Uw brief heeft mij verheugd: het doet mij deugd dat gij de jeugd die gij eenmaal hebt opgewekt, niet verwaarloost, dat gij wankelende kinderen nog geerne recht leert gaan! Ik dank U eerst en vooral voor de lieve verzen en het beeldeken die gij mij welwillend hebt toegezonden;[2] ik zal ze altijd bewaren als eene gedenkenisse uwer, en tot uwer gedenkenisse. Gelukkig voel ik mij een door u eigenhandig geschreven stuk te bezitten: het is de schoonste gedachtenisse die een schrijver aan iemand kan schenken.
Ik zal trachten u iets in onrijm toe te sturen, Eerweerde Vader, en ik hoop dat gij volgens p2uwe belofte het zult nazien en er mij onmeedoogend de talrijke gebreken van aanwijzen; kritiek en berisping heb ik uiterst lief, want zij zijn het beste middel om te zuiveren. Hoe nuttig voor mij dat een zoo wijze en zoo kundige ambachtsman mijn ruw hout wil effen schaven!
Op uwen raad, Eerweerde Heer, heb ik reeds in het tijdschrift “De Biekorf“ voor het jaar 1898 ingeteekend. Ik hoop er dikwijls verzen van U in te lezen, en uit het leesblad kloek nut te putten.
Heb nogmaals dank voor uwe welwillendheid en goedheid ten mijnen opzichte; en in afwachting U een klein opstel, hoe gebrekkig het ook zij, op te sturen, bied ik U, Eerweerde Heer en Vader, mijne eerbiedige groeten, en vraag uwen priesterlijken zegen.







