<Resultaat 614 van 2126

>

p1
Eerweerde Heer en Vriend!

Heden morgen heb ik, tot mijn blijdschap, een uurke vrij, en 'k wil dat geerne besteden om U weer eens wat te schrijven, en uwen laatsten brief[1] te beantwoorden. In dien brief waren weer eenige voor mij hoogst belangrijke aanteekeningen gesloten, aangaande 't hoofdijzer in Vlaanderen[2] Ik zegge U daarvoor bij dezen mijn herteliksten dank. Waarlik, Gij maakt mij verlegen, met zoo veel voor mij te doene, en mij zoo uwe goede jonste[3] te toonen; ik ben er in begaan! Nogmaals mijn besten dank!

Wat is er dus nog veel van hoofdijzers te vinden in uw Vaderland! Hoe veel meer dan ik ooit had kunnen vermoeden![4] En te weten, dat het juist de vrouliên zijn van frieschen stam, die hoofdijzers dragen, overal, van de Elve[5] en daar benoorden, tot de Schelde en daar bezuden! Uwe vlaamsche kerels in de middeleeuen, waren ongetwijfeld reine Friesen. Het friesche bloed, de friesche volksaard, vrij en vroed, slecht en recht, zit nog vast in 't hedendaagsche nakroost der oude Vlamingen. Ik speure 't in alles p2bij U, en de Heeren Duclos, de Bo, Gaillard, en met welke wakkere Vlamingen ik maar meer de eere en het genoegen heb in kennis te zijn gekomen.

Mij wondert het maar, dat er nog zoo vele van 't hoofdijzer in Vlaanderen te vinden is, terwijl het toch uw eigen aandacht schijnt te zijn ontgaan! Heeft nooit een vlaamsche oudheidkundige aan dit onderwerp zijn opmerkzaamheid gewijd?

Ja, dat “oorijzer = pootijzer hier en daar in Noord-Holland"[6] heb ik in Noord en Zuid, in "den beerput" (gelijk men hier dat fraaie tijdschrift wel noemt)) wel gelezen. De man die dat daarin plaatsen liet, heeft lijkwel niet goed gehoord. "Pootijzer" wordt nooit gezeid, wel "poothaarnaald, pootnaald", gelijk ik reeds in de noot op bl. 22 van den overdruk van mijn opstel "Een en ander aangaande de kleederdracht der Friesinnen"[7] in uw bezit[8] meedeelde. Maar de pootnaald en is het hoofdijzer niet. Ik heb een stukske geschreven om deze verkeerde opgave in Noord & Zuid te wraken. In 't volgende nummer zal men 't opnemen, denk ik.[9] Het woord hoofdijzer is beter dan oorijzer. In Friesland gebruikt men uitsluitend het laatste woord, in Holland ook wel het eerste. Uwe afleiding van dit verkeerd verstane woord pootijzer van hood-, hoofdijzer kan ik niet aannemen, van hoe veel scherpzinnigheid ze ook moge getugen. Want dit noordhollandsche woord p3poot is het oudfriesche woord porta = voorhoofd, stern. Zie ook mijn Dialecticon, I, 440.[10]

Wat Gij mij meldt[11] aangaande blonde menschen, met germaanschen typus onder de kabylen[12] van Noord-Afrika, is ongetwijfeld zeer belangrijk en merkweerdig. Hoogst waarschijnlik zijn dit afstammelingen der oude Wandalen[13] zoo als Gij te recht aanmerkt. De zaak is bij de geleerden; bij d'Ethnologen[14] vooral, geenszins onbekend. Herhaalde malen is reeds door reizigers in die streken op dit feit gewezen, in verschillende geschriften. Mij kwam het meer dan eens onder d'oogen. Men weet er nog niet genoeg van, om met eenige zekerheid een oordeel te kunnen vellen. Ware Algiers in germaansche handen, in plaats van in romaansche, we zouden reeds sedert lange alles van deze zake geweten hebben!

Uwe aankondiging en beoordeeling van G.'s Glossarium[15] zond ik ter plaatsing in aan de Nederlandsche Spectator, een letterkundig weekblad, het beste dat wij hebben. Een paar dagen daarna reeds kreeg ik een drukproeve daarvan ter verbetering, een zeker bewijs dat het bestier van ”de Spectator" willens was dat opstel te plaatsten.[16] In die zelfde week zond mij de Heer Gaill. zijn werk ten geschenke, met verzoek daarvan eene aankondiging te geven. Ik voldeed aan dit verzoek, en zond mijne beoordeeling p4Nu aan "De Amsterdammer" die haar terstond plaatste[17] blijde, gelijk 't bestier mij schreef, iets uit mijne penne zijnen lezers te kunnen bieden. Hadde ik Uwe beoordeeling niet reeds aan De Spectator gezonden, dan was de mijne dien weg gegaan; nu kon dat niet. - Misschien heeft de redactie van de Spectator nu, na lezing van mijn eigen opstel in De Amsterdammer, gedacht dat het uwe in haar blad overbodig was, en ziet ze dus van d'opneming af. Misschien, schrijf ik, maar waarschijnliker komt mij voor dat uw opstel toch nog geplaatst worden zal. Want ik zelve heb herhaalde malen ondervonden dat De Spectator eenig handschrift, hem ter plaatsing gezonden, terstond laat drukken, en het soms eerst weken en weken later opneemt. Verschillende, mij dudelike redenen nopen hem zóó te doen. Denkelik zal uw opstel dus ook nog 't licht zien. Zoodra dit het geval is, zend ik U het nummer toe.

Max Rooses' jongste werk[18] las ik nu.[19] Wel! alles en alles bij een genomen, moet ik zeggen dat hij U alle eere geeft die hem, van zijn standpunt, mogelik is. Mij dunkt, Gij kunt te vreden zijn. Hij veroordeelt in 't algemeen de westvlaamsche richting, in 't bijzonder uwe school. Dat verwondert mij van hem niet. En al laakt hij een en ander, en al zeit hij dat van U noch uwe volgelingen hem nooit een merkwaardig gedicht onder d'oogen kwam (of in dien p5p2geest althans), later geeft hij U nog lof en prijs.[20] Hij is uw tegenstander op taalkundig gebied, en zeker ook wel op godsdienstig en staatkundig (en dat heeft ja immer grooten infloed op ons oordeel!); maar hij blijft weerdig en redelik, als een "gentleman". Neen, mij dunkt, Gij kunt tevreden zijn. Deze tegenstander is een "fatsoenlijk" man, zoo als men hier in Holland zeit.

Wat dunkt U van den heer Hansen, den boekwaarder der stede Antwerpen, en van zijn streven, om alle nederduitsch[21] van Duinkerke tot Tonderen en Riga, van de Helder tot Keulen, weer onder een hoed te brengen?[22] Zijn doel is schoon, dunkt mij. Maar is 't te bereiken???

Gisteren ontving ik No 8 van Loquela.[23] Hertelik dank daar voor. Uwe scherpzinnige, en van zoo veel geleerdheid tugende uiteenzettingen lees ik steeds met het allermeeste genoegen.

Gij haalt Dodoens ook aan.[24] Hebt Gij wel opgemerkt uit mijne "friesche eigennamen"[25] dat die groote geleerde ook een Fries was?[26] Zie bl. 37, 38, 39, 40. -

Geeft Gij mij niet te veel eere met telkens in een blad mijn naam zoo met lof te melden?[27] Ik vreeze 't! Ware ik bijgeloovig, 'k zou den wederslag schroomen[28] moeten.

Spoedig na nieuwejaar hoop ik U ietsp6 naders te kunnen melden aangaande een opstel dat ik U voorstel te zamen te schrijven, en in een noord- en zuid-nederlandsch tijdschrift, gezamenlik te plaatsen.[29] Ik ben er al druk mee bezig, en het vlot mij. Gij zult flaamsch schrijven en ik friesch (te weten geen zuiver friesch, wijl het den onfriesen onverstaanbaar is, maar een friesch gekleurd nederduitsch, de volkstaal van mijn geboortestad Leeuwarden, zoo als Gij de volkstaal uwer vaderstad Brugge) en wij zullen het goede recht van eigen vlaamsch en eigenfriesch bepleiten tegenover 't hollandsch.

En nu nog een hertelike groete, want mijn vrije tijd is weer verstreken.
Vaarwel, mijn weerde, hoog geachte Vriend!
In trouwe, Uw
Johan Winkler.

Noten

[1] Deze brief is niet aanwezig in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[2] Het oorijzer was een onderdeel van de vrouwelijke hoofdtooi in de noordelijke provincies van Nederland en Zeeland. Oorspronkelijk werd deze metalen beugel voor rond het hoofd gebruikt om mutsen of haar op de plaats te houden, maar uiteindelijk groeide het uit tot pronkstuk. Het kreeg de naam ’oorijzer’ doordat het vaak enkel zichtbaar was ter hoogte van de oren. In de 19e eeuw was het oorijzer een kenmerkend onderdeel van de Friese streekdracht. Ook in Vlaanderen werden oorijzers gedragen, doch bescheidener, waaronder in Brugge, waar Gezelle ze opmerkte. Sinds Gezelle hierover schreef in zijn brief naar Winkler van 07/03/1882 (Kortrijk) is het een geliefd onderwerp in hun correspondentie.
[3] gunstige gezindheid
[4] Winkler had deze hoofdtooi al uitvoerig onderzocht, maar gaf in zijn brief van 08/03/1882 aan niet op de hoogte te zijn van het gebruik van oorijzers in Vlaanderen. Sindsdien apprecieerde hij alle informatie die Gezelle hem hierover kon bezorgen en is het een geliefd onderwerp in hun correspondentie.
[5] De oude naam voor de Elbe, een van de belangrijkste rivieren van Midden-Europa.
[6] A. J., Poot. In: Noord en Zuid: 5 (1882) p.363.
[7] J. Winkler, Eenige bijzonderheden aangaande de kleederdracht der Friesinnen. In: De Vrije Fries: (1881) p.22. Winkler schrijft hier in een voetnoot: "Pootheerneeld, noordhollandsche uitspraak voor poorthaarnaald. Dit woord poot of poort is oorspronkelik het oudfriesche woord porta , voorhoofd, en is in dien zin nog heden in sommige noordhollandsche dorpen, o.a. te Andijk, bij Enkhuizen, in gebruik. Zonderling genoeg, omdat het juist tusschen Flie en Lauers reeds uitgestorven is. Maar in ' t begin dezer eeuw had in den tongval der stad Workum, potte of porte nog de beteekenis van voorhoofd."
[8] Winkler zond Gezelle een afdruk van dit opstel bij zijn brief van 08/03/1882. Een overdruk is nu nog aanwezig in Gezelles handbibliotheek in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge (GGB 1059).
[9] J. Winkler, Poot = Voorhoofd. In: Noord en Zuid: 6 (1883) p.148.
[10] Hier schreef Winkler: ”Portte, voorhoofd. Dit vreemde woord schijnt mij toe oud friesch van bewesten Flie te zijn. Immers komt het onder den vorm poot nog voor in den tongval van Andijk in Noord-Holland".
[11] Vermoedelijk verwijst Winkler hier naar een brief van Gezelle die niet aanwezig is in het Guido Gezellearchief in Brugge.
[12] Kabylen zijn een Algerijns Berbervolk.
[13] Vandalen: Oost-Germaanse stam die in het eerste deel van de vijfde eeuw Afrika binnentrok en daar het Vandaalse Rijk stichtte. In 534 gaven de Vandalen zich over aan de Oost-Romeinse veroveraars en werd het rijk opgeheven.
[14] volkenkundigen
[15] Rond den Heerd: 17 (29 October 1882) 49, p.385-387. Gezelle schreef hier vol lof over de Glossaire Flamand van Edward Gailliard.
[16] Deze beoordeling is uiteindelijk nooit in de Nederlandsche Spectator verschenen. De verontschuldigingen van Winkler voor het niet verschijnen van het stuk volgen in de brief van 23/01/1883.
[17] Winklers beoordeling van de Glossaire Flamand verscheen in het tijdschrift De Amsterdammer: (19 november 1882) 282, p.4. Het eerste deel van deze beoordeling werd daarna ook gepubliceerd onder de rubriek ”Van hier en van elders” in Rond den Heerd: 18 (3 december 1882) 1, p.6-7.
[18] In dit werk uitte Rooses zijn kritiek t.o.v. het West-Vlaamse taalparticularisme van Guido Gezelle: ”Dat men de gewestelijke spraakvormen en zegswijzen in de algemeene taal eene matige plaats inruime, om deze meer lokale kleur te geven, is te wettigen; maar dat men uit liefde tot zijne engere geboortestreek zich buiten den wijderen kring der taalverwanten sluit en stelselmatig liever het woord gebruikt, waarvan één man zich bedient, dan datgene, welk door tien verstaan wordt, is eene dwaze niet te rechtvaardigen liefhebberij.” (p.260-261) Daarnaast gaf hij als vrijzinnige en sterke aanhanger van het Vlaamse realisme aan de ”mystieke verzuchtingen” in Gezelles werk niet te kunnen waarderen.
[19] In een vorige brief (geschreven tussen 01/11/1882 en 03/11/1882) liet Winkler weten dat hij het Nieuw Schetsenboek van Rooses zou lezen en Gezelle van zijn oordeel op de hoogte zou brengen.
[20] Op p.261 schreef Rooses: ”hij zelf noch zijne leerlingen, voor zooveel zij hem trouw bleven, brachten een gedicht voort, dat merkwaardig mag heten”. Uiteindelijk geeft hij wel toe het dichterlijke in Gezelles opvatting en de meeslependheid van diens taal te erkennen.
[21] Nederduits is een verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse dialecten die niet onderhevig waren aan de Hoogduitse klankverschuiving (tweede Germaanse klankverschuiving die plaatsvond tussen de 3e eeuw en 9e eeuw) en die in het noorden van Duitsland en in Nederland gesproken werden.
[22] Hansen was leider van de ’Aldietsche beweging’ die een taalkundige versmelting van het Nederlands en Nederduits beoogde, bijvoorbeeld door middel van een gemeenschappelijke spelling.
[23] Foutieve verwijzing van Winkler. Hij doelt hier op Loquela: 2 (Alderheiligen 1882) 7.
[24] Gezelle citeert Dodoens aangaande het woord 'wouwe' in de rubriek ”Mede blanden van hoeden” in Loquela: 2 (Alderheiligen 1882) 7, p.63.
[25] J. Winkler, Een en ander over Friesche eigennamen. In: De Vrije Fries: 13 (1877). p.149-204 en p.241-343. En J. Winkler, Een en ander over Friesche eigennamen (vervolg). In: De Vrije Fries: 14 (1881) p.111-154. Een overdruk van het gehele opstel is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle (nr.: GGB 1058). Op het schutblad van dit exemplaar schreef Winkler: ”Den wakkeren Vlaming Guido Gezelle, uit vriendschap en hoogachting van den schrijver Johan Winkler. Haarlem, November 1882.”
[26] Dodoens stamt uit een Fries geslacht van senatoren en burgemeesters. Zijn vader was van Friese afkomst.
[27] Gezelle vernoemt Winkler meermaals in zijn artikel ”Van de Friesche tale” in Loquela: 2 (Alderheiligen 1882) 7, p.49-59.
[28] vrezen
[29] In een van zijn vorige brieven aan Gezelle (25/10/1882, Haarlem) stelde Winkler een gezamenlijke publicatie voor in de vorm van een volksaardige dialoog tussen een Vlaming en een Fries. Gezelle stemde hier vervolgens mee in, in zijn brief van 04/11/1882 (Kortrijk). Een handschrift van Winkler getiteld ”Vlaamsch en Friesch. Een spoorwegpraatje over friesche en vlaamsche, hollandsche en nederlandsche taal.” werd gepubliceerd in het opstel van C. Gezelle, Guido Gezelle en Johan Winkler, in: Biekorf: 35 (1929) p.41-53. Dit volledige handschrift van Winkler is aanwezig in het Guido Gezellearchief in Brugge (nr. 2595b G). Ook van Gezelle berusten fragmenten van het handschrift van een samenspraak over het Vlaams en het Fries in het archief (nr. 2595) met tal van correcties. Bij Gezelle wilde het niet echt vlotten en Winkler vraagt later in een brief van 08/03/1883: ”Hoe gaat het met ons spoorwegpraatje“? Komt er nog wat van, en blijft gij genegen het uwe eraan toe te voegen? ” De samenspraak tussen Winkler en Gezelle werd nooit als sluitend geheel gepubliceerd.

Register

Correspondenten

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefschrijver

NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamHaarlem

Naam - persoon

NaamDe Bo, Leonard Lodewijk
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/071873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de “Gazette van Brugge”, werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent, medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGailliard, Edward Louis
Datums° Brugge, 04/07/1841 - ✝ Brugge, 29/07/1922
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar-uitgever; archivaris; historicus; taalkundige
BioGailliard ging naar het Sint-Lodewijkscollege (Brugge) en het kleinseminarie te Roeselare, waar hij les kreeg van Guido Gezelle. Toen zijn vader in 1864 stierf, nam hij diens drukkerij-boekbinderij over. Bij hem verschenen Rond den Heerd, La Flandre, De Halletoren en vele andere tijdschriften en boeken. Hij schreef samen met Gilliodts een Table analytique en een Glossaire Flamand. In december 1884 werd hij rijksarchivaris te Brugge. Hij was stichtend lid van de Koninklijke Academie voor Vlaamse Taal- en Letterkunde (08/07/1886) en secretaris van haar Bestendige Commissie voor Middelnederlandse Letterkunde. Van 1894 tot 1905 werkte hij aan De Keure van Hazebroek (5 delen).
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; oud-leerling van Gezelle; uitgever van Rond den Heerd
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamHansen, Constant Jacob
Datums° Vlissingen, 04/10/1833 - ✝ Brasschaat, 14/04/1910
GeslachtMannelijk
Beroepletterkundige; bibliothecaris
BioGeboren in 1833 uit een Deense vader en een Zeeuwse moeder verhuisde Hansen met de familie in 1835 naar Antwerpen. Na het lager onderwijs en enkele jaren atheneum werkte hij zich op als boekhouder, journalist, leraar, vertaler en adjunct-stadsarchivaris tot uiteindelijk hoofdbibliothecaris van de stad Antwerpen. In 1886 werd hij lid van de toen net opgerichte Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Ondertussen had hij zich door de beschrijving van een reis in Noord-Duitsland en Denemarken (1860), door een bloemlezing en door journalistieke bijdragen, lezingen en voordrachten bekend gemaakt in Vlaanderen als promotor van de Scandinavische cultuur en vooral als leider van een ‘Aldietsche beweging’, die een taalkundige toenadering tussen het Nederlands en het Nederduits of ‘Platduits’ beoogde door middel van een gemeenschappelijke spelling. Dit bezorgde hem overigens heel wat kritiek. Hij slaagde er wel in om in Vlaanderen belangstelling te wekken voor de Nederduitse dialecten en cultuur.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamDodoens, Rembert; Rembertus Dodonaeus
Datums° Mechelen, 29/06/1517 - ✝ Leiden, 10/03/1585
GeslachtMannelijk
Beroeparts; plantkundige; hoogleraar
VerblijfplaatsOostenrijk; Nederland
BioRembert Dodoens was een arts en plantkundige uit de Zuidelijke Nederlanden. Hij werd in 1541 stadsgeneesheer van Mechelen en bekleedde vervolgens het ambt van keizerlijke lijfarts te Wenen van 1575 tot 1578. In 1582 verhuisde hij naar Holland en werd hij hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Als Botanicus ging hij zelf planten zoeken en beschrijven. Zo beschreef hij een 600-tal nieuwe soorten. in 1554 verscheen zijn "Cruydeboeck" in het Nederlands.
Links[wikipedia], [dbnl]

Naam - plaats

NaamAntwerpen
GemeenteAntwerpen
NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamDuinkerke
NaamHaarlem
NaamKeulen
NaamLeeuwarden
NaamAlgiers
NaamTønder
NaamRiga
NaamDen Helder

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelNoord en Zuid. Taalkundig Tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van Onderwijzers, vooral van hen, die zich voor eenig examen voorbereiden (periodiek)
AuteurDe Beer, T.H.
Datum1877-
PlaatsKuilenburg
UitgeverBlom & Olivierse
GGBGGB 0882
TitelEenige bijzonderheden aangaande de kleederdracht der Friesinnen
AuteurWinkler, Johan
Datum[s.d.]
Plaats[S.l.]
Uitgever[s.n.]
TitelEen en ander over Friesche eigennamen
AuteurWinkler, Johan
Datum[1879]
Plaats[Haarlem]
Uitgever[s.n.]
TitelDe Nederlansche spectator (periodiek)
AuteurLindo, P.
Datum1856-1908
PlaatsArnhem
UitgeverThieme
TitelAlgemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon
AuteurWinkler, Johan
Datum1874
Plaatss-Gravenhage
UitgeverMartinus Nijhoff
TitelNieuw Schetsenboek
AuteurRooses, Max
Datum1882
PlaatsGent
UitgeverHoste
TitelDe Amsterdammer (periodiek)
AuteurDe Koo, Johannes (red.)
Datum1877-
PlaatsAmsterdam
UitgeverEllerman, Harms & Co

Titel13/12/1882, Haarlem, Johan Winkler aan [Guido Gezelle]
EditeurSofie Meneve; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2023
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEen brief kan worden geciteerd als:
[Naam van editeur(s)], [briefschrijver aan briefontvanger, plaats, datum]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. [publicatiedatum] Available from World Wide Web: [link].
VerzenderWinkler, Johan
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum13/12/1882
VerzendingsplaatsHaarlem
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inDe briefwisseling tussen Guido Gezelle en Johan Winkler. Deel 1: Inleiding en brieven (1881-1883) / door Dries Gevaert. - Gent : onuitgegeven licentieverhandeling, (academiejaar 1983-1984), p.115-119
Fysieke bijzonderheden
Drager dubbel vel en enkel vel, 206x133
wit
papiersoort: 6 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5301
Bibliotheekrecordhttps://brugge.bibliotheek.be/detail/?itemid=|library/v/obbrugge/gezelle|11605
Inhoud
IncipitHeden morgen heb ik, tot
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.