<Resultaat 945 van 3122

>

p1

Drukproeven werezenden aan E.H. ende meester G.G. tot Kortrijk. [1]

K en ga der geene verbeteringe aan doen, want ‘K zou het kunnen verslechten. ‘K zal der alleenlijk een woord of twee bijvoegen, goed kome ‘t uit. - Van Vierkant Huis, een Elzasser jonge pater, taalliefhebber, Pater Federlen, professor noviciaat Maison-Carrée (dat is zijn adres) zendt aan E.H. G.G. zijn Kabijlsche spraakkunste[2] om te houden. - De groote groote[3] kost te diere om te zenden. De katechismus in araabsche letters en bestaat niet. - Die Pater Federlen, die de Kabylen en Cie bestudeert al geern alle slach van inlichtingen geven op alles wat men hem zal vragen per brieve.

---

In de vaart van Suez, 1n van Mariamaand 1883.[4]

Saluyt & de kost

---p2M. Hanoteau heeft een qabylsche spraakkunste gemaakt (ge zoudt ze in leening kunnen krijgen met ze te vragen met mijn komplimenten aan P. Federlen.) en hij bindt het qabijlsch aan ‘t berbeersch, gesproken door de Touariks langue Tamachek enz. die eenen bijzonderen ABC hebben in aardige letters tifinagh een zekere Mister Robert Cust secretaryp3of Royal Asiatic Society London, die Swahili Dictionary uitgaf, verbindt in zijne taalfamilieboom ‘t berbeersch met lybisch.

‘K Zende Uedele, Eerw. Heer ende Meester, uit Suez als t God belieft, een van Custs boekskes over de afrieksche taalwerken enz.[5] Ge kunt het ne keer weerebrengen naar Karema in de noenestond, te zomer. ‘K zende u ook eene gazette Feiz ha Breiz (foi et Bretagne) van een onzer paters uit Maison Carrée. ‘K zou nog alvele willen talen en tellen, maar ge moet mij eerst Loquela zenden, de lang beloofde en nooit gekregene; (‘t vergaat al in Loquela, tot nu toe, ‘t is te zeggen: in klaps! En anders zie ik geen taalnieuws als ‘t gene ik zelve geve in de Vlagge).[6]

Groete en hergroete Uedele dus nogmaals, E.H. ende Meester, mij in uwe goede gebeden herinnerende en bevelende. -
Groet a.u.b. en als ’t pas geeft den heere Avoka' Verries[7] en zijn braaf huisgezin, mistgaders Meester Hugo en diergelijke.
De komplimenten van Pharao van Egypten! en veel navolgende binst het jaar. -
Uw toegenegenste Afriek’haan
Ons Heer Hemelvaartavond, 2n van Mariamaand,
Aan boord van de “Patna”, in Timsha-meer, ½ wege Suez

Ameet .ẋ̣.

(‘K Peize van in, over of op de Roo Zee, een liedje te maken tegen profes[8] van mijn zuster Gusta, tot Heule. ‘K zal ‘t u zenden ter inzage en overzage en bijzage of afzage.)

t’huisrichtinge:[9]

E. Pater Jamet, Provisor der missionarissen van Mgr Lavigerie, tot Zanzibar.

Om te bestellen aan Pater Vyncke, te Karema (op Tanganykameer.)p4Vervolg.

Die Pater Federlen kan goed araabsch en goed duitsch, hij studeert en zoekt geerne, is daarbij bibliotheekbewaarder van □ huis en zal alle opzoekingen doen waarmeê gij hem zult belasten over Kabijlen enz. Ik heb hem gesproken over Kabijlen en Friezen enz., maar geen tijd gehad om te kunnen vast gedacht erover hebben. Als ge wilt, ge zoudt hem kunnen zijn gedacht erover vragen, en ook hetgene staat van vooren in de noten of aanteekeningen van Piesse, Guide de l’Algérie. ‘t Is nog al merkweerdig, maar of het juist is, dat een durf ik niet verzekeren.

Nog ne keer saluyt
van in de Suezvaart

– Nog nen Pot[10] Scriptums. - Over jaar heb ik een brief van 16 vellen druks min of meer, geschreven over mijn reisje in Kabyliën, en daar staan nog al eenige wetensweerdige puntjes misschien daarin. Mijn Onkel van Heyst heeft dien brief in zijn bezit, en ‘t ware een schoone zake, kostet gij E.H. ende Meester, hem bewilligen dien brief te laten zien, want Mr Demonie die u deze vellen pampier zal zenden,[11] zou geerne dienzelfden brief hebben om in de brievenverzameling te drukken, en hij kan hem niet losmaken. .

Hersaluyt voor den 4n keer.

---

Blauwvoeten[12] gezien te Ismaïlia, tusschen Port-Saïd en Suez.

---

[13]p1

Dankbaar ontvangen van Hr A. V., te R.[14] en, in Loquela, ten dienste gebruikt van de goedjonstige lezers: Akatcim ne diousis Ledzèr s taqebailit, en Aktab en tibratin d endjilen i idomniken tifestin ousoggas, s taqebailit.[15] Dat is: Katechismus des Bisdoms Algiers in 't qabijlsch, en Boek van epistels en evangelien op de zondagen en feesten 's jaars, in ' t qabijlsch. Gedrukt t'Algiers, bij Bastide 1869. Die een gedacht begeert over het uitzien van het qabijlsch, vergelijke Sint Jans Evangelie 's taqebailit met het latijn of het vlaamsch daarvan, Joh. I. 1-14:

1. Di beddou illa Wawal; Awal illa r'our Rebbi ; Rebbi netsa d Awal.

2. Illa wagi di beddou r'our Rebbi.

3. Koulci s ies itsouh'edem; bela netsa itsouh'edem wacemma b waiin illan.

4. Deg s tella toudert; toudert netsat tafat g imdanen.

5. Tafat tecâl di talam, talam our tsetettef ara.

6. Illa ourgaz itsoucegga d s r'our Rebbi, ism is Iah'ia.

7. Wagi iousa d i tcehada, iouak adicehed r'ef tafat , iouak adamenen elkoul s oulemas ines.

8. Maci netsa tafat, lamani iouak adicehed r'ef tafat.

9. Tella tafat ish'an enni inouren koul bounadem iousan d r'er dounit agi.

10. Di dounit illa; dounit itsouh'edem s ies; dounit our t isinara.

11. Iousa d doug aila s, wid ines our teqebilen ara.

12. Lamani widenni elkoul it iqebelen, ifka iasen tezmert adour'alen d arraw ne Rebbi, i widenni ioumenen s ism is.

13. Enni our iloulen ara seg idammen, wala si lebr'i b ouksoum, wala si lebr'i em bounadem , lamani loulen si Rebbi.

14. Awal iour'al d ouksoum, izder' gar aner', nezera ah'- mad ines am wah'id em Baba, itcour tennâmat tidets.

Dat schijnt hoogst onleerbaar, nochtans:

Taqebailit is de qabijlsche (tale). Zoo is tábranit de hebreeuwsche, taiounanit de ionische (grieksche), talatinit de latijnsche (tale).

Akatcim, uitspr. akatsjiim is, s taqebailit, catéchisme, catéchîme, cat’chîm’.

Diousis is 't fr. diocèse.

Ledzèr (Eldzèr, Alger) is Algiers, oude uitspr. aldjiers.

Aktab, katab, in 't araabsch en 't joodsch, is boek.

Tibratin, enkelvoud tabrats, van (abrat, ebrit, eprit?) épitre , is epistels, epistola. De qabijlen en hebben geen p.

Endjilen, enkelv. endjil, is 't fr. év)angile. De qabijlen en hebben geen v.

Idomniken is (dies dominici) zondagen.

Tifestin is feest(dag)en.

Vers nº 1, 2, 6, 12, 13, Rebbi, (rabbi, rabi, rabbin), is meester (van) mij = God te zeggen, in 't hebreeuwsch.

No 7 Adamenen, 9 bounadem, 13 idammen is adam, menschen, bounadem (ben adam) kind (van) Adam, menschenkind.

Vrglk het joodsche Ben-jamin, kind van de rechtere hand, Ben-oni kind des verdriets, enz.

No 6 lah'ia is Jan, Johannes.

No 12 Ioumenen, van aman, amen, het is, of het zij zoo, ik houde 't voor vast, is crederent.

Nº 14 Baba (b = p) papa, is vader. Wah'id em Baba unigenitus a Patre , enz.

p2De qabijlen, ofte iqebailen,

dat is de geslachten, volkstammen, tribus, te zeggen,) zijn de africaansche Friezen: Noch de romeinen, noch de wandalen, noch de araben, noch de turken, noch de franschen en hebben ze kunnen heel ten onderen krijgen; ze houden hedendaags nog hunne tale, hunne zeden en hunne gebruiken, zoo nochtans dat hunner landsprake hier en daar een woord of tweedrie van de tale hunner vijanden is aangewaaid, b. v.: roomsch tifestin, araabsch aktab, fransch akatcim, enz. Hoe en zouden hun tale ook geen wandaalsche, dat is oud nederduitsche woorden aangekleefd zijn gebleven, ingezien de wandalen 100 jaar lang in Africa met hun te doen hadden?

Bij voorbeeld:

Hierboven, vers nº 1, 14, staat s taqebailit: Wawal, Awal= het Woord. In ons oud nederduitsch vlaamsch is walen klappen te zeggen, wawelen vele klappen, tatewalen kliipklappen, wedu)wale (auriolus , compère Loriot ) wede-= houtklapper, boschbabbelaar; wale een (onverstaanbare) klapper, z-wale-we, z- wale-me, het aardig vogelken, dat eene geheele reke klapt en dat doorgaans zijne redens eindigt met eenen waalschen «sakrdjiiiit!»

Verder vinde ik wadou de wind, tabokalt b wâter een bokaal met (reuk)water, tafloukt een schip, enz.

Zulk speur zou wel 't volgen weerd zijn, en 't wordt onze vlaamsche Africavaarders aanbevolen.

De Iqebailen tellen onder de volkeren die bij de geleerden de Berbers heeten. Berber of barbar, hieten de Grieken al die geen grieksch, maar, bar bar, bra bra , eene hun onverstaanbare brabbeltale, brabbelden of brebbelden.

Zoo hieten onze voorzaten walen, al die, in hunne ooren, waalden of wawelden, en ze waalsche noten of waalnoten, in ' t engelsch walnuts (= vreemde noten) de akernoten, net zoo als men te Kortrijk de dadels, de daaien, dat is de oostersche palmvruchten, vrimde (= waalsche) pruimen heet.

Wat de tale van die africaansche Walen, van die Berbers of van die onverstaanbaar sprekende iqebailen aangaat, araabschen, latijnschen, franschen, wandaalschen en anderen bijwaai daargelaten, zoo zeggen de geleerden:

1º Dat ze hoegenaamd geen uitstand en heeft met de hebreeuwsche, phœnische, punische, syrische, araabsche, numidische, lybische, æthiopische of andere semitische talen. Gesenius , scripturæ linguæque Phæniciæ monumenta, p. 196, not. XX, ad fin.

2º Dat ze integendeel verassende blijken levert van verwantschap zoo met den algischen, dat is den wild-americaanschen taalboom van over zee, zoo met de iberische spraakreliquien, die bij de basken, in 't spaansche bergland, zijn bewaard gebleven. H. de Charencey, Etymologies basquaises , p.572-73. Le Muséon, 1882, tome 1, n°4.

Noten

[1] De brief van Amaat Vyncke aan Gezelle is geschreven op de drukproef van: G. Gezelle, Tegenkomsten brieven etc. In: Loquela: 2 (Oostermaand 1883) 12, p. 94-96. In de zijrand en de keerzijden staan de brieven van Guido Gezelle en Amaat Vyncke aan elkaar. Het antwoord van Vyncke kwam te laat terug om van dienst te zijn, zie brief Emiel Demonie aan Guido Gezelle op 13/05/1883.
[2] Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge bezit dit handschrift: "Notes sur la langue Kabyle" par P. Livinhac. (Guido Gezellearchief nr. 10636 M)
[3] Sic.
[4] In de oase Ismaïla, een van de aanlegplaatsen, konden missionarissen hun post verzenden en ook naar huis telegraferen.
[5] Dat boek is nog aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle in de Openbare Bibliotheek Brugge (GGB 0732).
[6] Amaat Vyncke publiceerde tussen 1882 en 1884 een reeks filologische brieven in De Vlaamsche Vlagge over de Afrikaanse talen. Hij noemde deze “Vlaggebrieven” of “Afrikaanse taalbrieven”.
[7] Waarschijnlijk een bewuste verspreking die humoristisch bedoeld is.
[8] Op 7 februari 1882 trad Augusta in het klooster bij de Zusters van Liefde in Heule. Ze werd er geprofest op 13 augustus 1883.
[9] Purisme voor het bastaardwoord ’adres’.
[10] Sic.
[11] Zie brief Emiel Demonie aan Guido Gezelle op 13/05/1883. Waarschijnlijk is niet gelukt. De brief vinden we niet terug in de gepubliceerde briefwisseling.
[12] De blauwvoet leeft van nature aan de westkust van Midden- en Zuid-Amerika en op de Galapagoseilanden. Hij komt niet voor in Egypte of aan het Suezkanaal. Het waren vermoedelijk een zeearenden (zoals in de roman van Hendrik Conscience).
[13] Drukproef met correctie van Guido Gezelle en aanvullingen van Amaat Vyncke: G. Gezelle, Tegenkomsten brieven etc. In: Loquela: 2 (Oostermaand 1883) 12, p. 94-96. In de zijrand en de keerzijden staan de brieven van Guido Gezelle en Amaat Vyncke aan elkaar.
[14] Onderstreping van Guido Gezelle in blauw potlood.
Op 16 juli 1881 kwam Vyncke te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée te beginnen. Na zijn proefjaar keerde Vyncke terug en stichtte hij een apostolische school te Rijsel. Hij volgde medische cursussen aan de universiteit om opnieuw naar Algerije te vertrekken op 18 maart 1883.
[15] Dat boek is nog aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle in de Openbare Bibliotheek Brugge (GGB 0366).
Amaat Vyncke publiceerde tussen 1882 en 1884 een reeks filologische brieven in het tijdschrift De Vlaamsche Vlagge over de Afrikaanse talen. Hij noemde deze “Vlaggebrieven” of “Afrikaanse taalbrieven”. De passage komt voor in zijn brief van 2 maart 1883 uit Rijsel: “Djebel is een berg, en Gibraltar is de berg van... 'k hebbe wel vergeten wat dit tar beteekent… Als 't in mijnen zin komt, zal ik 't later zeggen. Djibelin zijn de berggasten.... niet te verwaren met de Welfen en Wieblingen, noch met de tapijtwevers les Gobelins ofte Van der Gobeelens. 't Doet, zoo heb ik het vast: Djebel Tarik, de berg van Tarik, beweert men, zijnde Tarik een der opperhoofden van de Araben, toen zij in 712 Spanje binnenrukten. (A. Vyncke, Brieven over 't Araabsch (3). In: De Vlaamsche Vlagge: 9 (1883) 2, 49-56.)

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée (bij Algerije) te beginnen. Na zijn proefjaar werd Vyncke naar Rijsel gestuurd, waar hij eind oktober of begin november 1882 aankwam. Samen met twee Franse medepaters richtte hij er in de Watteaustraat 2 een apostolische school op voor minderbemiddelde jongeren die Witte Pater wilden worden. De leerlingen kwamen uit Noord-Frankrijk, België en Nederland. Ook Witte Paters die aan de universiteit van Rijsel tropische geneeskunde studeerden, vonden er onderdak. Vanuit Rijsel bezocht Vyncke samen met de dertienjarige Soedanese jongen Charles (Emmanuel) Faraghit, die er zijn verdere opleiding zou krijgen, verschillende plaatsen in België, waaronder Zedelgem, Dudzele, Brugge, Roeselare en Antwerpen. Daarnaast volgde Vyncke medische cursussen aan de universiteit, waarna hij op 18/03/1883 opnieuw naar Algerije vertrok. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke op 21/05/1883 aan in Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in drie delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat

Briefschrijver

NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée (bij Algerije) te beginnen. Na zijn proefjaar werd Vyncke naar Rijsel gestuurd, waar hij eind oktober of begin november 1882 aankwam. Samen met twee Franse medepaters richtte hij er in de Watteaustraat 2 een apostolische school op voor minderbemiddelde jongeren die Witte Pater wilden worden. De leerlingen kwamen uit Noord-Frankrijk, België en Nederland. Ook Witte Paters die aan de universiteit van Rijsel tropische geneeskunde studeerden, vonden er onderdak. Vanuit Rijsel bezocht Vyncke samen met de dertienjarige Soedanese jongen Charles (Emmanuel) Faraghit, die er zijn verdere opleiding zou krijgen, verschillende plaatsen in België, waaronder Zedelgem, Dudzele, Brugge, Roeselare en Antwerpen. Daarnaast volgde Vyncke medische cursussen aan de universiteit, waarna hij op 18/03/1883 opnieuw naar Algerije vertrok. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke op 21/05/1883 aan in Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in drie delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamSuezkanaal

Naam - persoon

NaamDemonie, Emiel; skald; Wilfried; Logicus; De Monie
Datums° Roeselare, 28/07/1846 - ✝ Brugge, 03/01/1890
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; hoofdredacteur; auteur
BioEmiel Demonie, zoon van Desiderius Demonie, koopman, en Justina Verhaeghe, was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare en hij werd er op 1 oktober 1869 zelf ook leraar. Hij was er lid van Gezelles confraternity. Hij was de neef van Polydoor Demonie. Zijn priesterwijding ontving hij te Brugge op 7 november 1869. In 1874-1875 was hij poësistitularis van Albrecht Rodenbach in de Groote Stooringe. De studenten van Demonie weigerden tijdens een feest van de superior een Frans lied te zingen. Mede hierdoor werd hij ontslagen. Rodenbach schreef voor hem het gedicht De Meester. In Brugge werd hij onderpastoor van de Sint-Gilliskerk (22/08/1879) en godsdienstleraar aan de rijksnormaalschool voor meisjes (29/12/1884). Hij schreef artikels voor Loquela en was één van de medestichters van het tijdschrift Biekorf. In opvolging van Amaat Vyncke was hij een tijdje hoofdredacteur van De Vlaamsche Vlagge en hij schreef er artikels onder de schuilnamen Skald, Logicus en Wilfried. Hij was ook medewerker van de Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen (1875-1876). Gezelle droeg het gedicht Ach, hoe dikmaals was 't mijn lot niet aan hem op. Bij zijn overlijden in 1890 schreef Gezelle het gedicht Wij bouwden op uw leven een getemmer.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezelleoud-leerling kleinseminarie; zanter (WDT); medestichter van Biekorf; medewerker Loquela; correspondent; gelegenheidsgedicht
Bronnen https://nevb.be/wiki/Demonie,_Emiel
NaamDe Tollenaere, René; Renatus Franciscus
Datums° Lampernisse, 23/10/1828 - ✝ Kortrijk, 06/02/1912
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor
BioRené De Tollenaere, geboren op 23 oktober 1828 in Lampernisse, was de zoon van Engelbertus De Tollenaere, rijksontvanger en koster, en Maria Deburchgrave. Hij werd op 2 juni 1855 tot priester gewijd in Brugge. Hij was een oom van Amaat Vyncke en een generatiegenoot van Gezelle. Zijn carrière begon als subregent aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij een collega was van Guido Gezelle, met wie hij ook correspondeerde over Nederlandse boeken. Na benoemingen als onderpastoor in Rollegem-Kapelle (1857) en Kortrijk (1858) werd hij in 1875 pastoor in Heist. Later volgden aanstellingen in Zwevegem (1889) en de Sint-Elooiskerk in Kortrijk (1891). Bij die laatste gelegenheid schreef Guido Gezelle mogelijk het gedicht 'Aan de herderstaf gewend' ter ere van zijn inhuldiging. Na zijn ontslag op 6 augustus 1910 trok De Tollenaere zich terug in het rustoord Sint-Carolus-Borromeus in Kortrijk, waar hij op 6 februari 1912 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecollega; correspondent; gelegenheidsgedicht?
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerriest, Adolf
Datums° Deerlijk, 15/08/1830 - ✝ Kortrijk, 21/06/1891
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; politicus; dichter; componist
BioAdolf Verriest werd geboren te Deerlijk op 15 augustus 1830 als zoon van Petrus-Johannes Verriest (1796-1871), koopman en armenmeester in Deerlijk. Hij was de oudere broer van Hugo Verriest en Gustaaf Verriest. Na de lagere school in Deerlijk liep hij college aan het kleinseminarie te Roeselare, waar hij een studiegenoot was van Guido Gezelle. Hij werd er de eerste voorzitter van de door Gezelle gestichte Lettergilde en zou voor het leven bevriend blijven met hem. Na zijn collegetijd volgde hij studies in de Letteren en de Rechten aan de Leuvense universiteit. In 1858 werd hij advocaat in Kortrijk en manifesteerde er zich als voorvechter van de volkstaal. Hij had er ook politieke ambities en werd er gemeenteraadslid van 1870 tot 1886 en schepen van 1886 tot aan zijn dood op 21 juni 1891. Hij was zeer actief in het Kortrijkse culturele leven in de jaren 1870 en 1880 (o.a. als voorzitter van het Davidsfonds en bestuurslid van de muziekschool). Hij was dichter en publicist (Gedichten en aanspraken. Kortrijk, 1893). Hij componeerde zelf liederen en vroeg Gezelle vaak om vertalingen van liederen. Gezelle schreef voor hem heel wat gelegenheidsgedichten waaronder: Adolf, mijn vriend, mijn advocaat. Gezelle was vriend aan huis en steunde Adolf met zijn politieke activiteiten.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; gelegenheidsgedichten
NaamVerriest, Hugo
Datums° Deerlijk, 25/11/1840 - ✝ Ingooigem, 27/10/1922
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; auteur; leraar; directeur kloostergemeenschap; schooldirecteur; pastoor
BioHugo Verriest was leerling aan het kleinseminarie te Roeselare (1854-1859). Hij kreeg er gedurende negen maanden les van Gezelle. Hij volgde filosofie in 1860 en zijn priesterwijding volgde op 17/12/1864. Hij werd leraar aan het Sint-Lodewijkscollege (09/06/1864) en aan het kleinseminarie te Roeselare (19/09/1867). Hij onderwees zijn leerlingen in de geest van Gezelle. Hij figureerde als spilfiguur binnen de Blauwvoeterij, dit ook als redacteur van het studententijdschrift De Vlaamsche Vlagge, het medium van de Blauwvoeterij. Vervolgens was hij directeur van de Zusters van Liefde in Heule (25/08/1877) en superior van het college te leper (13/06/1878). Hij was pastoor te Wakken (19/09/1888) en Ingooigem (19/06/1895). In 1906 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal-en Letterkunde. Hij was een spilfiguur in de Vlaamse Beweging en een zeer vurig spreker. Als auteur schreef hij romantisch-impressionistische gedichten, talrijke artikels en biografieën o.m. van Guido Gezelle, Stijn Streuvels en Albrecht Rodenbach.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellezanter (WDT); correspondent; medestichter van Biekorf; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamVyncke, Amaat; Ratte Vyncke; Vyncke, Ameet
Datums° Zedelgem, 12/02/1850 - ✝ Kibanga, 17/10/1888
GeslachtMannelijk
Beroepzoeaaf; priester; leraar; onderpastoor; missionaris
VerblijfplaatsAfrika
BioAmaat Vyncke studeerde aan het kleinseminarie te Roeselare en het college te Menen. Hij onderbrak zijn studies om als 17-jarige pauselijk zoeaaf te worden en verbleef twee jaar in Italië, maar raakte er niet betrokken in gevechten. Bij zijn terugkomst in Roeselare bleef hij zich in de jaren 1870-1871 actief inzetten voor de zoeaven en werd de leider van het plaatselijke studenten-zoeavenkorps. Hij was een van de leidende figuren van de West-Vlaamse studentenbeweging, onder invloed van zijn leraar Hugo Verriest. Zo richtte hij in 1873 mee de Westvlaamsche Gilde op en was hij medestichter van het studentenblad "De Vlaamse Vlagge". Hij werd seminarist in 1875 en gaf korte tijd les aan het kleinseminarie. Op 11/06/1876 werd hij tot priester gewijd en werd hij drie maanden onderpastoor te Adinkerke en op 11 oktober onderpastoor te Dudzele. Hij was er belangrijk voor het sociale en culturele leven en ontving er bezoekers als Albrecht Rodenbach, Hugo Verriest, Pol De Mont en zijn goede vriend Gezelle. In 1881 was Vyncke een van de oprichters van "'t Manneke uit de Mane". Na een aanvankelijke weigering van bisschop Faict kon hij door tussenkomst van kardinaal Lavigerie naar Afrika vertrekken om er de vierde karavaan Witte Paters te begeleiden. Op 16/07/1881 kwam hij te Algiers aan om er zijn noviciaat in Maison-Carrée (bij Algerije) te beginnen. Na zijn proefjaar werd Vyncke naar Rijsel gestuurd, waar hij eind oktober of begin november 1882 aankwam. Samen met twee Franse medepaters richtte hij er in de Watteaustraat 2 een apostolische school op voor minderbemiddelde jongeren die Witte Pater wilden worden. De leerlingen kwamen uit Noord-Frankrijk, België en Nederland. Ook Witte Paters die aan de universiteit van Rijsel tropische geneeskunde studeerden, vonden er onderdak. Vanuit Rijsel bezocht Vyncke samen met de dertienjarige Soedanese jongen Charles (Emmanuel) Faraghit, die er zijn verdere opleiding zou krijgen, verschillende plaatsen in België, waaronder Zedelgem, Dudzele, Brugge, Roeselare en Antwerpen. Daarnaast volgde Vyncke medische cursussen aan de universiteit, waarna hij op 18/03/1883 opnieuw naar Algerije vertrok. Hij vervolmaakte zich in het Swahili en correspondeerde met Gezelle over taalkundige onderwerpen. Op 23/04/1883 vertrok hij aan boord van de Britse driemaster de Patna naar Zanzibar. Na een maand reizen kwam Vyncke op 21/05/1883 aan in Zanzibar waarna hij samen met de karavaan vertrok met eindbestemming Kibanga in Opper-Kongo. Hij begon er aan de opbouw van zijn missie en was er geestelijk leider en ook landbouwer, dokter, fotograaf, leraar, uurwerkmaker en strijder tegen de slavenhandel. Hij stuurde stapels kleurrijke brieven naar het thuisland, waarin hij zijn avontuurlijke leven met een vleugje humor beschrijft. De brieven werden gepubliceerd in drie delen. Vyncke overleed op 17/10/1888 in Afrika aan leverziekten en moeraskoortsen. Naar aanleiding van zijn plechtige herdenking te Kortrijk op 25/07/1889 schreef Gezelle de verzen "Gij zijt de vriend van God". Ze werden gedrukt op het gedachtenisprentje van zijn goede vriend. Vroeger had Gezelle ook het gedicht geschreven voor zijn priesterwijding en de verzen "Vyncke, Vyncke, Vyncke".
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; vriend; gelegenheidsgedichten
BronnenReizen in den geest; https://nevb.be/wiki/Vyncke,_Amaat
NaamVyncke, Gusta; Vyncke, Augusta Maria Mathildis; Maria Callista (Zuster)
Datums° Zedelgem, 28/10/1860 - ✝ Snellegem, 12/11/1941
GeslachtVrouwelijk
Beroeplerares; kloosterzuster
BioAugusta Maria Mathildis Vyncke werd geboren in Zedelgem op 28 oktober 1860 en overleed in Snellegem op 12 november 1941. Ze was de zus van Amaat Vyncke, en het jongste kind van Augustus Vyncke (1820-1893) en Maria Theresia Detollenaere (1818-1891). Augustus was koster in Zedelgem, bediende bij de Burgerlijke Stand, ontvanger van de gemeente en van de dis in Zedelgem. Zijn echtgenote was winkelierster van beroep. Op 7 februari 1882 trad Augusta in het klooster bij de Zusters van Liefde in Heule. Daar nam ze de naam Zuster Maria Callista aan. Ze werd geprofest op 13 augustus 1883, was jubilaris op 13 augustus 1933, en was onderwijzeres.
Relatie tot Gezellecorrespondent
Bronnen https://gw.geneanet.org/flamtec1?lang=en&p=augusta+maria+mathildis&n=vyncke; https://beeldbank.kortrijk.be/index.php/image/watch/49e2957ac3f84f6a8eaec757f430f28a936f3552785d4f7798b78e5867aa4f2e9f6e07a6451042cba9239b312f2e7c78?tab=related_items
NaamLavigerie, Charles Martial Allemand
Datums° Bayonne, 31/10/1825 - ✝ Algiers, 26/11/1892
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; kardinaal; aartsbisschop
VerblijfplaatsFrankrijk
BioCharles Lavigerie was een Frans kardinaal, aartsbisschop van Algiers en primaat van Afrika. Na een academische loopbaan als hoogleraar kerkgeschiedenis werd hij in 1863 bisschop van Nancy en vanaf 1867 leidde hij de Kerk in Noord-Afrika. In 1868 stichtte hij de missionaire congregatie van de Witte Paters, die grote aandacht hadden voor de taal en cultuur van de lokale bevolking. Lavigerie verwierf internationale bekendheid door zijn felle strijd tegen de Afrikaanse slavenhandel en speelde een sleutelrol in de Conventie van Brussel (1890). In 1882 werd hij tot kardinaal gecreëerd door paus Leo XIII. Hij speelde een rol in de carrière van Afrikamissionarissen uit Guido Gezelles omgeving, zoals Amaat Vyncke. Jan Craeynest publiceerde zijn levensbeschrijving in 1942.
Links[wikipedia]
NaamFéderlin, Jean Louis
Datums° Saint-Genis-Laval, 06/12/1855 - ✝ Parijs, 23/04/1935
GeslachtMannelijk
Beroeppater; archeoloog
VerblijfplaatsFrankrijk; Algerije
BioJean Louis Féderlin werd geboren in Saint-Genis-Laval (Rhône, Frankrijk) op 6 december 1855 als zoon van Pierre Féderlin, bediende bij de tegelfabriek van Fox in Saint-Genis-Laval, en Elisabeth Lelong. Hij startte zijn humaniora in Mulhouse (zijn ouders waren afkomstig uit de Elzas) en beëindigde ze in 1877 aan het Klein Seminarie van Algiers. Hij trad in bij de Witte Paters in Algiers (Maison-Carrée) en werd er in 1882 tot priester gewijd. Hij werd secretaris van kardinaal Lavigerie. Op 7 oktober 1888 werd hij benoemd tot superior van het Groot Seminarie van Sainte-Anne in Jeruzalem. Hij bleef op post tot 14 december 1914 (het begin van de Eerste Wereldoorlog). Féderlin was ook als archeoloog actief. Hij ontdekte in 1894 en 1903 ruïnes van verschillende vroege Byzantijnse kloosters in de woestijn van Judea (Westelijke Jordaanoever). Hij publiceerde in 1907 de studie "Le désert de Jérusalem. Bédouins et sémi-Bédouins et les campements des Arabes chrétiens des Paremboles". Amaat Vyncke had met hem contact in het noviciaat in Maison-Carrée. Féderlin, die les gaf in het noviciaat en de rol van bibliothecaris op zich nam, bezorgde Guido Gezelle een Kabyllische spraakkunst. Féderlin overleed in Parijs op 23 april 1935.
NaamHanoteau, Adolphe
Datums° Decize, 12/06/1814 - ✝ Decize, 17/04/1897
GeslachtMannelijk
Beroepgeneraal; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsFrankrijk
BioAdolphe Hanoteau was een Franse generaal en geleerde, vooral bekend om zijn studies over de Kabylische taal, cultuur en instellingen in Algerije. Hij was officier bij het genie en bracht een groot deel van zijn loopbaan door in Algerije, waar hij verschillende leidinggevende functies bekleedde binnen de Arabische en politieke administratie. In 1870 werd hij bevorderd tot brigadegeneraal. Na zijn pensionering wijdde hij zich hoofdzakelijk aan taalkundig en etnografisch onderzoek. Zijn werken over het Kabylisch en de Toearegse taal gelden als klassiekers. In 1873 werd hij benoemd tot corresponderend lid van de Académie des inscriptions et belles-lettres.
Links[wikipedia]
NaamCust, Robert Needham
Datums° Greenwich, 24/02/1821 - ✝ Londen, 28/10/1909
GeslachtMannelijk
Beroepambtenaar; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsGroot-Brittannië
BioRobert Needham Cust was een Britse koloniale ambtenaar, taalkundige en oriëntalist. Hij diende lange tijd in Brits-Indië, waar hij bestuurlijke functies combineerde met een sterke interesse in talen. Na zijn pensionering legde hij zich toe op de studie en classificatie van Aziatische en Afrikaanse talen. Cust publiceerde invloedrijke werken over taalkunde en taalpolitiek en speelde een actieve rol in wetenschappelijke genootschappen, waaronder de Royal Asiatic Society.
Links[wikipedia]
NaamJamet, Louis Hyacinthe
Datums° Saint-Maurice-l'Exil, 29/04/1849 - ✝ Parijs, 21/09/1919
GeslachtMannelijk
Beroeppater
VerblijfplaatsFrankrijk
BioPater Louis Jamet was een Franse witte pater, verbonden aan het moederhuis van de congregatie van de Witte Paters in Maison-Carrée in Algerije bij Algiers. Daar werd hij in 1874 door kardinaal Charles Lavigerie tot priester gewijd. Jamet vervulde er vervolgens jarenlang een sleutelrol in de organisatie en administratie en was er overste van Amaat Vyncke. Toen het antiklerikale klimaat in Frankrijk op het einde van de negentiende eeuw de werking van de congregatie onder druk zette, kreeg pater Jamet in 1889 de opdracht om in Nederland een missiehuis te stichten (Sint-Charles in Boxtel). Hij overleed op 21 september 1919 in Parijs.

Naam - plaats

NaamHeist
GemeenteKnokke-Heist
NaamHeule
GemeenteKortrijk
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamLonden
NaamSuezkanaal
NaamKarema
NaamPort Said
NaamSuez (stad)
NaamIsmaïlia
NaamEl Harrach (Maison Carrée)
NaamZanzibar

Naam - instituut/vereniging

NaamKlooster van de Zusters van Liefde te Heule
BeschrijvingDe congregatie ontstond op initiatief van Agatha Lagae (1799-1864), oudste dochter van notaris-burgemeester Franciscus-Constantinus Lagae van Heule en broer van o.a. dokter Romain en priester Aimé Lagae, die een rol speelden in de geschiedenis van de familie Gezelle. Het klooster is in oorsprong een voortzetting van de armenschool voor weeskinderen die sinds 1809 te Heule bestond, annex zondagsschool. In 1833 besloten Agatha Lagae en een vijftal vrome vrouwen zich in een ‘klooster’ te verenigen en op 7 januari 1834 startten ze hun activiteiten in de bestaande armenschool, uitgebreid met en spin- en naaischool voor meisjes en jongens, een weeshuis voor meisjes en een meisjesburgerschool (in de Mellestraat), de grondslag van het latere Pensionaat. Vier vrouwen legden hun eerste religieuze geloften af op 2 juli 1838. Hiermee werd de officiële stichting van het klooster een feit. Het initiatief nam uitbreiding met een ouderlingenhuis (1845), een kostschool (1870) en een internaat (1871). Vanaf het midden van de negentiende eeuw kende de inmiddels diocesane congregatie een indrukwekkende expansie, met uiteindelijk veertig bijhuizen in vnl. West-Vlaanderen. Het eerste bijhuis werd in 1853 in Otegem opgericht. Andere, zoals Esen (1864), Passendale, (1865) en Kortrijk, Rekollettenstraat (1871), komen in de correspondentie van Guido Gezelle aan bod. De activiteiten van de zusters van Liefde van Heule concentreerden zich op het onderwijsapostolaat, gehandicapten-, bejaarden- en ziekenzorg. In de eerste helft van de twintigste eeuw engageerden de zusters zich ook in missioneringswerk. Agatha Lagae (Moeder Agatha) bleef overste tot haar overlijden in 1864. Ze werd opgevolgd door Zuster Augustine (Virginie Nyffels). In de jaren 1877-1878 was Hugo Verriest een korte tijd priester-directeur van het klooster. Op 15 oktober 1873 trad Florence Gezelle binnen in het klooster van Heule. Ze nam de naam Zuster Colombe aan.
Datering1838-heden
Links[odis]
NaamThe Royal Asiatic Society of of Great Britain and Ireland
BeschrijvingThe Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland' werd opgericht op 15 maart 1823 door de vooraanstaande sanskritist Henry Thomas Colebrooke en ontving in 1824 een koninklijk handvest van George IV. De Society bevordert sinds haar ontstaan het wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis, talen, religies, literatuur en kunsten van Azië. Via lezingen, publicaties - waaronder het Journal of the Royal Asiatic Society - en vertaalprojecten speelde zij een sleutelrol in de ontwikkeling van de Aziatische studies.
Datering15/03/1823 -
NaamSociëteit van de Missionnarissen van Afrika (Witte Paters)
BeschrijvingDe Missionarissen van Afrika, beter bekend als de Witte Paters, zijn een rooms-katholieke gemeenschap die in 1868 werd gesticht door Charles kardinaal Lavigerie, aartsbisschop van Algiers in Algerije. Een jaar later, in 1869, richtte hij ook de congregatie van de Zusters Missionarissen van Onze Lieve Vrouw van Afrika, beter bekend als de Witte Zusters, op. De naam ‘Witte Paters’ verwijst naar de witte, Arabische klederdracht die de missionarissen droegen, samen met een rozenkrans rond de hals. Lavigerie wou dat de Witte Paters zich de taal en gewoontes van de Afrikaanse bevolking eigen maakten en respect moesten tonen voor haar cultuur en geloofsovertuigingen. In eerste instantie richt de organisatie zich op het opvangen en christelijk onderrichten van weeskinderen van wie de ouders de grote cholera-epidemie van 1867 niet hebben overleefd. In 1869 richtte Lavigerie het Sint-Jozefsweeshuis op in Maison-Carrée (het huidige El-Harrach), een voorstad van Algiers. De missie begon in een overwegend islamitische omgeving, met Algerije, de Sahara en Tunesië als eerste werkgebieden. Vanaf de jaren 1870 breidde de missie zich verder uit. Zo stichtte Lavigerie in 1878 een gemeenschap in Jeruzalem. In datzelfde jaar vertrouwde paus Leo XIII hem uitgestrekte gebieden ten zuiden van de Sahara toe, die zich uitstrekten van het oosten van het huidige Congo tot aan de Indische Oceaan. In Centraal-Afrika stichtten de Witte Paters in 1880 hun eerste missiepost aan de westelijke oever van het Tanganyikameer, in Mulweba. In juni 1883 volgde een tweede missiepost in Kibanga, later Lavigerieville genoemd, iets zuidelijker aan de oever van het meer. In de daaropvolgende jaren breidden de missionarissen hun werk verder uit en trokken ze ook naar West-Afrika. Gezelles vriend Amaat Vyncke maakte deel uit van deze cogregatie.
Datering1868-
NaamHet noviciaat van de Missionarissen van Afrika in Maison-Carrée (El-Harrach)
BeschrijvingHet noviciaat van de Afrikamissie was van 1868 tot 1870 gevestigd in Maison Rostan (El Biar). Het was een soort seminarie waar nieuwe paters werden voorbereid op hun toekomstige missiewerk. Onder Lavigeries motto “se faire arabe avec les Arabes, coucher sur la dure, manger la nourriture et parler la langue du pays” vormden de lokale taal en cultuur een belangrijk onderdeel van de opleiding. Nadat Lavigerie in 1869 het Sint-Jozefsweeshuis in Maison-Carrée (het huidige El-Harrach) had gesticht, verhuisde hij een jaar later het noviciaat naar dezelfde site. Ook het moederhuis en het Sint-Jozefsklooster werden er gevestigd. Later kwam daar ook een sanatorium bij.
Datering1870-

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelonbekend
TitelAktab en tibratin d endjilen i idomniken tifestin ousoggas, s Taqebailit ...
AuteurAllemand-Lavigerie, Charles-Martial
Datum1869
PlaatsAlger
UitgeverBastide
TitelNotice of the scholars who have contributed to the extension of the knowledge of the languages of Africa
AuteurCust, R.N.
Datum[s.d.]
PlaatsLondon
UitgeverTrübner & Co
TitelScripturae linguaeque Phoeniciae monumenta quotquot supersunt edita et inedita ad autographorum optimorumque exemplorum fidem edidit additisque de scriptura et lingua Phoenicum commentariis
AuteurGesenius, Wilhelm
Datum1837
PlaatsLipsiae
UitgeverVogelii
TitelBrieven van eenen Vlaamschen Missionaris in Midden-Africa. Tweede reeks. Reis van Algiers naar Zanzibar
AuteurVyncke, Amaat
Datum1884
PlaatsBrugge
UitgeverKarel Beyaert-Storie
TitelDe Vlaamsche Vlagge (periodiek)
Datum1875-1933
PlaatsBrugge
UitgeverDelplace
TitelLe Muséon: Revue d'Études Orientales (periodiek)
AuteurAssociation sans But Lucratif Le Muséon ; Société des Lettres et des Sciences (Louvain)
Datum1881-
PlaatsPeeters
UitgeverLeuven
TitelAkatcim ne Diousis Ledzer S Taqebailit. Catéchisme du diocèse d'Alger en langue kabil
Datum1868
PlaatsAlger
UitgeverBastide
TitelEssai de grammaire kabyle, renfermant les principes de ce langage berbère parlé par les populations du versant nord du Jurjura et spécialement par les Igaouaouen ou Zouaoua, avec des textes et traductions, suivi de notes et d'une notice sur quelques inscriptions en caractères dits tifinar' et en langue tamacher't
AuteurHanoteau, Adolphe
Datum1858
PlaatsAlger
UitgeverBastide
TitelFeiz ha Breiz
Datum1865-1884
PlaatsQuimper
UitgeverBisdom Quimper
TitelItinéraire historique et descriptif de l’Algérie : comprenant le Tell et le Sahara. (Collection des Guides-Joanne).
AuteurPiesse, Louis
Datum1862
PlaatsParijs
UitgeverHachette
TitelA dictionary of the Suahili language: with introduction containing an outline of a Suahili grammar
AuteurKrapf, Johann Ludwig; Cust, R. (ed.)
Datum1882
PlaatsLonden
UitgeverTrübner and Co.

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Vyncke, Amaat

Correspondenten - personen

Gezelle, Guido
Vyncke, Amaat

Naam - instituut/vereniging

Klooster van de Zusters van Liefde te Heule
The Royal Asiatic Society of of Great Britain and Ireland
Sociëteit van de Missionnarissen van Afrika (Witte Paters)
Het noviciaat van de Missionarissen van Afrika in Maison-Carrée (El-Harrach)

Naam - persoon

Demonie, Emiel
De Tollenaere, René
Gezelle, Guido
Verriest, Adolf
Verriest, Hugo
Vyncke, Amaat
Vyncke, Gusta
Lavigerie, Charles Martial Allemand
Féderlin, Jean Louis
Hanoteau, Adolphe
Cust, Robert Needham
Jamet, Louis Hyacinthe

Naam - plaats

Heist
Heule
Kortrijk
Londen
Suezkanaal
Karema
Port Said
Suez (stad)
Ismaïlia
El Harrach (Maison Carrée)
Zanzibar

Plaats van verzending

Suezkanaal

Titel - ander werk

onbekend
Aktab en tibratin d endjilen i idomniken tifestin ousoggas, s Taqebailit ...
Notice of the scholars who have contributed to the extension of the knowledge of the languages of Africa
Scripturae linguaeque Phoeniciae monumenta quotquot supersunt edita et inedita ad autographorum optimorumque exemplorum fidem edidit additisque de scriptura et lingua Phoenicum commentariis
Brieven van eenen Vlaamschen Missionaris in Midden-Africa. Tweede reeks. Reis van Algiers naar Zanzibar
De Vlaamsche Vlagge
Le Muséon: Revue d'Études Orientales
Akatcim ne Diousis Ledzer S Taqebailit. Catéchisme du diocèse d'Alger en langue kabil
Essai de grammaire kabyle, renfermant les principes de ce langage berbère parlé par les populations du versant nord du Jurjura et spécialement par les Igaouaouen ou Zouaoua, avec des textes et traductions, suivi de notes et d'une notice sur quelques inscriptions en caractères dits tifinar' et en langue tamacher't
Feiz ha Breiz
Itinéraire historique et descriptif de l’Algérie : comprenant le Tell et le Sahara. (Collection des Guides-Joanne).
A dictionary of the Suahili language: with introduction containing an outline of a Suahili grammar

Titel - werk van Guido Gezelle

Loquela

Titel01/05/1883, Suezkanaal, [Amaat Vyncke] aan [Guido Gezelle]
EditeurKoen Calis; Marc Carlier (research)
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Marc Carlier (research), Vyncke Amaat aan Gezelle Guido, Suezkanaal, 01/05/1883. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderVyncke, Amaat
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum01/05/1883
VerzendingsplaatsSuezkanaal
AnnotatieAdressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift; brief geschreven aan boord van de Patna op het Suezkanaal.
Gepubliceerd inBesproken in: Reizen in den geest. De boekenwereld van Guido Gezelle. / door E. Depuydt; A. De Vos; W. Muylaert ...(teksten); L. Vandamme (samenst.). - Brugge : Openbare Bibliotheek "Biekorf", 1999, p.161-162
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 enkele vellen, 230 mm x 152 mm
papier, wit
papiersoort: 4 zijden beschreven; zijde 2 in twee richtingen beschreven, inkt
Staat volledig (tekstverlies door beschadigde zijkanten)
Vormelijke bijzonderheden zijde 1 en 3: gedrukt artikel van Ameet Vyncke in Loquela Jrg. 2 (Oostermaand 1883), nr. 12, p. 94-96) als strook in het midden waarrond A. Vyncke notities alsook de brief schreef.
brief van G.G. aan A. Vyncke op zijde 4
Toevoegingen op zijde 1 in de rechtermarge: Loquela, 1882-1883. // n° 12 (Oostermaand) bl. 94-96 (inkt, verticaal, hand P.A.)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5330
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11639
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/82d6536cbaf04b246e394931f7671002613a20fe/manifest
Inhoud
IncipitDrukproev[en] [wed]erezenden aan [...] [De] Meester ([...] G. tot Kortryk)
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.