Ik ben nu weêr terug van mijne lange reis van Vlanderen langst Beeringen naar Luyk,[1] waar ik nu zit op mijn oud kamerken, aan mijn oud schrijftafelken, met mijne oude verroeste pen in den hand, om u eerst en vooral mijne welgemeende warme en frissche dankbaarheid te betuigen over al 't schoone en 't goede en 't aangename dat gij mij verschaft hebt gedurende mijn al te kort verblijf in uw lievelik en edel Vlanderen en in uw bemind huis. Wat hebben die twee dagen mij goed gedaan en vreugd verschaft, ja, genoeg voor een heel jaar.
Nu heb ik uw levend, waar, schoon Vlanderen in zijn edele doening gezien, te weten op de prachtige bijeenkomst p2van Thielt! Wat is er daar al afgewrocht geworden sedert gij begost zijt met Debo zaliger, aan 't heropbouwen van uw vaderland, en wat zijn wij, arme kruppelingen[2] van Limburgers nog verre, verre, ten achtere tegen u!
Dit docht ik bij mijn eigen, toen ik op 't einde uwer lijkreden[3] (waar ik niets mag van zeggen tegen u) heel dat leger zag reghtstaan en juichen.
Maar 't is goed: nu heb ik ook gezien dat er hier moet gewerkt worden, en wat er komt van 't werk. Al komen wij maar 't tiende deel zoo verre als gij gekomen zijt, wij zullen God den Heer nog bedanken met blijdschap.
't Speet mij u kwijt geweest te zijn van Thielt af, maar ik heb toch genoeg geh had van allerlei voldoeningen van p3te meugen blij zijn; en meer als blij! Ik zal niet konnen uitgekald en hergekald komen van mijne reis naar Vlanderen en naar uwent. Gij hebt mij te veel vergoed voor mijne reis, Meester lief, ik zal 't u weêrgeven zoo gauw ik kan, want 't zou schande zijn, moest ik al betaald worden voor eene reis die mij zooveel vreugde en moed gegeven heeft.
'k Schrijf seffens ook aan uwen Z. Eerw. Heerbroeder: hij is toch zoo goed voor mij geweest!
'k Moet uw kleen braaf meisschen ook van herte bedanken voor de liefelike zorg die ze met mij gehad heeft, en zegt heur dat de 10 mijten[4] die ze te kort gekregen heeft van mij, uitstaan bij mij tot nen anderen keer, met verzekerden bijwas. p4Van M. Karel de Gheldere heb ik ook onzeggelik veel vreugde gehad toen ik met hem mocht rondwandelen door Thielt. 't Is zoo ne kluchtige brave mensch! Vraagt eens aan uwen Z.E. Heerbroêr wat hij der al uitgeslagen heeft, toen wij te zamen op vrijen wandel waren door de gepinte straten van Thielt.
Nu wensch ik u Gods vruchtbare zegen en danke u nog eens uit den grond mijnen ziel! Tot later. 't Daghet zal in 't korte uitzijn.







