<Resultaat 564 van 2182

>

p1
Mijn Achtbare Heer Professor

Ik heb u eene preuve gezonden van Loquela N° 2.[1] met eene vrage erin of de neten in een gespleten haar zitten ofwel rondom het geheel gelaten haar genepen zijn.[2]

Aarbubbel heet bij De Bo Clitoris vaccæ[3] bubbel[4] is verstaanbaar, wat[5] zou aar of haar beteekenen? Is het aar contractio ex[6] ander?

haar = crines?[7]

haar = acies, acuitas?[8]

haren = urinare[9]

aar contractio ex ader, gelijk spanaar = spanader[10] Wat dunkt u ‘t beste? 't Laatste?

Zoudt gij niet willen het hierbij liggende[11] van uwe hand ne keer leesbaar uitscchrijven?[12]

Dank u dank u op voorhand platduitsche bemerkingen hoogst welgekomen, Madam![13]

ulieden in Christo
Guido G

volti subito plano[14]

p2p3

Zitte met nog een blad in mijne kop:

Anna Biins

een jaartijdbladtje voor vlaamsche Vrouwen, (4 keers 's jaars)[15]

voorjaartijd.

zomertijd.

oesttijd.

najaartijd.

Prachtdruk S. Augustin drukkerije stoffe:

1° stuk biographie b.v. Anna Bijns, en andere vlaamsche vrouwen

2° stuk oude Poësis of prosa

3° stuk nieuw dito

4° nature, blomme symbolisme etc

5 kinderkamer, raadsels etc.

6 genealogie, edeldom, brieven van

7 uitlandige vlaamsche vrouwen. pluksels uit Engeland duitschland America de Vrouw betreffende. Geen eigentlijke (ex professo)[16] religie etc. Nature et ce qui s'en suit. Geen abonnenten 't en zij Damen, elk 12 N°s die ze afzenden aan 11 subabonnenten, die 't voor niet krijgen. Quid tibi videtur?[17] Om 't vlaamsch weer eenen mond te verleenen en wie weet heringang in de vrouwelijke moederlijke herten van vlaanderen

Noten

[1] Nr. 2 is het juninummer van Loquela, wat niet overeenkomt met de datering van de brief. Mogelijk is het een verwijzing naar de de 2e vraag in de rubriek ‘Vragen en antwoorden’ uit Loquela. De tijdschriftnummering is weergegeven met een komma: N°2, de nummering van de vragen met een punt: N°2. De lemmata zijn niet verschenen in Loquela 1881-1883.
[2] Gustaaf Verriest geeft antwoord op deze vraag in zijn brief aan Guido Gezelle van 02/02/1882: “P.S! De neten zitten zeker en vast rond het haar niet derdoor.” De datering van deze brief gebeurde op basis van de brief van 02/02/1882.

In de kantlijn met rood potlood nummering van Guido Gezelle: 1° (r.3-4).

[3] Vertaling Miet Hubrecht (Latijn): de clitoris van een koe.
[4] Bubbel komt van het Griekse woord κλιτύς ‘klitus’: helling, heuvel, in-clinatie.
[5] In de kantlijn met rood potlood nummering van Guido Gezelle: 2° (r.5-6).
[6] Vertaling Miet Hubrecht (Latijn): samentrekking uit.
[7] Vertaling en verklaring Miet Hubrecht (Latijn): meervoud van het woord crinis-is (m): haar, (verzamelnaam) het geheel van de haren, de verzameling haren.

Zie ook: Guido Gezelle, Zeen, zene zenuwe. In: Loquela: 3 (Sporkele 1884) 10, p.78-79: “(...) Haar is crines en haar (vrglk ons hœrel) is linum, vlasch te zeggen in 't oud germaansch (...)”.

[8] Vertaling en verklaring Miet Hubrecht (Latijn) acies-iei (v) of acuitas, -tatis (v): scherpte, punt van een lans of een beitel.
[9] Vertaling en verklaring Miet Hubrecht (Italiaans): wateren; in het Latijn bestaat: urinari: (onder water) duiken.
[10] Over ’spanader‘ zie o.m.: Guido Gezelle, Reinarderie. In: Loquela: 2 (Oostermaand 1883) 12, p.92.
[11] Dit gaat over de notities gekleefd op pagina 2.
[12] In de kantlijn met rood potlood nummering van Guido Gezelle: 3° (r.12-13).
[13] De echtgenote van Gustaaf Verriest, Louise Niermann, stuurde via brieven van haar echtgenoot regelmatig uitdrukkingen uit het Duits mee. (Guido Gezelle, P.G. De Bruijn (editeur), Guido Gezelles handschriften uit het Engels klooster te Brugge. Antwerpen: UFSIA. Centrum voor Gezellestudie, 1991, p.58)
[14] Vertaling (Latijn): Keer snel dit blaadje om.
Al op myn vaders bogaerdWaerwie waerwêe waerwisEn al die appelstikkenVerscheiden alhierZe schuiven en ze kruipenèlk in zy kwaertier- - - - - - - -
[15] Het tijdschrift is nooit verschenen. Guido Gezelle sprak er vroeger wel al over met andere mensen. Zo reageerde M.L. Adriaenssen op dit plan in een brief aan Guido Gezelle van 06/06/1881. Hij zag het plan niet lukken: “De opvoeding onzer Vlaamsche Vrouwen is tot nog toe veel te Fransch, en Anna Bijns zou misschien bij de koele ontvangst, die haar bij hare nanichten te beurt zou vallen, met verkropt gemoed terugdeinzen.”
[16] Vertaling (Latijn): letterlijk: uit het beroep; deskundige.
[17] Vertaling Miet Hubrecht (Latijn): Wat lijkt jou goed? Wat denk je? Wat dunkt u ‘t beste?.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerriest, Gustaaf
Datums° Deerlijk, 19/05/1843 - ✝ St. Cloud, Parijs, 25/06/1918
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioGustaaf Verriest was pas 10 jaar oud toen hij ingeschreven werd in het pensionaat van het kleinseminarie te Roeselare. Hij was dan ook de jongste van Gezelles poësisklas in het schooljaar 1858-1859. De levenslang aangehouden briefwisseling en de talrijke gedichten van Gezelle voor Gustaaf getuigen van een bijzonder nauwe band tussen de jonge, nog wat kinderlijke leerling en zijn leraar. Ook de familie Verriest had een grote genegenheid voor Gezelle, die nog met de oudste zoon Adolf gestudeerd had. Hoe licht is toch die sparke vier (07/08/1858) is geschreven naar aanleiding van een nachtmerrie van Gustaaf, maar tevens opgedragen aan zijn oudere broer Hugo Verriest en Eugeen Van Oye. Waarom en kunnen wij niet (04/01/1859) Brief (12/01/1859), O vriend wat schaadt of baat het ons, (02/02/1859) en Nu of nooit! (02/02/1859) zijn persoonlijk gericht aan Gustaaf Verriest. Gezelle wou hiermee de jongen steunen die een mogelijke priesterroeping ernstig nam en naar aanleiding daarvan worstelde met een sterk besef van zwakte en zondigheid. Uiteindelijk besloot Verriest geneeskunde te studeren, eerst in Leuven en later in Wenen. Hij was dokter in Wervik van 1869 tot 1873 en trok daarna naar Duitsland om er verder te studeren. Op 21 september 1876 huwde hij te Münster met Louise Niermann, waarmee hij zes kinderen kreeg. Vanaf 1876 werd hij professor aan de K.U. Leuven tot 1911. Na Gezelles dood ging hij op zoek naar een wetenschappelijke verklaring voor het dichterlijke genie van zijn oud-leraar.
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamVerriest, Gustaaf
Datums° Deerlijk, 19/05/1843 - ✝ St. Cloud, Parijs, 25/06/1918
GeslachtMannelijk
Beroeparts
BioGustaaf Verriest was pas 10 jaar oud toen hij ingeschreven werd in het pensionaat van het kleinseminarie te Roeselare. Hij was dan ook de jongste van Gezelles poësisklas in het schooljaar 1858-1859. De levenslang aangehouden briefwisseling en de talrijke gedichten van Gezelle voor Gustaaf getuigen van een bijzonder nauwe band tussen de jonge, nog wat kinderlijke leerling en zijn leraar. Ook de familie Verriest had een grote genegenheid voor Gezelle, die nog met de oudste zoon Adolf gestudeerd had. Hoe licht is toch die sparke vier (07/08/1858) is geschreven naar aanleiding van een nachtmerrie van Gustaaf, maar tevens opgedragen aan zijn oudere broer Hugo Verriest en Eugeen Van Oye. Waarom en kunnen wij niet (04/01/1859) Brief (12/01/1859), O vriend wat schaadt of baat het ons, (02/02/1859) en Nu of nooit! (02/02/1859) zijn persoonlijk gericht aan Gustaaf Verriest. Gezelle wou hiermee de jongen steunen die een mogelijke priesterroeping ernstig nam en naar aanleiding daarvan worstelde met een sterk besef van zwakte en zondigheid. Uiteindelijk besloot Verriest geneeskunde te studeren, eerst in Leuven en later in Wenen. Hij was dokter in Wervik van 1869 tot 1873 en trok daarna naar Duitsland om er verder te studeren. Op 21 september 1876 huwde hij te Münster met Louise Niermann, waarmee hij zes kinderen kreeg. Vanaf 1876 werd hij professor aan de K.U. Leuven tot 1911. Na Gezelles dood ging hij op zoek naar een wetenschappelijke verklaring voor het dichterlijke genie van zijn oud-leraar.
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamAdriaenssen, Marcel Louis
Datums° Retie, 15/05/1846 - ✝ Namur, 10/12/1908
GeslachtMannelijk
Beroeponderpastoor; legeraalmoezenier
BioMarcel Louis Adriaenssen werd geboren in Retie op 15 mei 1846 in een bakkersgezin. Hij kreeg zijn opleiding aan het college van Geel en zijn priesteropleiding aan het Grootseminarie Mechelen. Op 21 januari 1869 werd hij aangesteld in Brussel, eerst als onderpastoor op de Sint-Pieterparochie te Jette, vanaf 29 september 1873 op Sint-Katelijne. Daarna verhuisde hij naar Namen, waar hij 16 april 1887 tot 25 september 1908 legeraalmoezenier was in het Militair hospitaal en garnizoen. Hij combineerde deze functie met het beheer van een verbeteringsgesticht waar vijfhonderd jongeren verbleven en de biecht van de kostschool van Malonne en het Instituut Sœurs du Bon Pasteur te Namen. In 1904 werd hij benoemd tot kanunnik bij de kathedraal van Namen. Adriaenssen was een pleitbezorger voor het Vlaams in Brussel en zeer sociaal ingesteld. In 1875 was hij samen met zijn zeven jaar oudere broer Godfried medeoprichter van de lokale Davidsfondsafdeling. Een jaar later gaven ze het Vlaams-katholieke weekblad “De Brusselaar” uit, met als ondertitel “godsdienst, vaderland, moedertaal”, dat tot 1889 bestond. Hij was ook literair actief met landelijke verhalen. Adriaenssen begon in 1881 met Gezelle te corresponderen over Loquela. Hij was abonnee en stuurde hem Brabantse uitdrukkingen. Gezelle legde hem zijn plan voor een vrouwentijdschrift voor. In 1889 schreef Adriaenssen een gedicht voor het krijgen van het Pauselijk Kruis en het ereteken van Ridder in de Leopoldsorde.
Links[odis]
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; schreef een eredicht op 23/03/1889 voor Guido Gezelle voor het krijgen van het Pauselijk Kruis (Pro Ecclesia et Pontifice) en ereteken van Ridder in de Leopoldsorde (beide verkregen in 1889) (nr.10266)
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamNiermann, Louise Anne Frédérique
Datums° Wiedenbruck, 04/11/1844 - ✝ Leuven, 19/03/1923
GeslachtVrouwelijk
VerblijfplaatsDuitsland
BioLouise Niermann werd op 4 november 1844 te Wiedenbruck geboren als dochter van Conrad Niermann en Arnoldine Tuckemeyer. Op 21 september 1876 huwde ze te Münster met Gustaaf Verriest, waarmee ze zes kinderen kreeg. Ze overleed te Leuven in 1923.
Bronnen https://gw.geneanet.org/jandeloof?lang=nl&p=louise+anne+frederique&n=niermann
NaamBijns, Anna
Datums° Antwerpen, 05/03/1493 - ✝ Antwerpen, 10/04/1575
GeslachtVrouwelijk
Beroepdichter; lerares
BioAnna Bijns werd in 1493 geboren als oudste dochter van een Antwerpse kleermaker. Bijns kwam in aanraking met de woordkunst via haar vader, die zich in rederijkerskringen bewoog en van wiens hand er ook minstens één refrein bekend is. Na haar vaders dood opende ze samen met haar broer Maarten een schooltje in Antwerpen. Dit zette ze na diens huwelijk ook zelf nog tot haar tachtigste levensjaar voort als een van de zeldzame vrouwen die deel uit mocht maken van de broederschap van onderwijsgevenden. Bijns’ literaire werk bestaat uit religieuze en moraliserende gedichten, fel polemische refreinen tegen Luther, liefdesgedichten en satires
Links[wikipedia], [dbnl]

Naam - instituut/vereniging

NaamDesclée-De Brouwer
BeschrijvingDe Brugse Augustinusdrukkerij werd in 1877 gesticht door de Doornikse uitgevers Henri (1830-1917) en Jules Desclée (1833-1911) samen met hun schoonbroer Alphonse De Brouwer (1850-1937), die in Brugge woonde. Met de steun van baron J.B. de Béthune ontwikkelde ze een reeks van neogothische lithografische en gedrukte producten. Vanaf 1889 stond de lithografische afdeling onder leiding van Gezelles kennis P. Raoux. Gezelles oudleerling I. Fraeys was er aalmoezenier. Ze drukten o.m. de Duikalmanak en verschillende gelegenheidsgedichten. In de loop van de twingste eeuw zouden ze onder de naam Desclée De Brouwer uitgroeien tot een internationale uitgeverij.
Datering1877-heden
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard

Indextermen

Briefontvanger

Verriest, Gustaaf

Briefschrijver

Gezelle, Guido

Correspondenten

Gezelle, Guido
Verriest, Gustaaf

Naam - instituut/vereniging

Desclée-De Brouwer

Naam - persoon

Adriaenssen, Marcel Louis
Gezelle, Guido
Niermann, Louise Anne Frédérique
Bijns, Anna

Plaats van verzending

Kortrijk

Titel - ander werk

Westvlaamsch idioticon

Titel - werk van Guido Gezelle

Loquela

Titelxx/[01/1882], [Kortrijk], Guido Gezelle aan [Gustaaf Verriest]
EditeurAurélie Lemmens
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2024
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Verriest, Gustaaf]
Verzendingsdatumxx/[01/1882]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieAdressant, datum en plaats gereconstrueerd op basis van publicatie; Fotokopie in archief; Locatie origineel: brief is aanwezig in het Engels Klooster, Brugge, nr. IB 12.
Gepubliceerd inGuido Gezelles handschriften in het Engels Klooster te Brugge / door P.G. De Bruijn. - Antwerpen : UFSIA / Centrum voor Gezellestudie, 1991, p.56-57
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel, 211x137; 65x102
wit, rechthoekig geruit; wit gelijnd: opgekleefd rijmpje
papiersoort: 2 zijden beschreven (brief op zijde 1 en 3); op zijde 2 opgekleefd rijmpje, purperen inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op zijde 2 opgekleefd rijmpje in handschrift van Gustaaf Verriest: Al op myn vaders bogaerd Waerwie waerwêe waerwis En al die appelstikken Verscheiden alhier Ze schuiven en ze kruipen èlk in zy kwaertier - - - - - - - -
Toevoegingen op zijde 1 in de rechterbovenhoek, omkaderd: Dr G Verriest Leuven (inkt, hand G. Verriest); in de kantlijn: nummering (rood potlood, hand G.G.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsEngels Klooster
ID Gezellearchief12832, 18 (4) ; Engels Klooster, Brugge, nr. IB 12
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|25376
Inhoud
IncipitIk heb u eene preuve gez. van Loquela
Samenvatting taalkunde: over toegestuurde drukproef aan Verriest van Loquela Nr.2 met vraag over "neten"; vraagt aan Verriest informatie over de woorden "aarbubbel", "haar", "haren" en "spanader" (cfr. Zeen, zene zenuwe. in: Loquela. - nr.10 (Sporkele 1884), p.78-79)
Tekstsoortbrief
TalenNederlands; Frans; Latijn
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.