<Resultaat 1171 van 3122

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Weleerweerde Heer en goede Meester,

Ik verzen u, met dezen brief den Nederlandtsen Herbarius:[1] ’t is schoon nederduitsch en daar zijn een heel deel woorden in die u misschien nuttig gaan zijn.

'k Zal morgen, vrijdag,[2] bij den drukker gaan vragen dat hij 't Daghet zóó plooien en inkleeden zou, wi gij 't verlangt, met veel anderen.[3]

Die ouden schoolmeester[4] en kennen wij niet maar wij zullen hem toch wel vast krijgen; docht u niet dat zijn geschrift op Mr Teurlinckx 't zijne trok?

Verleên Dijsdag ben ik bij Mr Daniëls geweest, en ik heb veel te zijnent gehoord en gezien dat mij verblijd heeft.[5] Hij heeft bekans heel ons Limburgsch Boek-wezen in zijne bibliotheek steken: een reek of 6 Limburgsche werken die ons aldernuttigst zullen zijn. Spijtig dat gij geen 8 dagen op dat lievelik Vogelsanck[6] kont zijn, gij zoudt er konnen midden in zijne boeken. Mr Daniëls is een echte Limburger, die hem noch geld noch moeite p2en spaart om achter zijne geliefde Limburgsche en Diestersche (hij is Diesteneer geboren) boeken te geraken.

Hij heeft in zijn bezit en zal het u in 't korte opschikken, het berijmde leven van Sinte Luutgarde,[7] dat Bormans zaliger toch uitgegeven heeft,[8] maar aleen op een 20 afdruksels die hij aan zijne vrienden rondgedeeld heeft. Zijt gij nu niet blij? Een oud Zonuwens[9] klokinschrift heeft hij ook: 't is 6 verzen lang en heel aardig. Hij zal het in 't Daghet doen drukken.[10] Hij heeft ook eene alderschoonste verzameling van oude Limburgsche munten, waar hij ook in 't Daghet over/schrijven zal als gij 't begeert.[11]

Nog al: een kluchtspel van nen Diesteneer in verzen gedicht,[12] en dat heel aardig is. 't Is uit de 16e eeuw en maar heel, heel moeielik meer te krijgen. Hij spreekt van het her uit te geven.[13] De man zou veel werken als hij maar tijd genoeg had; maar hij moet de heele week sukkelen om de twee gazetten van Hasselt: den Onafhankelijke en le Constitutionnel[14] op te houden. 't Is een vervelend werk, zegt hij, en ik geloof het wel, maar hij is er voor aangezatten[15] van Mgr van Luyk en daar moet het toch iemand doen. Hij zou heel geeren hebben dat gij hem eens kwaamt bezoeken in den p3zomer. Als gij kunt, doet het, lieve Meester, gij zult er uwen tijd noch onnuttig noch onverzettelik door brengen op dat oud schoon Vogelsanck[16] waar alles nog op zijn middeleeuwsch gaat: bellen voor de knechten bijeen te roepen als 't roozekrans is, zorg voor den boer en de arme die Mevrouw zelf oppast en alderhande schoone gebruiken. Mevrouw is eene andere Mevrouw Van Houthulst, wi ze in uwe gedichten bezongen werdt.[17] Zij kan goed vlaamsch en leest uwe Kerkhofblommen met veel genoegen en bewondering. Kom eens over in den zomer: dan reizen wij de Kempen eens gelijk af, met Koob en de anderen.

Dien gendarm zullen wij der lastig heel en gansch uitkrijgen,[18] want als wij alles van u in 't Seminarie moeten ontvangen, dan is 't spel verbrod. Maar wat gij doet: als gij kladprinten verbeterd hebt, schik ze rechtstreeks naar den drukker toe, maar doet de verbeteringen niet te zeer op Uw westvlaamsch. Zóó: “gelooft ook niet nemeer” voor niets nemeer of niks nemeer, dat en is geen Limburgsch. De drukker posteert (Beeringsch voor kijft) dat wij hem veel te veel aandoen met onze verbeteringen (met de uwe) omdat hij, altijd moet verzetten, weglaten en bijplakken. Hij zegt dat hij veel meer werk heeft met 't Daghet als met zijn twee gazetten,[19] en dat hij der zóó moet p4aan toe geven.

De runen[20] ga ik vragen bij Mr Daris en gij zult ze met eenige dagen krijgen tegelijkertijd met onze oogst.[21] Ik verwacht veel zangen van allerlei graan van onze Gullebroêrs. Nu schei ik uit en ga mijn pak maken - want ik moet morgen vroeg terug naar 't Waleland, juist op de ogenblik dat mijne Kempen der zoo schoon beginnen uit te zien! Aie! Tot later, als 't God belieft, goede Meester!

Uw dankbare en toegenegen
August Cuppens

PS. geen uitstand hebben, en zeggen ze niet in Limburg, geen uitstaans hebben wel. Is dat niet even goed?

Noten

[1] In de brief van april 1885 uit Beringen vraagt Cuppens of Gezelle geïnteresseerd is in dit boek. In zijn antwoordbrief zegt Gezelle: ”Die boek aangaande kruidkunde zou mij alderbest te passe komen.”
[2] 15/05/1885.
[3] Gezelle liet weten in zijn vorige brief aan Cuppens dat er klachten waren: ” Ik hoore veel goeds van ’t Daghet een dingen beklaagt men, en dat is te beklagen, t.w. dat het niet verzonden en wordt gelijk Loquela zorgvuldig in een papier gedaan Gij moeste het bladtje eenen keer meer plooien en heel te gansch in eenen omslag doen, open aan beide enden; dan en zou de brievendragers bindsnoer 't daghet niet in tween zagen en schenden.”
[4] In zijn brief van 04/05/1885 aan G. Gezelle zal Cuppens noteren: “Die ouden schoolmeester en kennen wij niet maar wij zullen hem toch wel vast krijgen; docht u niet dat zijn geschrift op Mr Teurlinckx 't zijne trok?” Cuppens vermoedt dus dat ‘de oude schoolmeester’ een schuilnaam is voor J. F. Tuerlinckx.
Maar uit de brief van L. W. J. Lenaerts aan G. Gezelle van december 1887 ontdekken we zijn echte identiteit: Gij weet zeker wel, in 't doorgaan gezeid, dat de tweede Groot-vicaris Mgr. Boogaerts ons ondersteunt en “die oude schoolmeester” is waar gij in den 1sten N° (over Sprokkelmaand) aan geantwoord hebt.”

Het artikel waarop Gezelle reageerde: Die Oude Schoolmeester (Constantinus Josephus Bogaerts), Uit boeken, brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 4, p. 25-28.

[5] Polydor Daniëls schrijf over dit bezoek in zijn aan Gezelle in zijn brief van donderdag 14/05/1885: ”Over eenige dagen heeft M. Cuppens eenen achternoen bij mij gezeten”.

‘Verleên Dijsdag’ = 12 mei 1885.

[6] Polydoor Daniëls was van 1876 tot 1904 slotkapelaan en aalmoezenier van baron Jules de Villenfagne de Vogelsanck, burgemeester van Zolder. Hij verbleef gedurende die periode in het kasteel Vogelsanck.
[7] Een middelnederlands gedicht, geschreven door een zekere ‘broeder Geraert’.
[8] J.H. Bormans, Het Leven van Sinte Lutgardis. In: Dietsche Warande: 3 (1857), p. 37-67, 132-156, 285-322 & 4 (1858), p. 155-170, 267-302.
[9] Zonhoven werd oorspronkelijk geschreven als ’Sonuwe’.
[10] Klokinschriften te Zonhoven:

”Quintinus is mynen naam.

Myn ghelut sy Gode bekwame.

Also verre als men my hooren sal

Wilt God bewaren over al.

Aensiet dat inde. lof God van al.

In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 5, p. 38-39.

[11] P. Daniëls, Oude munten uit Limburg. In: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 6, p. 42-43.
[12] Hoewel het Leidse handschrift uit 1548 stamt, werd het toneelstuk al eerder opgevoerd, bijv. door de 'ghesellen van der Lylien’, een Diestse rederijkerskamer, op 1 augustus 1541, de openingsdag van het landjuweel te Diest. In de loop van de 16de eeuw groeide het uit tot een van de meest opgevoerde kluchten.
[13] Uitgegeven in 1877, herdruk in 1878, door J. Van Vloten, Het Nederlandsche kluchtspel van de 14e tot de 18e eeuw.
[14] Le Constitutionnel du Limbourg belge is een Franstalig, katholiek dagblad. De krant speelde in de jaren 1882-1883 een belangrijke rol in de oproep tot katholieke eenheid en de invoering van een bindend programma voor katholieke parlementariërs. Limburg nam daarbij het voortouw, omdat de provincie het zwaarst getroffen werd door het liberale voornemen om de salarissen van buitenlandse priesters en seminarieprofessoren af te schaffen. Vooral in Limburg waren talrijke Nederlandse en Duitse geestelijken werkzaam, waardoor de voorgestelde maatregelen er sterke weerstand opriepen.
[15] Voltooid deelwoord van aanzetten (= aanstellen).
[16] Het waterslot Vogelsanck fungeerde reeds vanaf de 12de eeuw als residentie van de graven van Loon. Van hieruit oefenden zij hun militaire, administratieve en gerechtelijke bevoegdheden. In de 14de eeuw kwam het domein onder het gezag van het prinsbisdom Luik. In 1741 werd het volledige bezit van Vogelsanck verkocht aan Gilles-Lambert de Villenfagne, burgemeester van Luik. De familie De Villenfagne bewoont het kasteel nog steeds. De Limburgse heerlijkheid Vogelsanck kwam in verschillende bouwfasen tot stand. Het complex is grotendeels opgetrokken in Maaslandse renaissancestijl (16de-17de eeuw), aangevuld in de 18de eeuw met elementen in Lodewijk X-stijl met rococofronton en in Tudorstijl. Het park werd in de 17de eeuw aangelegd als renaissancetuin. In de 18de eeuw liet Jean-Louis de Villenfagne er o. m. een arboretum aanleggen met ca. 150 inheemse en uitheemse boomsoorten. In een latere fase werd het park, op initiatief van de echtgenote van Jules de Villenfagne, heraangelegd als Engelse landschapstuin, met een grote vijver met eiland als blikvanger.
[17] In het gedicht van Guido Gezelle gaat het over een vrome en gastvrije dame die geliefd is bij de lokale bevolking en sterk betrokken is bij kerk, de school en de dorpsgemeenschap.
[18] Gezelle wilde de (geheime) leveringsroute van het materiaal voor ’t Daghet tussen hem en Cuppens vereenvoudigen. In zijn brief van maart 1885 schreef hij daarom: “Kortrijk-gendarm, gendarm-Seminarie, Seminarie-Hasselt, Hasselt-Kortrijk is een al te lange omweg. Kan ’t niet gevonden worden dat de gendarm uit het spel geraakt, dan ware ’t nog doenlijk.”
[19] De onafhankelijke van de provincie Limburg en Le Constitutionnel.
[20] Cuppens en zijn vrienden zagen een pot met runen in de Schatkamer van de kathedraal van Luik. Ze wilden de runen door Gezelle laten ontcijferen met het oog op publicatie in ’t Daghet in den Oosten. Hoewel Cuppens de pot met runen daadwerkelijk heeft gezien en via professor Daris over een afschrift hiervan kon beschikken, valt in ’t Daghet in den Oosten geen spoor van dit materiaal terug te vinden.

Brieven waarvan sprake is van de pot met runen:

1) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van 28?/01/1885

2) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van 02/03/1885

3) Brief van A. Cuppens e.a. aan G. Gezelle van xx/04/1885

4) In zijn brief van xx/05/1885 aan A. Cuppens vraagt Gezelle uiteindelijk om hem de runen op te sturen ter ontcijfering.

5) In de brief van 04/06/1885 van A. Cuppens aan G. Gezelle zegt hij: “'t Oud geschrift van dien pot, punt afgeschreven wi het op den ouden pot stant (Daar is, jammer genoeg, een heel deel uitgevaagd van den sleet)”.

[21] ’Oogst’= de verzamelde Limburgse woorden.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBeringen
GemeenteBeringen

Naam - persoon

NaamBormans, Jan Hendrik; Broeder Geraert
Datums° Sint-Truiden, 17/11/1801 - ✝ Luik, 04/06/1878
GeslachtMannelijk
Beroephoogleraar; filoloog
BioJan-Hendrik Bormans studeerde klassieke talen aan de Universiteit van Luik en begon zijn loopbaan als docent poësis en retorica aan het Seminarie van Luik (1818-1820). Daarna was hij studiemeester aan het koninklijk college in Luik (1820-1825), docent en rector in Sint-Truiden (1825-1834) en rector in Hasselt (1834-1835). Van 1835 tot 1837 doceerde hij Nederlandse en Griekse letteren aan de Rijksuniversiteit Gent, waar hij via Jan Frans Willems en andere flaminganten interesse kreeg in de Middelnederlandse literatuur. In 1837 keerde hij terug naar de Universiteit van Luik, waar hij klassieke talen en vanaf 1851 ook Nederlands doceerde. Hij ging in 1865 met emeritaat. Als pionier in de studie van de Middelnederlandse literatuur gaf Bormans werken uit zoals Leven van Sinte Christina, Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant en de Brabantse Yeesten. Hij was lid van de Leidse Maatschappij van Nederlandse Letterkunde en speelde een belangrijke rol als lid en rapporteur van de eerste Spellingscommissie. In 1857 publiceerde hij in "Dietsche Warande" een Middelnederlandse vertaling van het Leven van Sint-Lutgart en stelde voor haar uit te roepen tot patroonheilige van de Nederlandse taal- en letterkunde, een idee dat bij Guido Gezelle bijval vond. Vanaf 1858 correspondeerde Guido Gezelle met Bormans over een handschrift van Jan Praet, dat Gezelle via Kanunnik Van Verdeghem van de Brugse zwartzusters in bruikleen had gekregen. Bormans werkte jarenlang aan de editie van dit handschrift en publiceerde het in 1872. Hij droeg ook bij aan Gezelles taalstudie. Zijn waardering voor het werk van Gezelle was een argument in de polemiek rond het taalparticularisme.
Links[wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenHessmann, Pierre. De briefwisseling Bormans-Gezelle. In: Gezelliana: 1 (1970) 1-2, 28-48; https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/bormans-jan-hendrik
NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamTuerlinckx, Jan Ferdinand; Tuerlinckx, Joannes Ferdinandus
Datums° Glabbeek-Zuurbeemden, 23/11/1833 - ✝ Aarschot, 25/04/1900
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; directeur; inspecteur; dialectoloog
BioJan Ferdinand Tuerlinckx werd geboren op 23 november 1833 in Glabbeek-Zuurbeemden, nabij Tienen, als zoon van landbouwers Petrus Ludovicus Tuerlinckx (1808-1879) en Maria Romain (1799-1874). Hij huwde op 8 januari 1863 in Kersbeek Miskom met Florentina Benigna Bullens (1832-1891). Er waren verschillende kinderen. Tuerlinckx was actief als onderwijzer in verschillende gemeenten, waaronder Kersbeek-Miskom, Glabbeek-Zuurbeemden en Neerlinter. Vanaf 1879 stond hij aan het hoofd van de vrije jongensschool in Tienen. In 1890 werd hij kantonaal schoolopziener voor het lager onderwijs in Aarschot. Hij publiceerde onder meer een bijdrage over het Hagelands taaleigen (1882) en een bekroond werk over het Hagelands dialect (1883), waarmee hij erkenning kreeg van de Zuid-Nederlandsche Maatschappij voor Taalkunde.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
BronnenAgatha; Geneanet
NaamRutten, Martin Hubert
Datums° Geistingen, 17/12/1841 - ✝ Luik, 17/07/1927
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; directeur; vicaris-generaal; bisschop
BioMartinus Rutten, geboren als zoon van Jan Rutten, landbouwer, en Petronella Zegers, was een Belgische bisschop van het bisdom Luik van 1902 tot zijn overlijden op te Luik op 17/07/1927. Hij werd in 1867 te Luik tot priester gewijd. Van 1873 tot 1877 was Rutten directeur van het kleinseminarie van Saint-Roch, waar hij als flamingant een Vlaamsgezinde invloed uitoefende op vele leerlingen (o.a. August Cuppens), en in 1875 een Davidsfondsafdeling stichtte. Daarna werd hij vicaris-generaal te Luik (1879-1910). Tijdens de schoolstrijd (1879-1884) speelde hij een vooraanstaande rol in de verdediging van het katholieke onderwijs. Op 2 januari 1902 werd hij tot bisschop van Luik gewijd. Hij moedigde de kennis van het Nederlands bij scholieren en volwassen aan, en streefde naar vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen, zij het niet in het secundaire, dan toch in het hoger onderwijs. In 1894 steunde hij financieel de oprichting van het Brusselse dagblad Het Vlaamsche Volk. Na W.O. I onderschreef hij het minimumprogramma van Frans van Cauwelaert, ook al was hij niet met alle punten ervan akkoord, en verspreidde de eis tot uitvoering van koning Alberts beloften aan de Vlamingen. Met kardinaal Mercier stond hij, om politieke redenen, op gespannen voet. In 1920 werd hij nationaal erevoorzitter van het Davidsfonds en erevoorzitter van het eerste Katholiek Vlaamsch Congres. Rutten bleef wel trouw aan de Belgische eenheid en waarschuwde voor een toenemend anti-Belgisch radicalisme binnen de Vlaamse studentenbewegingen (1920-1925). Door zijn toedoen keerden de Limburgse studentenbewegingen zich af van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) en op 11/10/1925 ondertekende hij samen met de andere bisschoppen de veroordeling van het Vlaams-nationalisme.
Links[wikipedia]
NaamDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Datums° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NaamLutgardis van Tongeren; Sint-Lutgart; Schutsvrouwe van Vlaanderen
Datums° Tongeren, 1182 - ✝ Aywières/Awirs, 16/06/1246
GeslachtVrouwelijk
BeroepBenedictines; mystica; heilige
BioDe heilige Lutgardis, patroonheilige van vrouwen en blinden, werd in het jaar 1182 geboren in het Limburgse Tongeren. Op twaalfjarig leeftijd trad zij toe tot het benedictijnse Sint-Catharinaklooster te Sint-Truiden. Hoewel ze eerst weinig interesse toonde in het kloosterleven, legde ze zich hier sterk op toe nadat Christus aan haar verscheen tijdens een visioen. Op twintigjarige leeftijd deed ze dan ook haar officiële professie als benedictines. In 1206 zou ze vervolgens vertrekken naar de cisterciënzerinnenabdij van Awirs in Luik, waar ze tot haar overlijden op 16 juni 1246 zou verblijven. Haar latere verering als patrones van het Vlaamse volk en de Vlaamse beweging stamt uit haar verblijfsperiode te Luik, aangezien zij volgens haar biografie tot Maria gebeden zou hebben om een bestuursfunctie binnen de abdij te kunnen ontwijken, waarop de Heilige Maagd het haar onmogelijk maakte om het Frans te leren. Guido Gezelle zou haar na een voorstel van filoloog Jan Hendrik Bormans propageren als patroonheilige van de “dietsche taal en letterkunde”, en Gezelle’s leerling Adolf Duclos zou haar naam opnemen in die van zijn culturele gilde, de Sint-Lutgardisgilde.
Links[wikipedia]
Bronnen https://www.dbnl.org/tekst/_lit003199701_01/_lit003199701_01_0034.php
NaamBogaerts, Constantinus Josephus; Die oude schoolmeester
Datums° Paal, 31/01/1812 - ✝ Zonhoven, 17/02/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; diocesaan inspecteur; pastoor; : vicaris-generaal; erekanunnik; erekamerheer van de Paus
BioJosephus Constantinus Bogaerts werd op 31 december 1812 geboren in Paal in een landbouwersgezin. In 1830 begon hij aan zijn schoolloopbaan in theologie en filosofie aan het seminarie van Luik, waarna hij op 16 augustus 1835 tot priester gewijd werd. Tevens was hij enkele jaren actief als leraar aan het atheneum te Leuven (1837) en het kleinseminarie te Rolduc (1841). Zijn tijd in Leuven werd gekenmerkt door culturele en literaire inspanningen, zoals bijvoorbeeld het stichten van het studentengenootschap “Met Tijd en Vlijt” en bijdrages aan het blad “De Middelaer”. In 1842 werd hij directeur van de normaalschool in Sint-Truiden. Het jaar daarop werd hij diocesaan inspecteur voor het lager onderwijs in Limburg en in 1846 werd hij ere-kanunnik. Vervolgens was hij van 1849 tot 1852 leraar dogmatiek aan het grootseminarie in Luik en vanaf 1851 de titularis kanunnik van de Luikse kathedraal. In 1853 werd hij secretaris van het bisdom Luik. Hij moest echter een vijf jaar lange rustperiode nemen ten gevolge van spanning en oververmoeidheid. Hij werd daarna in 1858 pastoor te Guigoven. Nadat hij in 1861 benoemd werd tot vicaris-generaal van het bisdom Luik werd hij verheven tot kamerheer van Paus Pius IX. In 1875, nog geen 63 jaar oud, ging hij voorgoed op rust te Zonhoven waar hij op 17 februari 1891 overleed. Tijdens zijn leven was Bogaerts erelid van Utile Dulci in Sint-Truiden. Hij schreef theologische werken en was redactielid van "De School- en Letterbode" tussen 1844 en 1855. Hij ageerde onder het pseudoniem 'Die oude schoolmeester' op het tijdschrift "'t Daghet in den Oosten". Guido Gezelle diende hem van een wederwoord.
Links[odis]
Bronnen https://www.paalonline.be/cms55/item/2432-kanunnik-bogaerts
NaamPreston, Camille Elisabeth Caroline
Datums° Beverst, 03/02/1835 - ✝ Zolder, 30/05/1903
GeslachtVrouwelijk
Beroepbarones
BioCamille Elisabeth Caroline de Preston werd geboren op 3 februari 1835 op het kasteel van Schoonbeek in Beverst, nu een deelgemeente van Bilzen. In 1854 trouwde zij in Beverst met Jules de Villenfagne de Vogelsanck. Zij was geboren als comtesse de Preston. Het huwelijk bleef kinderloos. Onder impuls van de barones werd het kasteel van Vogelsanck in neotudorstijl verbouwd en het kasteelpark omgevormd tot een Engelse tuin met vele waterpartijen. Het echtpaar was kunstminnend en op het kasteel kwamen onder anderen Guido Gezelle en verschillende beeldhouwers en letterkundigen samen. Camille Elisabeth Caroline de Preston overleed op 30 mei 1903 in het kasteel van Vogelsanck in Zolder.
Links[wikipedia]
Bronnendoodsbrief

Naam - plaats

NaamDiest
GemeenteDiest
NaamHasselt
GemeenteHasselt
NaamZolder
GemeenteHeusden-Zolder
NaamZonhoven
GemeenteZonhoven

Naam - instituut/vereniging

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]
NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden
NaamSchatkamer van de kathedraal van Luik
BeschrijvingDe Schatkamer van de kathedraal van Luik (Trésor de Liège) bevindt zich tegenwoordig in de gerenoveerde kloostergangen van de Sint-Pauluskathedraal. De kerkschatten van de voormalige Sint-Lambertuskathedraal, gered uit de handen van de Franse revolutionairen, werden op 1 januari 1804 plechtig overgebracht naar de sacristie van de Sint-Pauluskathedraal en vormden het begin van de collectie. Later werden er ook artefacten uit de kerken en het prins-bisschoppelijk paleis van Luik tentoongesteld. Tot de topstukken behoren de reliekbuste van Sint-Lambertus en het reliekschrijn van Karel de Stoute.
Datering1804-heden
Links[wikipedia]

Titel - gedicht van Guido Gezelle

TitelMevrouw van Houthulst
PublicatieLiederen, Eerdichten et Reliqua (Verzameld dichtwerk, deel II), p. 351

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelKerkhofblommen (Kerkhofbloemen)
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelDietsche Warande (periodiek)
AuteurAlberdingk Thijm, Jos.; Alberdingk Thijm, Paul
Datum1855-1874; 1886-1899
PlaatsAmsterdam; Gent
UitgeverVan Langenhuysen, C.L.; Leliaert
TitelHet Nederlandsche kluchtspel van de 14e tot de 18e eeuw, dl. 1
Auteurvan Vloten, J.
Datum1878
PlaatsHaarlem
UitgeverDe Graaff
TitelLe Constitutionnel (periodiek)
Datum1857-1887
PlaatsHasselt
UitgeverMichel Ceyssens
TitelDe onafhankelijke van de provincie Limburg : nieuws- en aankondigingsblad : godsdienst, moedertaal, vaderland (periodiek)
Datum1850-1914
PlaatsHasselt
UitgeverP.F. Milis; H.J. Ceysens
TitelDe Nederlandtse Herbarius, of Kruydt-boeck, beschryvende de geslachten, gedaente, plaetse, tijt, oeffening, aert, krachten en medicinael gebruyck van allerhande boomen heesteren, boom-gewassen, kruyden en planten, die in de Nederlanden in 't wilde gevonden, ende in de hoven onderhouden worden: als mede de uytlandtsen of vreemde droogens, die gemeenlijck in de apothekers winckels gebruyckt worden: uyt verscheyde kruydt-beschrijvers tot nut van alle natuur-kunders, geneesmeesters, apothekers, chirurgijns, en liefhebbers van kruyden en planten by een vergadert, en beschreven
AuteurNylandt, Petrus
Datum1673
PlaatsAmsterdam
UitgeverMarcus Willemsz Doornick
TitelEen esbatement van Tielebuys die een jaer te vroech gheboren is ende wert herdraghen [handschrift]
AuteurVrancx, Willem Elias
Datum1548

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Cuppens, August

Correspondenten - personen

Cuppens, August
Gezelle, Guido

Naam - instituut/vereniging

Limburgsch Zantersgildeken
Grootseminarie Luik
Schatkamer van de kathedraal van Luik

Naam - persoon

Bormans, Jan Hendrik
Ceyssens, Michiel
Cuppens, August
Daniëls, Polydoor
Lenaerts, Leonard Willem Jakob
Tuerlinckx, Jan Ferdinand
Rutten, Martin Hubert
Daris, Arnold Josephus Matheus
Lutgardis van Tongeren
Bogaerts, Constantinus Josephus
Preston, Camille Elisabeth Caroline

Naam - plaats

Diest
Hasselt
Zolder
Zonhoven

Plaats van verzending

Beringen

Titel - ander werk

t Daghet in den Oosten
Dietsche Warande
Het Nederlandsche kluchtspel van de 14e tot de 18e eeuw, dl. 1
Le Constitutionnel
De onafhankelijke van de provincie Limburg : nieuws- en aankondigingsblad : godsdienst, moedertaal, vaderland
De Nederlandtse Herbarius, of Kruydt-boeck, beschryvende de geslachten, gedaente, plaetse, tijt, oeffening, aert, krachten en medicinael gebruyck van allerhande boomen heesteren, boom-gewassen, kruyden en planten, die in de Nederlanden in 't wilde gevonden, ende in de hoven onderhouden worden: als mede de uytlandtsen of vreemde droogens, die gemeenlijck in de apothekers winckels gebruyckt worden: uyt verscheyde kruydt-beschrijvers tot nut van alle natuur-kunders, geneesmeesters, apothekers, chirurgijns, en liefhebbers van kruyden en planten by een vergadert, en beschreven
Een esbatement van Tielebuys die een jaer te vroech gheboren is ende wert herdraghen [handschrift]

Titel - gedicht van Guido Gezelle

Mevrouw van Houthulst

Titel - werk van Guido Gezelle

Kerkhofblommen (Kerkhofbloemen)

Titel[14/05/1885], Beringen, August Cuppens aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Peter De Baets (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Peter De Baets (research); Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Beringen (Beringen), [14/05/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[14/05/1885]
VerzendingsplaatsBeringen (Beringen)
AnnotatieDatum gereconstrueerd op basis van: 1) de brief van G. Gezelle aan A. Cuppens van [xx/05/1885] (nr. 8589); de brief is een antwoord op brief nr. 8589 2) de brieftekst: brief is geschreven op donderdag + Cuppens is op dinsdag (12/05/1885) op bezoek geweest bij P. Daniëls 3) P. Daniëls schrijft op donderdag 14/05/1885 (brief nr. 5483) over dit bezoek als enige dagen geleden: brief is geschreven op donderdag 14/05/1885; plaats gereconstrueerd op basis van de brieftekst: op het einde van de brief verwijst hij ernaar dat hij van thuis uit schrijft; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden bijlage (boek: "den Nederlandtsen Herbarius") ontbreekt
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7476
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13852
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/58f2566bc9d9826983357d9ce48592a31d812fac/manifest
Inhoud
IncipitIk verzen u, met dezen brief den Nederlandtsen
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.