Drukproeven werezenden aan E.H. ende meester G.G. tot Kortrijk. [1]
K en ga der geene verbeteringe aan doen, want ‘K zou het kunnen verslechten. ‘K zal der alleenlijk een woord of twee bijvoegen, goed kome ‘t uit. - Van Vierkant Huis, een Elzasser jonge pater, taalliefhebber, Pater Federlen, professor noviciaat Maison-Carrée (dat is zijn adres) zendt aan E.H. G.G. zijn Kabijlsche spraakkunste[2] om te houden. - De groote groote[3] kost te diere om te zenden. De katechismus in araabsche letters en bestaat niet. - Die Pater Federlen, die de Kabylen en Cie bestudeert al geern alle slach van inlichtingen geven op alles wat men hem zal vragen per brieve.
---
In de vaart van Suez, 1n van Mariamaand 1883.[4]
Saluyt & de kost
---p2M. Hanoteau heeft een qabylsche spraakkunste gemaakt (ge zoudt ze in leening kunnen krijgen met ze te vragen met mijn komplimenten aan P. Federlen.) en hij bindt het qabijlsch aan ‘t berbeersch, gesproken door de Touariks langue Tamachek enz. die eenen bijzonderen ABC hebben in aardige letters tifinagh een zekere Mister Robert Cust secretaryp3of Royal Asiatic Society London, die Swahili Dictionary uitgaf, verbindt in zijne taalfamilieboom ‘t berbeersch met lybisch.
‘K Zende Uedele, Eerw. Heer ende Meester, uit Suez als t God belieft, een van Custs boekskes over de afrieksche taalwerken enz.[5] Ge kunt het ne keer weerebrengen naar Karema in de noenestond, te zomer. ‘K zende u ook eene gazette Feiz ha Breiz (foi et Bretagne) van een onzer paters uit Maison Carrée. ‘K zou nog alvele willen talen en tellen, maar ge moet mij eerst Loquela zenden, de lang beloofde en nooit gekregene; (‘t vergaat al in Loquela, tot nu toe, ‘t is te zeggen: in klaps! En anders zie ik geen taalnieuws als ‘t gene ik zelve geve in de Vlagge).[6]
Ameet .ẋ̣.
(‘K Peize van in, over of op de Roo Zee, een liedje te maken tegen profes[8] van mijn zuster Gusta, tot Heule. ‘K zal ‘t u zenden ter inzage en overzage en bijzage of afzage.)
t’huisrichtinge:[9]
E. Pater Jamet, Provisor der missionarissen van Mgr Lavigerie, tot Zanzibar.
Om te bestellen aan Pater Vyncke, te Karema (op Tanganykameer.)p4Vervolg.
Die Pater Federlen kan goed araabsch en goed duitsch, hij studeert en zoekt geerne, is daarbij bibliotheekbewaarder van □ huis en zal alle opzoekingen doen waarmeê gij hem zult belasten over Kabijlen enz. Ik heb hem gesproken over Kabijlen en Friezen enz., maar geen tijd gehad om te kunnen vast gedacht erover hebben. Als ge wilt, ge zoudt hem kunnen zijn gedacht erover vragen, en ook hetgene staat van vooren in de noten of aanteekeningen van Piesse, Guide de l’Algérie. ‘t Is nog al merkweerdig, maar of het juist is, dat een durf ik niet verzekeren.
– Nog nen Pot[10] Scriptums. - Over jaar heb ik een brief van 16 vellen druks min of meer, geschreven over mijn reisje in Kabyliën, en daar staan nog al eenige wetensweerdige puntjes misschien daarin. Mijn Onkel van Heyst heeft dien brief in zijn bezit, en ‘t ware een schoone zake, kostet gij E.H. ende Meester, hem bewilligen dien brief te laten zien, want Mr Demonie die u deze vellen pampier zal zenden,[11] zou geerne dienzelfden brief hebben om in de brievenverzameling te drukken, en hij kan hem niet losmaken. .
Dankbaar ontvangen van Hr A. V., te R.[14] en, in Loquela, ten dienste gebruikt van de goedjonstige lezers: Akatcim ne diousis Ledzèr s taqebailit, en Aktab en tibratin d endjilen i idomniken tifestin ousoggas, s taqebailit.[15] Dat is: Katechismus des Bisdoms Algiers in 't qabijlsch, en Boek van epistels en evangelien op de zondagen en feesten 's jaars, in ' t qabijlsch. Gedrukt t'Algiers, bij Bastide 1869. Die een gedacht begeert over het uitzien van het qabijlsch, vergelijke Sint Jans Evangelie 's taqebailit met het latijn of het vlaamsch daarvan, Joh. I. 1-14:
1. Di beddou illa Wawal; Awal illa r'our Rebbi ; Rebbi netsa d Awal.
2. Illa wagi di beddou r'our Rebbi.
3. Koulci s ies itsouh'edem; bela netsa itsouh'edem wacemma b waiin illan.
4. Deg s tella toudert; toudert netsat tafat g imdanen.
5. Tafat tecâl di talam, talam our tsetettef ara.
6. Illa ourgaz itsoucegga d s r'our Rebbi, ism is Iah'ia.
7. Wagi iousa d i tcehada, iouak adicehed r'ef tafat , iouak adamenen elkoul s oulemas ines.
8. Maci netsa tafat, lamani iouak adicehed r'ef tafat.
9. Tella tafat ish'an enni inouren koul bounadem iousan d r'er dounit agi.
10. Di dounit illa; dounit itsouh'edem s ies; dounit our t isinara.
11. Iousa d doug aila s, wid ines our teqebilen ara.
12. Lamani widenni elkoul it iqebelen, ifka iasen tezmert adour'alen d arraw ne Rebbi, i widenni ioumenen s ism is.
13. Enni our iloulen ara seg idammen, wala si lebr'i b ouksoum, wala si lebr'i em bounadem , lamani loulen si Rebbi.
14. Awal iour'al d ouksoum, izder' gar aner', nezera ah'- mad ines am wah'id em Baba, itcour tennâmat tidets.
Dat schijnt hoogst onleerbaar, nochtans:
Taqebailit is de qabijlsche (tale). Zoo is tábranit de hebreeuwsche, taiounanit de ionische (grieksche), talatinit de latijnsche (tale).
Akatcim, uitspr. akatsjiim is, s taqebailit, catéchisme, catéchîme, cat’chîm’.
Diousis is 't fr. diocèse.
Ledzèr (Eldzèr, Alger) is Algiers, oude uitspr. aldjiers.
Aktab, katab, in 't araabsch en 't joodsch, is boek.
Tibratin, enkelvoud tabrats, van (abrat, ebrit, eprit?) épitre , is epistels, epistola. De qabijlen en hebben geen p.
Endjilen, enkelv. endjil, is 't fr. év)angile. De qabijlen en hebben geen v.
Idomniken is (dies dominici) zondagen.
Tifestin is feest(dag)en.
Vers nº 1, 2, 6, 12, 13, Rebbi, (rabbi, rabi, rabbin), is meester (van) mij = God te zeggen, in 't hebreeuwsch.
No 7 Adamenen, 9 bounadem, 13 idammen is adam, menschen, bounadem (ben adam) kind (van) Adam, menschenkind.
Vrglk het joodsche Ben-jamin, kind van de rechtere hand, Ben-oni kind des verdriets, enz.
No 6 lah'ia is Jan, Johannes.
No 12 Ioumenen, van aman, amen, het is, of het zij zoo, ik houde 't voor vast, is crederent.
Nº 14 Baba (b = p) papa, is vader. Wah'id em Baba unigenitus a Patre , enz.
p2De qabijlen, ofte iqebailen,
dat is de geslachten, volkstammen, tribus, te zeggen,) zijn de africaansche Friezen: Noch de romeinen, noch de wandalen, noch de araben, noch de turken, noch de franschen en hebben ze kunnen heel ten onderen krijgen; ze houden hedendaags nog hunne tale, hunne zeden en hunne gebruiken, zoo nochtans dat hunner landsprake hier en daar een woord of tweedrie van de tale hunner vijanden is aangewaaid, b. v.: roomsch tifestin, araabsch aktab, fransch akatcim, enz. Hoe en zouden hun tale ook geen wandaalsche, dat is oud nederduitsche woorden aangekleefd zijn gebleven, ingezien de wandalen 100 jaar lang in Africa met hun te doen hadden?
Bij voorbeeld:
Hierboven, vers nº 1, 14, staat s taqebailit: Wawal, Awal= het Woord. In ons oud nederduitsch vlaamsch is walen klappen te zeggen, wawelen vele klappen, tatewalen kliipklappen, wedu)wale (auriolus , compère Loriot ) wede-= houtklapper, boschbabbelaar; wale een (onverstaanbare) klapper, z-wale-we, z- wale-me, het aardig vogelken, dat eene geheele reke klapt en dat doorgaans zijne redens eindigt met eenen waalschen «sakrdjiiiit!»
Verder vinde ik wadou de wind, tabokalt b wâter een bokaal met (reuk)water, tafloukt een schip, enz.
Zulk speur zou wel 't volgen weerd zijn, en 't wordt onze vlaamsche Africavaarders aanbevolen.
De Iqebailen tellen onder de volkeren die bij de geleerden de Berbers heeten. Berber of barbar, hieten de Grieken al die geen grieksch, maar, bar bar, bra bra , eene hun onverstaanbare brabbeltale, brabbelden of brebbelden.
Zoo hieten onze voorzaten walen, al die, in hunne ooren, waalden of wawelden, en ze waalsche noten of waalnoten, in ' t engelsch walnuts (= vreemde noten) de akernoten, net zoo als men te Kortrijk de dadels, de daaien, dat is de oostersche palmvruchten, vrimde (= waalsche) pruimen heet.
Wat de tale van die africaansche Walen, van die Berbers of van die onverstaanbaar sprekende iqebailen aangaat, araabschen, latijnschen, franschen, wandaalschen en anderen bijwaai daargelaten, zoo zeggen de geleerden:
1º Dat ze hoegenaamd geen uitstand en heeft met de hebreeuwsche, phœnische, punische, syrische, araabsche, numidische, lybische, æthiopische of andere semitische talen. Gesenius , scripturæ linguæque Phæniciæ monumenta, p. 196, not. XX, ad fin.
2º Dat ze integendeel verassende blijken levert van verwantschap zoo met den algischen, dat is den wild-americaanschen taalboom van over zee, zoo met de iberische spraakreliquien, die bij de basken, in 't spaansche bergland, zijn bewaard gebleven. H. de Charencey, Etymologies basquaises , p.572-73. Le Muséon, 1882, tome 1, n°4.







