Edgar Tinel gezien,
gezien, gehoord, gesproken?
En heeft hij u
dat overstoflijk brood
van zang en spel gebroken
op zijn klavier?
Die verzen las ik gisteren in uwen “Tijdkrans”, Eerweerde Heer; en terwijl ik er op peinsde en her op peinsde rees zachtjesaan een ander beeld mij voor den geest en mij docht het dat ik las
Guido Gezelle gezien,
gezien, gehoord, gesproken?
p2En ik moest antwoorden: vele van Gezelle’s werken heb ik gelezen; menigmaal heb ik bij ‘t smaken van “Kerkhofblommen” en “Rijmsnoer” eenen traan langs mijne wang voelen rollen; doch neen, nooit en heeft Gezelle mij aangesproken! En in ‘t diepste van mijn jong herte kwam een spijtig gevoel mijnen boezem benijpen.... Maar indien ik het hem vroeg, dacht ik, zou Gezelle geen woordje tot mij willen zeggen? En zou hij?
En nu vraag ik het u, Wijze Vader, Kloeke Strijder! O, schrijf mij een versje dat mij toone hoe schoone mijn Dietsch is![2] Schrijf mij een reekje dat mijn leuze en mijn vaandel zij! En eerbiedig en kloek zal ik gansch mijn leven dat vaandel begroeten en vereeren; ik zal het bewaren en beschutten als mijn kostbaarste schat!
Vleien en kan de Vlaming niet, maar beminnen en bewonderen, wel; en dat kan ik ook. Het is billijk dat de Vlaamsche jeugd hertp3en ziel vast blijve kleven aan die mannen die haar uit den sluimer gewekt hebben!
O, schenk mij die gedenkenisse, die reliquie, vooraleer ons hier alleen, als weezen, op aarde te laten, en aanveerd op voorhand, Eerweerde Heer en Vader, den innigsten, diepsten en eeuwigen dank van
eenen jongen Vlaamschen strijder,







