<Resultaat 1173 van 3122

>

p1
Mijn zeer Eerw. Heer G. Gezelle
onderpastor
tot
Kortrijk
(West-Vlanderen)
 
p1+
Eerw. Heer en Meester,

hierbij een paksken inhoudende de 3/4 van onzen Paasch-oogst. - Vertelselkes van dien aard hebben wij nog die gij in 't kort krijgt indien ze meugen dienen.

Zend toch gauw eene goede Woordenzang[1] voor den 4de No, anders komt hij weêr te laat, want wij kunnen ons maar tot Sinxen[2] beezig houden met 't Daghet, de volgende week: geestelike afzondering en Wijding.[3] Bidt voor Koob en mij die Diaken gaan werden en voor uwe andere Limburgsche gullebroêrs, wij hebben 't allemaal hoog noodig. Gisteren mijnheer Daniëls hier gehad, hij zei dat hij u geschreven had en dat hij 't klok opschrift[4] naar Ceysens gedaan heeft. Hij zal in 't korte nog verschillige dingskes gereed hebben. Achter den ouden schoolmeester[5] en kunnen wij niet meer geraken.[6]

Den eersteling[7] van E.H. J. Claerhoudt hebben wij allemaal grooteliks bewonderd, wij meenden tot 't einde toe dat hij van u kwam. Wilt Mr Claerhoudt ons ook niet wat helpen in 't Daghet? Mr Daniëls heeft eenen jaargang betaald van 't Daghet voor Mr. Kan. Duclos, zoo dat hij ook eens van 't Daghet zal hooren. Toe, zend toch gauw een korenzange,[8] en blijft ons allen Godebevolen[9] en weest eerbiedig en zeer dankbaar gegroet!

A.C. en Anderen

P.S. een leven wi een oordeel:[10] algemeen gezeid in Limburg.

her, har[11] van de deur, ook.

Noten

[1] Rubriek met verzameling Limburgse dialectwoorden in ’t Daghet in de Oosten.
[2] Zondag 24 mei 1885.
[3] De geestelijke afzondering en de wijding vonden plaats in de week na Pinksteren van 25-30 mei.
[4] P. Daniëls schreef in zijn brief van 14/05/1885 aan Gezelle: “Ik zend u twee klokinschriften voor ‘t Daghet. M. Cuppens heeft mij gezegd dat gij fel scheutig waart op zulke dingen en deze twee hebben hem en mij ook goed bevallen”.

Zie: P. Daniëls, Ons Boek- En Boekstafwezen – Klokinschriften te Zonhoven. In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885), p. 38-39.

[5] In zijn brief van 04/05/1885 aan G. Gezelle zal Cuppens noteren: “Die ouden schoolmeester en kennen wij niet maar wij zullen hem toch wel vast krijgen; docht u niet dat zijn geschrift op Mr Teurlinckx 't zijne trok?” Cuppens vermoedt dus dat ‘de oude schoolmeester’ een schuilnaam is voor J. F. Tuerlinckx.
Maar uit de brief van L. W. J. Lenaerts aan G. Gezelle van december 1887 ontdekken we zijn echte identiteit: Gij weet zeker wel, in 't doorgaan gezeid, dat de tweede Groot-vicaris Mgr. Boogaerts ons ondersteunt en “die oude schoolmeester” is waar gij in den 1sten N° (over Sprokkelmaand) aan geantwoord hebt.”

Het artikel waarop Gezelle reageerde: Die Oude Schoolmeester (Constantinus Josephus Bogaerts), Uit boeken, brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 4, p. 25-28.

[6] Gezelle had laten weten in zijn brief van xx/05/1885 aan A. Cuppens dat hij de brief kwijt was: ”Heb u eerst een ongeluk te melden. De brief van eenen ouden schoolmeester, dien gij mij zondt is ievers uit mijn schof Limburg of er nooit in gerocht! Ik heb al een heelen dag tijd verloren om hem te zoeken; nievers! Dat spijt me te meer omdat ik er eene goede antw. op gereed had. Wist gij den schrijver op te sporen vraagt dat hij als een goede haan nog nen keer kraaie.”
[7] J. Claerhout, Desselgem. In: Loquela: 5 (lente 1885) 11, p. 86-88.
[8] WNT 1500-heden: “Korenzang of korenzante: een handvol gelezen en samengebonden korenaren”. Het woord verwijst naar ’Vindekoorn’, een rubriek in het blad De Student waarin ingezonden gewestwoorden opgelijst en verklaard werden, en ’Zantekoorn’, een soortgelijke rubriek in Guido Gezelles taalkundige tijdschrift Loquela. In ’t Daghet in de Oosten heet deze rubriek met Limburgse woorden ’Woordenzange’. Guido Gezelle bezorgde hun woorden om daar te publiceren.
[9] MNW 1250-1550: “gode(be)volen (bn): Aan God en zijne bescherming aanbevolen”.
[10] M. Maasen en J. Goossens, Limburgs Idioticon: verzamelingen dialectwoorden (woordenzangen) van 1885 tot 1902, verschenen in het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Tongeren: Drukkerij George Michiels, 1975, p. 200: ”’t Was der e' leven wi een oordeel; en toe' de pastoor afkwam was alles ponk stil.”
[11] M. Maasen en J. Goossens, Limburgs Idioticon: verzamelingen dialectwoorden (woordenzangen) van 1885 tot 1902, verschenen in het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Tongeren: Drukkerij George Michiels, 1975, p. 244: ”Har die buiten op de deur geschroefd wordt in tegenoverstelling met die binnen in gewerkt wordt zoo dat men de vleugels van den har niet ziet.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamClaerhout, Juliaan
Datums° Wielsbeke, 09/12/1859 - ✝ Kaster, 12 /02/1929
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; bestuurder scholen; pastoor; auteur
BioJuliaan Claerhout, zoon van Constant Claerhout, landbouwer, en Amelia De Volder, werd op 22/12/1883 tot priester gewijd te Brugge. Hij werd leraar aan het college te Tielt (18/09/1884) en aan de normaalschool te Torhout (10/09/1887). Vervolgens was hij onderpastoor te Sint-Denijs (23/09/1889), bestuurder van de scholen te Pittem (24/11/1894) en pastoor te Kaster (17/02/1911). Claerhout werd bekend door zijn archeologische opgravingen in Pittem en Dentergem. Hij schreef o.m. verschillende artikels in het tijdschrift Belfort en was nauw betrokken bij Gezelles tijdschrift Biekorf.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); adressenlijst Cordelia Van De Wiele; Biekorf
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamTuerlinckx, Jan Ferdinand; Tuerlinckx, Joannes Ferdinandus
Datums° Glabbeek-Zuurbeemden, 23/11/1833 - ✝ Aarschot, 25/04/1900
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; directeur; inspecteur; dialectoloog
BioJan Ferdinand Tuerlinckx werd geboren op 23 november 1833 in Glabbeek-Zuurbeemden, nabij Tienen, als zoon van landbouwers Petrus Ludovicus Tuerlinckx (1808-1879) en Maria Romain (1799-1874). Hij huwde op 8 januari 1863 in Kersbeek Miskom met Florentina Benigna Bullens (1832-1891). Er waren verschillende kinderen. Tuerlinckx was actief als onderwijzer in verschillende gemeenten, waaronder Kersbeek-Miskom, Glabbeek-Zuurbeemden en Neerlinter. Vanaf 1879 stond hij aan het hoofd van de vrije jongensschool in Tienen. In 1890 werd hij kantonaal schoolopziener voor het lager onderwijs in Aarschot. Hij publiceerde onder meer een bijdrage over het Hagelands taaleigen (1882) en een bekroond werk over het Hagelands dialect (1883), waarmee hij erkenning kreeg van de Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taalkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenAgatha; Geneanet
NaamBogaerts, Constantinus Josephus; Die oude schoolmeester
Datums° Paal, 31/01/1812 - ✝ Zonhoven, 17/02/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; diocesaan inspecteur; pastoor; : vicaris-generaal; erekanunnik; erekamerheer van de Paus
BioJosephus Constantinus Bogaerts werd op 31 december 1812 geboren in Paal in een landbouwersgezin. In 1830 begon hij aan zijn schoolloopbaan in theologie en filosofie aan het seminarie van Luik, waarna hij op 16 augustus 1835 tot priester gewijd werd. Tevens was hij enkele jaren actief als leraar aan het atheneum te Leuven (1837) en het kleinseminarie te Rolduc (1841). Zijn tijd in Leuven werd gekenmerkt door culturele en literaire inspanningen, zoals bijvoorbeeld het stichten van het studentengenootschap “Met Tijd en Vlijt” en bijdrages aan het blad “De Middelaer”. In 1842 werd hij directeur van de normaalschool in Sint-Truiden. Het jaar daarop werd hij diocesaan inspecteur voor het lager onderwijs in Limburg en in 1846 werd hij ere-kanunnik. Vervolgens was hij van 1849 tot 1852 leraar dogmatiek aan het grootseminarie in Luik en vanaf 1851 de titularis kanunnik van de Luikse kathedraal. In 1853 werd hij secretaris van het bisdom Luik. Hij moest echter een vijf jaar lange rustperiode nemen ten gevolge van spanning en oververmoeidheid. Hij werd daarna in 1858 pastoor te Guigoven. Nadat hij in 1861 benoemd werd tot vicaris-generaal van het bisdom Luik werd hij verheven tot kamerheer van Paus Pius IX. In 1875, nog geen 63 jaar oud, ging hij voorgoed op rust te Zonhoven waar hij op 17 februari 1891 overleed. Tijdens zijn leven was Bogaerts erelid van Utile Dulci in Sint-Truiden. Hij schreef theologische werken en was redactielid van "De School- en Letterbode" tussen 1844 en 1855. Hij ageerde onder het pseudoniem 'Die oude schoolmeester' op het tijdschrift "'t Daghet in den Oosten". Guido Gezelle diende hem van een wederwoord.
Links[odis]
Bronnen https://www.paalonline.be/cms55/item/2432-kanunnik-bogaerts

Naam - plaats

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - instituut/vereniging

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens

Titel[17/05/1885], Luik, [August Cuppens] e.a. aan Guido Gezelle
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, [17/05/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
Verzender[Cuppens, August]
Verzender[Limburgsch Zantersgildeken]
OntvangerGezelle, Guido
Verzendingsdatum[17/05/1885]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieDatum en plaats gereconstrueerd op basis van de poststempel ; adressant gereconstrueerd op basis van het handschrift.
Fysieke bijzonderheden
Drager 87 mm x 123 mm
papier, geel
papiersoort: recto met adres; verso verticaal beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden op adreszijde: gedrukte postzegel, afgestempeld
bijlage met "vertelselkes" ontbreekt
Toevoegingen verso met inkt doorgehaald
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5486
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11798
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/e76e24c47c027a3bc53eb520b13f422e0cec20e2/manifest
Inhoud
Incipithierbij een paksken
Tekstsoortbriefkaart
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.