Kortrijk, 7 juli 1893.
Mijn Weerde Heer en de Meester.
Men vraagt mij, U te voete te vallen om een stukje verzen te bekomen dat zou moeten zondag[1] gelezen zijn op de zilveren bruiloft[2] van de echtgenooten Adolf Vervaeke-Noppe.
Daar deze die ‘t mij vraagt (Mr Delplancke griffier ten gehoore)[3] mij soms ook n'en dienst bewijst verstoute ik mij U die vrage te doen en 'k peize wel dat Uwe drukke bezigheden het U zullen toelaten.
Danke op voorhand en mijne geëerde groeten
Vict. Lambrecht
advocaat
Hierbij nadere bepaling van 't onderwerp.[4]
VL.







