Rijkaart Vande Putte, onze goede vriend en voorstander heeft mij laten weten en beschreven hoe hij 't geluk gesmaakt heeft van twee dagen bij u te kunnen verblijven, te kallen en te luisteren en deugdzaam verzet te genieten.[1] Ik heb er mij wat dik aan gedacht: nu zit hij bij Mijnheer Gezelle die in zijn boeken aan 't modden[2] is, nu bij Mijnheer Verriest die Meester Gezelle doet zingen op zijne kamer en doet bidden in roerende taal, en hij heeft zoo 'n lust en hij is zoo voldaan en zoo gelukkig! Kost ik er toch eens bij zijn met J. Lenaerts en Anderen! - Maar 't en heeft maar niet willen zijn, wij moeten ons hert en verlangen nog wat inbinden tot Paschen of toekomend Half-oost-verlof.[3] t Heeft mij anders als een doren in 't hert gestoken dat ik u niet heb kunnen zien en spreken maar 't is Gods wil geweest en daarmeê gedaan. Onze Rijkaart heeft mij ook al verteld dat gij hem eenen heelen schat kostelijken raad en hulp gelangd[4] en beloofd hebt voor hem en voor ons allen. Wat zal mij dat zijn, ik verlang er naar wie een visch naar 't water! Ik zeg u hertelijk: dank u, in mijnen naam en al de gullebroêrs den hunnen! God zal 't u zeker loonen dat gij ons zoo goed helpt en aanmoedigt in 't beminnen en 't verdedigen zijner waarheid. Wij willen voor God werken, beminde meester, en gij zijt zoo goed en helpt ons uit vriendschap voor Hem eerst, en uit toegenegenheid voor ons en uit liefde Zijner waarheid! Wij bedanken u, o, zoo hertelijk en wij zien er u toch zoo geeren om. Wij bedanken en loven al de andere brave en achtbare p2heeren-priesters en geleerde Vlamingen, die ons, armgeestig en onbekwame maar toch goêwillig Kempisch volksken willen genegen en behulpzaam zijn: Mijn Eerweerden Heer Verriest, den bekwamen en kloekmoedigen meester en leider van zooveel edele werkers en gloênige zielen - en ook den onzen, zonder dat hij 't weet - Mijnheer Kan. Duclos, Mijnheer Claerhout die zooveel zal kunnen verrichten en u al zooveel moet afgeleerd hebben tot nut van uwe nakomelingschap, en al de anderen.- .
Wij zijn hier gedurig aan 't werk. Lenaerts te Weert en ik te Beeringen; ik trek bijkans alle dagen den boer op om gaan te zangen en ik vind altijd al iets.
Wij hebben een schoonen brief gekregen van Johan Winkler. Ongelukkiglijk heeft hij niet kunnen komen, maar uitgesteld is niet verloren. Dat is mij wat een’ brave en vriendelijke heer! Help ook al een stooteken, als 't u belieft, om hem aan te zetten van ons te helpen, hij zou ons zoo veel goed kunnen doen!
Zoo gauw wij zullen in 't Seminarie zijn tegen de eerste dagen van Bâmes,[5] zullen wij u ons werk schikken voor “'t Daghet in den Oosten”, alsook onzen oost van anderhalf maand. Arthur zal u zeker komen den goedendag zeggen eer hij op trekt: dan kunt gij hem den ouden boek[6] meêgeven.
Rijkaart is ook al bij Mijnheer Jan Bols geweest, die eene Bloemlezing gaat uitgeven waar nu eens wat anders zal in staan als Hollandsch. Zoo geraakt de waarheid toch al overal binnen, en zij zal het moeten winnen, als 't God belieft. Hij heeft bij Jan Bols Mijnheer prof. Claes van Namen gezien, die eenen boek gedichten gaat uitgeven “In mijne ballingschap verzameld”[7]p3gelijk gij wel zult weten. Dat is ook een brave man en een goede Vlaming die de geuzen in hunnen tijd uit het Atheneum van Hasselt verjaagd hebben en verbannen naar Namen, om er zijne mannekrachten te gaan verspelen bij de Walen. Hij moeste hun Vlaamsch leeren! Wij gaan hem ook eens aanspreken, want 't is een Limburger. Mr Tuerlinx was ook al daar, bij Jan Bols, zoodat Rijkaart ten alle kanten twee vliegen in eenen slag geslagen heeft.
Woudt gij zoo goed eens zijn en schreeft ons eens kort en goed hoe wij 't moeten aanleggen om goed en deugdelijk te leeren werken, om van nu af aan al iets te kunnen schrijven dat nut in heeft enz. — wij kosten den brief als ons wetboek bewaren.[8] Dan gaan wij zoo onzeker niet vooruit: gij zijt onze Koning en Hertog: geef dus uwe bevelen maar op.







