<Resultaat 587 van 1907

>

p1
Mijnheer van ’t Vraagveisterken[2]

Morgen vertrek ik naar Lourdes om den 13sten wederom te huis te zijn. Daarom wil ik voór mijn vertrek nog een bitje veisteren[3]

Ziehier de vragen waarover ik u eenige inlichtingen kan geven:

Vr. n° 5 Over eerlem of arlem[4] heb ik nog het volgende gehoord: ’t es klaar lijk eerlem in dat huis. Wilden ze zeggen: er is daar ne keer leven, gerucht; wie dat dat leven voorkomt in een huisgezin met vele jongens, die nooit gerust en staan; wie dat men in dat huis twist, ruzie maakt, krakeelt misschien.

Vr. n° 13. Over deze spreuke[5] was er een die mij zei: ‘k hebbe dadde ol mij leven gehoord. Dadde en es nie moeilijk, ’t wilt zeggen: kijken lijk of damme[6] het nie gebeteren en koste. Hij wilde hij hebben dat deze spreuke nog zoo oud niet en was in den zin dien het volk hem nu toeschrijft.

p2Ge moet weten, zei hij alzoo voor zijn redens, dat in zommerste[7] plekken de honden en vooral de schaaphonden (de getrouwigste van al) dienen om de wacht te houden over den nacht tegen andere honden en katten, om over eene geslachte koe of over geslegen zwijnevlees te waken, om, en bijzonderlijk, om de koeien te wachten. En die honden, men heeft het telkens gehoord door ooggetuigen zouden tot den dood toe gevochten hebben om het hun toevertrouwde ongeschonden te bewaren. Zou het dan iemand verwonderen dat een hond die eene gevoelige beest is, over zieke koeien als wachter en waker gesteld zijnde eenige droefheid zou laten uitschijnen, die nogtans weinig kan baten.

Die medelijdende weemoedigheid is bij de schaaphonden onbetwistbaar, als zij een ziek dier bewaken. Dit getuigen alle schapboeren.

Dat redeneeren schijnt mij nog zoo kwalijk niet!

Vr. n° 14 In die spreuke[8] die in ’t vraagveisterke stond kan er wel scheert voor scheldt in geschoven zijn. Nogtans ‘k peis ik dat er moeten sinds lang twee spreuken bestaan. Te Gulleghem hoort men bijna nooit: men scheert geen koe op een haar; maar welp3’t en staat up geen haar van zoumme[9] en koe scheert, ‘t zijn er genoeg. Gemeenelijk voegt men ’t staat er genoeg nog derbij zoo dat men wilt zeggen ’t en staat up geen bitje, g’en moet zoo nauwe niet zijn, ’t en komt er daar niet up an. Alzoo is de spreuke klaar en zonder moeilijkheden. Scheren is hier goed, of goed gemaakt.

Alzoo zou de spreuke:

Men heet geen koe blarke
die niet heeft en wit harke

hetzelfde niet zijn met de bovenstaande vermits deze wilt zeggen: waar dat er niet[10] van en es, men kout[11] er niet van. Om nu dat koeiën scheren goed te maken het volk heeft maar haar en scheren voor oogen gehad, peis ik, en dat haar volgens de noodzakelijkheid van de spreuke ofte uitdrukkinge op een dier geplaatst die veel haar had. In gelijker voegen zie vele spreuken in De Bo aan het woord scheren bladz. 986.

Over de andere later misschien.

Vragen:

“’t Zal ook wel ne keer aan uwen haak vriezen” = ge zult ook wel ne keer in verlegenheid zijn. Maar van waar dien

p4haak, wat bediedt hij?

"Hij en kan geen puid meer bichten" = hij is uit, t' enden. machteloos in alle zinnen. Heeft men nog eens de puiden gebicht of wat is het?

Hertelijk gegroet, Mijnheer,
Bruno Vander Stichele

Noten

[1] september
[2] Een vraag-en antwoordrubriek in de Gazette van Kortrijk.
[3] Verwijzing naar de rubriek Vraagveisterke in de Gazette van Kortrijk. Veisteren betekent dan: zich met de vragen in Vraagveisterke bezig houden.
[4] De vraag naar de betekenis van eerlem of arlem werd gesteld in het Vraagveisterke in de Gazette van Kortrijk van 27/07/1883, p.2. Het antwoord van Bruno Vander Stichele, hoewel niet doorstreept, werd niet gepubliceerd.
[5] De spreuk, zelf niet vermeld in de brief, is: “Kijken lijk een hond op een zieke koe”. Bruno Vander Stichele antwoordt hier op de vraag naar de betekenis ervan, gesteld in het Vraagveisterke in de Gazette van Kortrijk van 11/08/1883, p.2. Zijn antwoord, hier doorstreept, werd niet gepubliceerd.
[6] Damme = dat we, maar dan moet een meervoudige persoonsvorm volgen, wat hier niet zo is. Misschien is damme dan dat men (want in de brief gevolgd door een enkelvoudige persoonsvorm). Men is schrijftaal, in de spreektaal gebruikt de West-Vlaming “ge”, of “ne mens”.
eerlem
[7] Zommerste = sommige. Elders in West-Vlaanderen zegt men “sommigte”. Oudere mensen gebruiken nog het woord “semogte” (twee doffe e’s, en klemtoon op o). Semogte mensen heen nog noois gin koe gezien. Ze doen da nog, ip semogte platsen.
[8] De spreuk is: “Men scheert geen koe op een haar”. Bruno Vander Stichele antwoordt hier op de vraag naar de betekenis ervan, gesteld in het Vraagveisterke in de Gazette van Kortrijk van 11/08/1883, p.2. Zijn antwoord werd niet gepubliceerd. Guido Gezelle publiceert wel de spreuk “Men scheert geen hond op een haar” in Duikalmanak, 24/08/1889 (Boets, Spreuken en gezegden, 1993, p.294)
[9] Zoumme (schrijfwijze vgl. damme) betekent “zou men”, maar na de voorwaardelijke wijs “zou” moet er een infinitief (scheren) volgen, wat hier niet het geval is. Een andere mogelijkheid is zoumme = zoo men (= als men) een koe scheert., waarbij zoo met zachtlange oo uitgesproken wordt.
[10] Niet = niets: Je wit van niet = Hij weet van niets.
[11] Kouten = Zuid-West-Vlaams: spreken, praten, babbelen.
Men heet geen koe blarke ‘t zal aan uwen haak vriezen

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVander Stichele, Bruno Carolus
Datums° Gullegem, 23/06/1862 - ✝ Gullegem, 20/12/1940
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; aalmoezenier
BioBruno Vanderstichele werd geboren als zoon van Charles Vander Stichele, vlaskoopman te Gullegem, en Rosalie Nuttens. Met zijn familie woonde hij in de oude pastorie waar een familielid van Gezelle werkzaam was als inslapende meid. Gezelle kwam er vaak spelen tijdens de grote vakanties en raakte zo bekend met de familie Vander Stichele. Bruno Vander Stichele werd op 26 mei 1888 tot priester gewijd in de Sint-Salvatorkathedraal te Brugge. Op 18 september 1888 werd hij aangesteld als leraar in het Sint-Amandscollege te Kortrijk-Harelbeke. Daarna werd hij op 4 mei 1892 onderpastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw Bezoeking te Lissewege. Op 5 november 1897 werd hij onderpastoor van de parochie Sint-Antonius te Ingooigem, waar hij ongetwijfeld Gezelle's neef Frank Lateur (Stijn Streuvels) gekend heeft, die daar in 1905 in het Lijsternest kwam wonen. Op 4 november 1908 nam Bruno Vander Stichele ontslag en werd hij aalmoezenier te Wielsbeke en nadien te Moorsele. Priester Bruno Vander Stichele was een enthousiast zanter voor Guido Gezelle en schreef hem brieven met antwoorden op vragen in Loquela en eigen vondsten. Deze Bruno Vander Stichele mag niet verward worden met zijn oudere oom, peter en naamgenoot kanunnik Bruno Vander Stichele, die in Newcastle (Engeland) woonde. Het was van het Engelstalige doodsprentje van deze oom dat Bruno Vander Stichele op 14 februari 1886 een Vlaamse vertaling vroeg aan Guido Gezelle. Als priester op rust woonde hij samen met zijn zus Christina Vander Stichele in de Bissegemstraat 122 te Gullegem.
Links[odis]
Relatie tot Gezellezanter; medewerker aan Loquela; correspondent
Bronnencontact met de nazaten van de familie Vander Stichele

Briefschrijver

NaamVander Stichele, Bruno Carolus
Datums° Gullegem, 23/06/1862 - ✝ Gullegem, 20/12/1940
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; aalmoezenier
BioBruno Vanderstichele werd geboren als zoon van Charles Vander Stichele, vlaskoopman te Gullegem, en Rosalie Nuttens. Met zijn familie woonde hij in de oude pastorie waar een familielid van Gezelle werkzaam was als inslapende meid. Gezelle kwam er vaak spelen tijdens de grote vakanties en raakte zo bekend met de familie Vander Stichele. Bruno Vander Stichele werd op 26 mei 1888 tot priester gewijd in de Sint-Salvatorkathedraal te Brugge. Op 18 september 1888 werd hij aangesteld als leraar in het Sint-Amandscollege te Kortrijk-Harelbeke. Daarna werd hij op 4 mei 1892 onderpastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw Bezoeking te Lissewege. Op 5 november 1897 werd hij onderpastoor van de parochie Sint-Antonius te Ingooigem, waar hij ongetwijfeld Gezelle's neef Frank Lateur (Stijn Streuvels) gekend heeft, die daar in 1905 in het Lijsternest kwam wonen. Op 4 november 1908 nam Bruno Vander Stichele ontslag en werd hij aalmoezenier te Wielsbeke en nadien te Moorsele. Priester Bruno Vander Stichele was een enthousiast zanter voor Guido Gezelle en schreef hem brieven met antwoorden op vragen in Loquela en eigen vondsten. Deze Bruno Vander Stichele mag niet verward worden met zijn oudere oom, peter en naamgenoot kanunnik Bruno Vander Stichele, die in Newcastle (Engeland) woonde. Het was van het Engelstalige doodsprentje van deze oom dat Bruno Vander Stichele op 14 februari 1886 een Vlaamse vertaling vroeg aan Guido Gezelle. Als priester op rust woonde hij samen met zijn zus Christina Vander Stichele in de Bissegemstraat 122 te Gullegem.
Links[odis]
Relatie tot Gezellezanter; medewerker aan Loquela; correspondent
Bronnencontact met de nazaten van de familie Vander Stichele

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamGullegem
GemeenteWevelgem

Naam - persoon

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVander Stichele, Bruno Carolus
Datums° Gullegem, 23/06/1862 - ✝ Gullegem, 20/12/1940
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; aalmoezenier
BioBruno Vanderstichele werd geboren als zoon van Charles Vander Stichele, vlaskoopman te Gullegem, en Rosalie Nuttens. Met zijn familie woonde hij in de oude pastorie waar een familielid van Gezelle werkzaam was als inslapende meid. Gezelle kwam er vaak spelen tijdens de grote vakanties en raakte zo bekend met de familie Vander Stichele. Bruno Vander Stichele werd op 26 mei 1888 tot priester gewijd in de Sint-Salvatorkathedraal te Brugge. Op 18 september 1888 werd hij aangesteld als leraar in het Sint-Amandscollege te Kortrijk-Harelbeke. Daarna werd hij op 4 mei 1892 onderpastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw Bezoeking te Lissewege. Op 5 november 1897 werd hij onderpastoor van de parochie Sint-Antonius te Ingooigem, waar hij ongetwijfeld Gezelle's neef Frank Lateur (Stijn Streuvels) gekend heeft, die daar in 1905 in het Lijsternest kwam wonen. Op 4 november 1908 nam Bruno Vander Stichele ontslag en werd hij aalmoezenier te Wielsbeke en nadien te Moorsele. Priester Bruno Vander Stichele was een enthousiast zanter voor Guido Gezelle en schreef hem brieven met antwoorden op vragen in Loquela en eigen vondsten. Deze Bruno Vander Stichele mag niet verward worden met zijn oudere oom, peter en naamgenoot kanunnik Bruno Vander Stichele, die in Newcastle (Engeland) woonde. Het was van het Engelstalige doodsprentje van deze oom dat Bruno Vander Stichele op 14 februari 1886 een Vlaamse vertaling vroeg aan Guido Gezelle. Als priester op rust woonde hij samen met zijn zus Christina Vander Stichele in de Bissegemstraat 122 te Gullegem.
Links[odis]
Relatie tot Gezellezanter; medewerker aan Loquela; correspondent
Bronnencontact met de nazaten van de familie Vander Stichele

Naam - plaats

NaamGullegem
GemeenteWevelgem
NaamLourdes

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Vander Stichele, Bruno Carolus

Correspondenten

Gezelle, Guido
Vander Stichele, Bruno Carolus

Naam - persoon

Gezelle, Guido
Vander Stichele, Bruno Carolus

Naam - plaats

Gullegem
Lourdes

Plaats van verzending

Gullegem

Titel - ander werk

Westvlaamsch idioticon

Titel02/09/1883, Gullegem, Bruno Carolus Vander Stichele aan [Guido Gezelle]
EditeurJohan Van Eenoo
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderVander Stichele, Bruno Carolus
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum02/09/1883
VerzendingsplaatsGullegem (Wevelgem)
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; Gezelle verwerkte de laatste stukken van de brief tot twee taalkundige fiches met als lemmata: "Men heet geen koe blarke" en "'t Zal aan uwen haak vriezen"
Fysieke bijzonderheden
Drager 4 enkele vellen, enkel vel 1: 102x119 ; enkel vel 2: 103x134 ; enkel vel 3: 103x133 ; enkel vel 4: 104x133
wit, vierkant geruit
papiersoort: 7 zijden beschreven, purperen inkt
Staat volledig: brief verknipt tot vier taalkundige fiches en gereconstrueerd
Toevoegingen op zijden 3, 5 en 7 links in de zijrand: taalkundige notitie: eerlem; Men heet geen koe blarke 't zal aan uwen haak vriezen (inkt, verticaal, alles hand G.G.); op zijden 1, 2, 3 en 4 stukken tekst met blauw potlood doorgehaald
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief3310 + 3322, E fiche 17 + 2711
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|15222
Inhoud
IncipitMorgen vertrek ik naar Lourdes
Samenvatting spreuken en zegswijzen; taalkunde o.a. schaaphonden
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.