<Resultaat 1138 van 3122

>

p1

+ Geloofd zij Jezus Christus

Weleerweerde Heer en geliefde Meester,

Wij hebben de leste kladprent[1] gisteren - Dijsdag - naar den drukker gestuurd, hem aanmanende dat hij er toch geene andere verbeteringen zou aandoen als die der op geschreven waren. Hij is immers gewend zijn eigen beliefte te doen en sommige schrijfwijzen als fauten te verbeteren omdat ze niet overeen en komen met de regels van Roucourt.

't Daghet zal dus eindelik dagen in 't kort:[2] daar zijnder anders hier al die meenen dat het doodgeboren is.[3]

310 zijnder op ingeschreven: pas maar op dat gij uwe eigen Loquela niet dood en werkt! Als gij er eens dingen in schreeft wi er in de leste Loquela stonden, ei! daar zitten in Limburg zoo geleerde mannen als dien van Kortrijck, zouden ze zeggen, en zij geven hem maar nog aan halven prijs!

Maar, och arme! spijtig dat het allemáal geen helden en zijn! -

Gelijk gij gezien en goedgekeurd hebt, hebben wij eenige woorden uit de Zang en uit “Ludeker wale-p2Dietsch"[4] weggelaten, dezen keer, omdat wij anders te veel plek noodig hadden. Dat is nu voorraad voor den 2en n°. Weet gij wat? Gij kost nu een redelik groot getal woorden drukveerdig op papierlingen schrijven, bijv. een 100, die wij seffens kosten doen zetten. 't Ware dan gemakkelik der elken keer eenen keus uit te doen van kortere of langere uitleggingen naar gelang van de meerdere of mindere plek die wij voor de zange[5] hadden. Dat zegt Koob.

Ik ben gisteren naar 't musæum van de Kathedraal zien geweest, daar staat een heel oude frankische gebakken pot waar der rondom, van boven, twee reeken runen op geboekstaafd staan: 't zal misschien een oud germaansch vers zijn, eene zegenspreuk of zoo iets. Ik vroeg om het mogen af te schrijven maar ze zeiden mij dat onze Professor Daris het al gedaan had om 't eens laten te lezen van eenen geleerden man. Ik mag de runen van Mr Prof. Daris afschrijven.[6] Kunt gij daar niet uit: 't ware een schoon ding voor ons Daghet? Of kent H. Johan Winkler daar niets van? Dan zal ik ze voor u of voor hem afschrijven.[7]

In 't Musæum, hier ter steê van Ludike, liggen der ook verschillige oude snuifdoozen en ander gerief waar vlaamsche verzen op gesneden staan. Die p3gaan wij den eersten Dijsdag van Meert[8] ook afschrijven en u laten zien.

Hebt gij al hooren kallen of gelezen van de Kronijk van 't Convent van Ste Clara, te Maeseyck. Ik geloof dat ze ook van Habets uitgegeven is,[9] maar ik ben er niet zeker van. Mijnheer Prof. Daris heeft ze, uitgegeven, op zijne kamer liggen en ik kan ze van hem te leen krijgen. Hij zegt dat het Limburgsch van die Kronijk danig trekt op de taal waar onze Heynrilk van Veldeken zijnen Aeneis[10] in gedicht heeft.

Dien Aeneis, over eenige jaren te Leipzig uitgegeven met veel geleerden uitleg derbij, kan ik ook van Mr Daris krijgen, alsook de “Kronyk van de landen van Overmaes” (Habets)[11]

Wij hebben nu een 200 oude limburgsche woorden opgeschreven uit de werken van Mr Daris, ook eenige alike[12] oude oorkonden. Wij moeten nog 6 boeken van Mr Daris doorlezen, eer wij er meê gedaan hebben. Dan gaat gij onzen oost t'huis krijgen, op papierlingskens geschreven, en met de bladzijde en den zin erbij, waar wij ieder woord in op gedaan hebben.p4Gij zijt zeker vergeten dat gij mij nog 15 frs. schuldig zijt voor dien walschen woordenboek van Grandgagnage.[13] Maar zij zijn u kwijt gescholden. Wij hebben immers over de 20 halve guldens over aan ons Daghet en daar betalen wij uwen woordenboek meê. Kosten wij u maar wat beter vergoeden voor al uw slaven en al uwe onkosten, wij zouden 't zoo geeren doen! Maar nu kunnen wij niets meer als u van herte dankbaar en meer en meer genegen zijn, en bidden dat God het u loone!

Na Paschen[14] gaan wij Schuermans en Tuerlinckx hunne Idioticons krijgen, misschien Debo ook, maar dat is nog maar 'nen misschien. Die werken zullen ons fel nuttig zijn, hoop ik: wij en zullen dan zooveel woorden niet meer onnuttig op te schrijven hebben. Hoe maakt het uw Johan Winkler al? Gaat hij vooruit naar de Waarheid? Wij bidden alle dagen voor hem.[15]

Van herte gegroet en Godebevolen![16]
A. Cuppens en An

Noten

[1] Definitieve proefdruk van het eerste tijdschrift van ’t Daghet in den Oosten.
[2] Het eerste nummer van ’t Daghet in den Oosten verschijnt op 1 februari 1885.
[3] Op de eerste pagina van ’t Daghet in den Oosten staat de datum vermeld als “nr. 1, kort maandeken, 1885”.
[4] ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 7: “Ludeker Walendietsch - Over de oude dietsche woorden die in de taal der Ludeker- of Luikerwalen in ballingschap zitten heeft al meer als een geleerde zoeker de pen gevoerd. De werken van Bormans, Grandgagnage, Scheler, Sigart, Habets, Demarteau, en anderen staan borg voor dit zeggen. Neven die werken, die op tijd en stond in 't Daghet, zullen te pas komen en aangehaald worden, diene de volgende verzameling van Luikerwalsch- dietsche woorden tot hulpvoorraad en oefenstof van hen die 't lust en gaait op dit veld mee te akkeren (...).”
[5] Rubriek met een verzameling Limburgse dialectwoorden in ’t Daghet in de Oosten.
[6] Hoewel A. Cuppens de pot met runen daadwerkelijk heeft gezien en via professor Daris over een afschrift hiervan kon beschikken, valt in ’t Daghet in den Oosten geen spoor van dit materiaal terug te vinden.
[7] Brieven waarvan sprake is van de pot met runen:

1) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van 02/03/1885

2) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van xx/04/1885

3) In de brief van xx/05/1885 aan A. Cuppens vraagt Gezelle uiteindelijk om hem de runen op te sturen ter ontcijfering.

4) In de brief van 14/05/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle zegt Cuppens dat hij de afschriften van de runen bij Prof. Daris zal opvragen.

5) In de brief van 04/06/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle zegt hij: “'t Oud geschrift van dien pot, punt afgeschreven wi het op den ouden pot stant (Daar is, jammer genoeg, een heel deel uitgevaagd van den sleet)”.

[8] 3 maart 1885.
[9] De drie kronieken zijn uitgegeven door Habets in 1869. Hij publiceert erover in: Jos. Habets, Drie chronijkjes van Ste-Agnetenklooster der orde van den H. Augustinus te Maeseyck 1430-1589, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg (PSHAL) 6 (1869) 383-440.

Zie ook de bespreking van dit artikel in: Ons Boek- en boekstafwezen IV: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 6, p. 47-48.

[10] Met zijn Eneasroman bewerkte Van Veldeke, naar Anglo-Normandisch voorbeeld, het beroemde Latijnse epos van Vergilius, waarin onder meer de liefdesgeschiedenis van Dido en Aeneas in Carthago wordt verteld. Aeneas verlaat Dido om zijn lotsbestemming te volgen: de stichting van Rome. De eerste Dietse dichter presenteerde de Duitse keizers, zijn broodheren, daarbij als de erfgenamen van het Romeinse rijk.
[11] Habets publiceerde erover in: J. Habets, Chronijk der landen van Overmaas en der aangrenzende gewesten door eenen inwoner van Beek bij Maastricht (1275-1507), in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, 7 (1870), p. 5-231.
[12] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p.37: ”Aallijk, alik, bn. geheel. Ook Brabants. Mnl. alijc, aellijc ’volledig, geheel, volkomen”.
[13] Gezelle schrijft in zijn brief van 11/12/1884 aan A. Cuppens: ”Kunt gij Grandgagnage krijgen voor 15 fr. Koopt hem voor mij, ik zal u ’t geld opzenden per post”.
Het boek is aanwezig in de handbibliotheek van Guido Gezelle in het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge, nr. GGB 0808-1.
[14] Zondag 5 april 1885.
[15] In zijn brief van februari 1884 schreef Gezelle aan A. Cuppens en het Gulleke: ”N. B. Bidt voor hem (in ’t stille), sedert zijne reize alhier begint hij te twijfelen aan zijne ongeloovigheid”.
[16] MNW 1250-1550: “godevolen (bn): Aan God en zijne bescherming aanbevolen”.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamRoucourt, Theofiel; persoon1581-SchuermansLodewijkWi
Datums° Diest, 16/09/1834 - ✝ Berchem, 25/01/1926
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; auteur; directeur; pastoor; deken
BioTheofiel Roucourt deed zijn middelbare studies te Diest aan het Stedelijk College. Vermoedelijk volgde hij nadien filosofie aan het kleinseminarie te Mechelen (1853-1855) en zijn priesterstudies aan het grootseminarie te Mechelen (1855-1858). Hij werd priester gewijd op 18 september 1858. Daarna werd hij benoemd tot leraar aan het kleinseminarie te Mechelen, waar hij de auteur was van enkele handboeken Nederlandse taal. In 1874 werd hij stichter en eerste directeur van het Sint-Norbertuscollege te Antwerpen. In 1878 werd Theofiel Roucourt benoemd tot pastoor op de Sint-Willibrordusparochie te Antwerpen, en in 1895 tot deken van het 2de district te Antwerpen. Hij had een wezenlijke bijdrage in de ontwikkeling van dit stadsdeel onder meer in de bouw van het Sint-Willibrorduslokaal, de oprichting van de nieuwe Sint-Hubertusparochie in 1899, de stichting van het Sint-Stanislascollege in 1903, de stichting van het Pensionnat des Dames de la Sainte Famille in 1905, de oprichting van het Sint-Edmondusinstituut te Zurenborg en de oprichting van de nieuwe Sint-Theresiaparochie. Als deken was hij tevens voorzitter van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen (1878-1905). Onder zijn bestuur werd in 1903 gestart met de bouw van het Mariagasthuis te Berchem. Hij was tevens lid en bestuurslid van diverse taalkundige genootschappen waaronder het Taal- en Letterlievend Genootschap 'Met Tijd en Vlijt' te Leuven en de Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taalkunde. Vanuit 'Met Tijd en Vlijt' was hij medeoprichter van de Davidsfondsafdeling te Antwerpen (1875). Roucourt was ook enkele jaren lid van het hoofdbestuur van Davidsfonds (1878-1881).
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamHabets, Joannes Josephus
Datums° Oirsbeek, 27/11/1829 - ✝ Maastricht, 22/06/1893
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; historicus; archivaris
VerblijfplaatsNederland
BioHij werd in 1881 tot eerste rijksarchivaris in Limburg benoemd en bleef dit tot zijn overlijden. Sedert 14 juni 1880 was hij lid van de Nederlandse Koninklijke Academie en vanaf 1887 buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Hij publiceerde talrijke bijdragen over geschiedenis en oudheidkunde en gaf een aantal teksten uit, o.m. "De Echtverbintenis van Maria", een "Limburgs Misteriespel" (1876) en "De Legende van Sint-Servatius"(1881), een Middelnederlands prozahandschrift.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellelid en buitenlands erelid van de Nederlandse Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde
NaamWinkler, Johan (junior)
Datums° Haarlem, 06/10/1898 - ✝ Deventer, 27/09/1986
GeslachtMannelijk
Beroepjournalist
VerblijfplaatsNederland
BioJohan Winkler (junior) werd geboren in Haarlem op 6 oktober 1898 als zoon van Andries Winkler en Alida van Blaaderen. Hij was de kleinzoon van Johan Winkler en huwde met Klara Hedwig Charlotte Richter en later, na echtscheiding, met de jeugdschrijfster Johanna Christina Vonk. Johan Winkler studeerde eerst theologie in Leiden en Amsterdam en later Germaanse Letteren in Amsterdam. Hij was ondertussen secretaris geworden van P.J. Troelstra (SDAP). Vanaf 1927 werd hij achtereenvolgens benoemd tot chef-redacteur van het Rotterdamse "Voorwaarts", en tot directeur van de "Arbeiderspers", "Vrij Nederland", "Het Parool" en de "Kluwerpers". Naast zijn journalistieke bedrijvigheid maakte hij ook vele vertalingen (vooral uit het Duits) van literaire (o.a. Rilke en Stefan Zweig), filosofische en historische werken.
NaamDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Datums° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NaamVan Veldeke, Hendrik; Van Veldeke, Heinric
Datums° Heerlijkheid van Veldeke (bij Hasselt), ca. 1150 - ✝ na 1186
GeslachtMannelijk
Beroepdichter
VerblijfplaatsDuitsland
BioHendrik van Veldeke werd rond 1150 geboren op de heerlijkheid Veldeke, gelegen tussen Spalbeek en Kermt nabij Hasselt. Hij was een zoon uit een lager geslacht van dienstadel. Vermoedelijke verblijfplaatsen in zijn leven waren onder meer Tongeren, Sint-Truiden, Maastricht, Kleve en Thüringen. Zijn kennis van Frans, Duits en Latijn wijst op een degelijke intellectuele vorming. Hij schreef 33 minneliederen. In deze liederen gaf hij de hoofse ridderliefde vaak een licht ironische en kritische nuance. Tijdens de verfraaiing van de Sint-Servaasbasiliek van Tricht vertaalde en bewerkte hij de “Vita Sancti Servatii”. Daarin prees hij de Servaasdevotie van de Duitse keizers en steunde zo indirect de belangen van de graven van het Graafschap Loon, die invloed wilden krijgen over het Duitse kapittel van Sint-Servaasbasiliek in Maastricht. Met zijn Eneasroman, een bewerking van een Anglo-Normandisch voorbeeld, beschreef hij onder meer de liefdesgeschiedenis tussen Dido en Aeneas in Carthago. Van Veldeke stelde de Duitse keizers voor als erfgenamen van de Romeinse keizers en gaf hen zo een belangrijke plaats in de christelijke heilsgeschiedenis. Over zijn leven is weinig met zekerheid bekend, veel wordt afgeleid uit zijn werk. Van Veldeke wordt beschouwd als de eerste Dietse dichter die in het Limburgs schreef. Hij droeg bij aan de ontwikkeling van een geschreven volkstaal en staat bekend om zijn verfijnde rijmschema’s. Met zijn door Ovidius geïnspireerde liefdespsychologie opende hij een nieuw literair register in de Dietse literatuur. Zijn werk toont hoe hij zijn literaire talent in dienst stelde van zowel de graven van Loon als de Duitse keizers. Hoewel hij in het Middelnederlands schreef, zijn zijn ridderroman en minneliederen uitsluitend in Duitse handschriften overgeleverd. Ook in het Duitse taalgebied was hij een gevierd dichter.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamGrandgagnage, Charles Marie Joseph
Datums° Luik, 09/06/1821 - ✝ Luik, 07/01/1878
GeslachtMannelijk
Beroeplinguïst; politicus
BioCharles Marie Joseph Grandgagnage werd op 9 juni 1821 geboren te Luik, als zoon van Charles, directeur van de douane voor de provincie Luik, en van Catherine Laurence Dubois. Als jongeman reisde hij door Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Oostenrijk en Hongarije. Uit zijn grondige kennis van numismatiek en een onvoltooid manuscript van zijn hand over de oorsprong van adellijke titels bij de Germanen, blijkt zijn historische interesse. Hij trouwde met Anne-Marie de Schiervel en woonde zowel in Luik als op het familiekasteel in Vaux-et-Borset, waar hij later werd begraven. Hij was medeoprichter van het Archeologisch Instituut van Luik (1850) en de Société liégeoise de littérature wallonne (1852). Hij werd voorzitter van beide instellingen tot aan zijn dood. Grandgagnage verwierf internationale erkenning als grondlegger van de studie van de Waalse taal, die hij met een bijna archeologische nauwgezetheid tot haar oorsprong ontleedde. Zo getuigt onder meer “Vocabulaire des anciens noms de lieux de la Belgique orientale” van zijn diepgravend onderzoek. Zijn belangrijkste werk, de “Dictionnaire étymologique de la langue wallonne”, werd pas na zijn dood voltooid. Door zijn uitgesproken perfectionisme stelde hij de publicatie van zijn wetenschappelijke onderzoek vaak uit. Daarnaast bouwde hij een politieke carrière als liberaal volksvertegenwoordiger (1859-1864) en later als senator (1871-1878) voor het arrondissement Luik. Grandgagnage overleed onverwacht op 7 januari 1878 na een korte ziekte.
Links[wikipedia]

Naam - plaats

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk
NaamMaaseik
GemeenteMaaseik
NaamLuik
NaamLeipzig

Naam - instituut/vereniging

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]
NaamSchatkamer van de kathedraal van Luik
BeschrijvingDe Schatkamer van de kathedraal van Luik (Trésor de Liège) bevindt zich tegenwoordig in de gerenoveerde kloostergangen van de Sint-Pauluskathedraal. De kerkschatten van de voormalige Sint-Lambertuskathedraal, gered uit de handen van de Franse revolutionairen, werden op 1 januari 1804 plechtig overgebracht naar de sacristie van de Sint-Pauluskathedraal en vormden het begin van de collectie. Later werden er ook artefacten uit de kerken en het prins-bisschoppelijk paleis van Luik tentoongesteld. Tot de topstukken behoren de reliekbuste van Sint-Lambertus en het reliekschrijn van Karel de Stoute.
Datering1804-heden
Links[wikipedia]
NaamInstitut archéologique liégeois
BeschrijvingHet Institut archéologique liégeois (IAL) werd in 1850 opgericht met als doel archeologische vondsten, kunstvoorwerpen en historische artefacten uit het prinsbisdom Luik, van de prehistorie tot de moderne tijd, op te sporen, te verzamelen en te bewaren. Het instituut kwam tot stand op initiatief van de 'Société d’Émulation' van Luik. Pas in 1874 kreeg de collectie een duurzaam onderkomen in de provinciale gebouwen van het Paleis van de Prins-bisschoppen. In 1909 verhuisde het museum naar het Paleis Curtius, een voormalige patriciërswoning aan de oevers van de Maas. De samenwerking met de Universiteit van Luik waarborgt de wetenschappelijke onderbouw van het instituut. Via de website van het IAL zijn zowel de collecties als de omvangrijke gespecialiseerde bibliotheek toegankelijk.
Datering1850-heden
NaamHet Agnetenklooster, of Sint-Agnesconvent
BeschrijvingHet Agnetenklooster, ook bekend als het Sint-Agnesconvent, was een klooster van reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus in Maaseik. Het werd opgericht in 1429 en was gewijd aan de heilige Agnes. Het kloostergebouw lag binnen het begijnhof, buiten de wallen. In 1455 voegde de bisschop van Luik deze belangrijke religieuze gemeenschap toe aan het kapittel van Venlo dat de regels van de Moderne Devotie volgde. Deze ‘zusters van het gemene leven’ deelden hun bezit, deden eenvoudig werk (weven van linnen, laken, fluweel) om aan de kost te komen, en hielden zich verder bezig met gebed en meditatie. Deze orde kenmerkte zich door een intense omgang met boeken, lectuur van de Bijbel. Ze schreven hun lectuur neer om er zich later verder op te bezinnen. Tijdens de oorlogen van Luik tegen het Land van Loon werd het klooster in 1482 ingenomen en kort daarna in de as gelegd. De zusters vluchtten naar Susteren. Vanaf 1485 werd een nieuw klooster binnen de stadswallen gebouwd. Het klooster bleef bestaan tot 1797, toen het door de Fransen werd opgeheven en verkocht aan een advocaat uit Maaseik. Het klooster had een bijzondere band met de schilder Jan van Eyck ( ca. 1390-1441). Volgens historische bronnen schonk hij liturgische gewaden aan het klooster. Zijn dochter Livina trad na zijn dood in bij de gemeenschap.
Datering1429-1797
Links[wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelAlgemeen Vlaamsch Idioticon
AuteurSchuermans, Lodewijk W.
Datum1865-1883
PlaatsLeuven
UitgeverGebroeders Vanlinthout en Karel Fonteyn
TitelBijdrage tot een Hagelandsch idioticon
AuteurTuerlinckx, J.F.
Datum1886
PlaatsGent
UitgeverHoste
TitelDictionnaire étymologique de la langue wallonne
AuteurGrandgagnage, Charles Marie Joseph
Datum1845-1880
PlaatsLiège
UitgeverF. Oudart
TitelWestvlaamsch idioticon [Heruitgave]
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk; Samyn, Joseph
Datum1892
PlaatsGent
UitgeverA. Siffer
TitelChronijk der landen van overmaas en aangrensende gewesten
AuteurTreckpoel, Petrus (aut); Habets, Joannes Josephus (ed)
Datum1870
PlaatsRoermond
UitgeverJ.J. Romen
TitelHeinrich von Veldeke. Aus der Reihe: Dichtungen des deutschen Mittelalters, Band 8. Hrsg.
AuteurVan Veldeke, Hendrik (auteur); Ettmüller, Ernst Moritz Ludwig (editeur)
Datum1852
PlaatsLiepzig
UitgeverVerlagshandlung Göschen
TitelDrie chronijkjes van Ste.-Agnetenklooster der Orde van den H. Augustinus te Maeseyck, 1430-1589
AuteurHabets, Joannes Josephus (ed)
Datum1869
PlaatsMaastricht
UitgeverCh. Hollman

Titel[28?/01/1885], Luik, August Cuppens e.a. aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, [28?/01/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Verzender[Limburgsch Zantersgildeken]
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[28?/01/1885]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieDatum en plaats gereconstrueerd op basis van de brieftekst: net voor het verschijnen van 't het 1e nr. van 't Daghet in den Oosten, de brief is op een woensdag geschreven vermoedelijk 28 /01/1885, dag onzeker ; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7472
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13825
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/a7fd6a45217d7662b9a108d041aefcbd880c9e47/manifest
Inhoud
IncipitWij hebben de leste kladprent gisteren - Dijsdag -
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.