zijn deel van het bedrijf in 1862 aan Cornelis Schillemans (Dordrecht, 1840 - Zutphen, 1904), die bleef opereren onder de naam “W.J. Thieme en cie.” en het bedrijf opnieuw deed bloeien. Na de dood van Gerrit Jan Thieme (Arnhem, 1827 - Arnhem, 1889), zoon van Carl Albert, nam zijn weduwe de drukkerij “G.J. Thieme” enkele jaren over, waarna hun zoon, ook Gerrit Jan genoemd (Arnhem, 1872 - Nijmegen, 1945), de leiding nam in 1898 en in datzelfde jaar fusioneerde met drukkerij “H.C.A. Thieme”, opgericht door Jan Fredrik en gelegen te Nijmegen. De fusie werd sterk uitgebreid. Thieme publiceerde vooral educatieve werken, zoals woordenboeken, schoolboeken en grote schoolplaten (wandkaarten). Ook gaf ze van 1888 tot 1897 het tijdschrift De Navorscher uit. Tegenwoordig bestaat Thieme nog als fusie met Meulenhoff Educatief en SMD, onder de noemer Thieme Meulenhoff (sinds 2000).
Datering1795-heden

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelThe Song of Hiawatha. Overgedicht in ‘t Vlaamsch.
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard
TitelFrísk end Flaemsk
AuteurWinkler, Johan
Datum[s.d.]
Plaats[Haarlem]
Uitgever[s.n.]
TitelMiddelnederlandsch Woordenboek
AuteurVerdam, J.
Datum1884
Plaatss Gravenhage
UitgeverM. Nijhoff
TitelDe Navorscher. Tijdschrift, Een middel tot gedachtewisseling en letterkundig verkeer tusschen allen die iets weten, iets te vragen hebben, of iets kunnen oplossen (periodiek)
AuteurLeendertz, P.; e.a.; Winkler, Johan (medewerker)
Datum1851-1960
PlaatsAmsterdam
UitgeverFrederik Muller
TitelBiographisch woordenboek der noord- en zuidnederlandsche letterkunde
AuteurFrederiks, J.G. -en Branden, Van Den, F. Jos
Datum1882-
PlaatsAmsterdam
UitgeverVeen
TitelSljucht en rjucht : rym en onrym.
Datum1890-1941
PlaatsBolsert
UitgeverG.M. Märckelbach
TitelDe registers en rekeningen van het Bisdom Utrecht / 1
AuteurMuller, S.
Datum1889
PlaatsUtrecht
UitgeverKemink
TitelGlossarium latino-germanicum mediae et infimae aetatis
AuteurDiefenbach, Lorenz
Datum1857
PlaatsFrancofurti ad Moenum
UitgeverJ. Baer
TitelWestvlaamsch idioticon [Heruitgave]
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk; Samyn, Joseph
Datum1892
PlaatsGent
UitgeverA. Siffer

Titel10/05/1890, Wormerveer, Gerrit Jacob Boekenoogen aan Johan Winkler
EditeurLouise Snauwaert
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderBoekenoogen, Gerrit Jacob
OntvangerWinkler, Johan
Verzendingsdatum10/05/1890
VerzendingsplaatsWormerveer
Fysieke bijzonderheden
Drager 3 dubbele vellen en enkel vel, 179x115
wit
papiersoort: 13 zijden beschreven; zijde 1 met adres, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden brief is bijlage bij brief van Johan Winkler aan Guido Gezelle van 13/05/1890
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief6322
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|12625
Inhoud
IncipitGisteravond ontving ik
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.