<Resultaat 3120 van 3122

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Eerweerde Heer en goede Meester,

Ik heb vandaag naar den drukker van 't Daghet gestuurd 1°Limburgsche Dichtveerdigheid, gij weet wel, die liedekes met muziek der bij, van u verbeterd en van mij gezuiverd en hier en daar nog een beteken veranderd[1]

2° Een 7 van uwe leste woorden voor de 3e zang.[2] De anderen, die ze in Limburg niet en zeggen, of die wij er ten minste niet kunnen te hooren krijgen, zal ik naar den Student zennen, want als wij die in 't Daghet gaan zetten, en is ons blatteken niet zuiver-Limburgsch meer.

3° I en II van boek en boekstafwezen

Hope dat die drij den 3den n° wel vol krijgen. Maar nu de 4°!

Wij hebben nog over, geloof ik, bij den drukker gezatten: boek en boekstafwezen III (eentige reeken) - Limburgsche Dichtveerdigheid II (de Kwelspreuken)[3] eentige overschietende woorden van Ludeker Walendietsch.[4] Wij hebben nog verschillige dingen bij u liggen, maar en weten nog niet of gij ze begeert of niet. Is er iets bij dat u aanstaat, schik het mij dan op, ik zal 't overgeven aan M. Ceysens - anders, zeg eens a.u.bl. wat wij p2gaan aanvangen?

't Tweede Daghet heeft bezonder goed aangestaan hier te lande, ten minste; ze en zijn er te St Truijden ook al zoo kwaad niet meer op.[5]

Kost het verlof[6] maar wat langer duren, ik kreeg zeker eenen heelen boek vol Beeringsche woorden en kinderliedekens en raadsels enz. t'huis. Ik heb mijne oogsters in de school: twee kleine mennekes die mij al te navonden hun papierken vol “allerlei klommel” aanbrengen, en ze zijn er preutsch op dat den Heer van Cuppens hen voor schrijvers en zoekers verhoren heeft. Morgen krijg ik er twee anderen t'huis die mij mondelings nog “veel schoone vertelselkes” komen vertellen.

Kosten wij zóó in ieder dorp te werk gaan, wat en zouden wij toch niet vinden!

Is dit niet lief? -Als de wichter t'huis kunnen boteram niet kunnen opkrijgen smijten zij de kruimelkes weg; maar 't zou zonde zijn, zeiden ze niet, wegwerpenterens “Voor de veugelkes van ons Lieven Heerke!”

'k Schrijf u hier eenige kinderrijmkes op, die Karel de Gheldere zeker wel zou willen gemaakt hebben:

Bim! bom! beiren!
de koster mag geen eieren!
Wat eet hij dan?
Spek in de pan!
De koster is 'ne lekkere man![7]

lekkere man = un gourmandp3

Bim, bom, belleke!
De koster luidt met 't schelleke!
Wien is er nu weêr dood?
- 't oud grijs menneke.
Moo[8] zullen ze dat begraven?
-te Viersel in de kuil,
te Schaffen in de pottekuil,
daar leit het nu stil met zijn groote muil![9]

Anneke-panneke, flesschen baard;
gong met een koei naar Mechelenwaart;
het kost ze nie verkoopen,
het sloeg ze met de pan tegen 't gat
en liet ze toen mer loopen.

-

Als Anneke-panneke t'huis kwam
zat de koei in den hoek en spon,
het kalf in de wieg en zong,
de hond die stiet de boter,
de kat die wies de schotel,
de vleeremuis
die keerde 't huis,
de zwalven[10] droegen d'asschen uit
al op hun lange vleugels -
't Zijn allemaal - dikke leugens![11]

Wild gebed[12]
Kruis{ Hek - spek,
solferstek!
Onze Vader
lag in 't water,
onze Steven,
lag er neven,
onze Job,
lag er op
Pater noster
sloeg zijn dochter, achter de kist,
dat ze 't nie en wist![13]
p4_____

Ik wíl zingen,
ik zál zingen!
Ik zag eenen voorsch[14] in 't water springen,
hij sprong er in,
hij sprong er uit,
en daarmeê is mijn liedeken uit!

___

Wat de leeuwerk zingt te Beeringen:

Lieven-Heerke! Lievenheerken!
geef mich e keureken, e keureke, e keureken! (koordeken)
een leerken, e leerke, e leerken!
om in de Himel te geraken!
'k zal nooit meer vloeken, nooit meer vloeke, nooit meer vloeke!
... Sakker! Sakke! Sakker! Sakker! (en hij is onder.)

-

Als gij de kladprent van den 3den n° overzien hebt, stuur ze naar den drukker ofwel naar mij. Ik ben nog te Beeringen tot vrijdag 's morgens 24ste Aril.[15]

Ik heb hier de Aeneide[16] van Veldeken, uitgaaf van Otto Behaghel, te leen gekregen van Mr Prof-Daris. 't Is schoone taal en nog veel limburgsch, maar 't gedicht zelf en staat mij gaar[17] uit niet aan. 't Is heel dik flauwe praat, dunkt mij.

Wilt gij? -

De Nederlandtsche Herbarius, of Kruydt-boeck beschryvende De Geslachten / gedaente / Plaetse / Tijt / Oeffening / Aert / Krachten / en Medicinael gebruyck van alderhande Boomen / Heesteren / Boom-gewassen / Kruyden / en Planten / die in de Nederlanden in 't wilde gevonden/en in de Hoven onderhouden worden. Als mede de Uytlandtsen, of vreemde Droogens, die gemeenlyck in de Apothekers Winckels gebruyckt worden. Uyt verscheyde Kruydt-Beschrijvers, tot nut van alle Natuurkunders ....... by een vergadert en beschreven / Door Petrus Nylandt, Med. Doct. t'Amsterdam. By Marcus Doornick, Boeckverkooper op de Middeldam / 1673 ....

(Schrijf maar) naar uwen toegenegen[18]

A. Cuppens,
tot Beeringen.

Noten

[1] ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 3, p. 18-21.
[2] Vijf woorden worden weerhouden in ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 3, p. 17.
[3] Zie: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 3, p. 18-19.

G. Gezelle, Kwelspreuken. In: Loquela: 4 (Wiedmaand 1884) 2, p. 15-16: “Die woorden zant zal spreuken vinden. En die spreuken vindt zal, de eene spreuke tegen de andere vergelijkende, genegen worden om zulke bij zulke, gelijkdanige bij gelijkdanige te verzamelen en te bewaren. Dan, alzoo doende, zullender hem namen te binnen komen, die op een voor een van elken hoop spreuken kunnen toegepast worden. Zoo zal hij b. v. zeker getal spreuken kwelspreuken heeten, is 't dat hij weet wat kwellen zijn. Kwellen dat zijn taschen, sloten, knopen, letsen, bussen, enz., die op eene verborgene wijze en zoo toegemaakt worden, dat iemand die 't geheem nieten kent zijn hoofd langen tijd zal kwellen eer hij de kwelle los en open krijgt.”

[4] Zie: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 3, p. 24.

’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 7: “Ludeker Walendietsch - Over de oude dietsche woorden die in de taal der Ludeker- of Luikerwalen in ballingschap zitten heeft al meer als een geleerde zoeker de pen gevoerd.”

[5] In zijn brief aan G. Gezelle van xx/02/1885 schrijft Cuppens dat 36 seminaristen aan het seminarie van Sint-Truiden hun inschrijving opzegden, onder invloed van hun Hollandse professor, die ’t Daghet in den Oosten vanwege zijn volkstalige karakter afkeurde.
[6] Paasverlof in 1885 loopt waarschijnlijk van dinsdag 7 april tot vrijdag 24 april.
[7] Zie: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 9-10, p. 79.
[8] In ’t Daghet in den oosten: ’Moe’.
[9] Gepubliceerd in: Limburgsche dichtveerdigheid. In: ’t Daghet in den Oosten: 5 (1889) 3, p. 20.
[10] Zwaluwen.
[11] Gepubliceerd in: Limburgsche dichtveerdigheid. Een leugenliêken. In: ’t Daghet in den Oosten: 4 (1888) 17-18, p. 129.
[12] ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 2, p. 11: “Wild gebed, het. Een wangebed, een gebed; waarvan de echte bewoordingen vervangen zijn door vreemden toevoeg, of door onhebbelijke veranderingen, formula orationis interpolata. B. V.: Onze vader, die der zijt, Zet de schotel niet te wijd, Brok de brokken niet te dik, Dat ich der mich niet in verslikk'!”
[13] Gepubliceerd in: Limburgsche dichtveerdigheid. In: ’t Daghet in den Oosten: 5 (1890) 1, p.5.
[14] Kikker.
[15] Sic. April.
[16] Met zijn Eneasroman bewerkte Van Veldeke, naar Anglo-Normandisch voorbeeld, het beroemde Latijnse epos van Vergilius, waarin onder meer de liefdesgeschiedenis van Dido en Aeneas in Carthago wordt verteld. Aeneas verlaat Dido om zijn lotsbestemming te volgen: de stichting van Rome. De eerste Dietse dichter presenteerde de Duitse keizers, zijn broodheren, daarbij als de erfgenamen van het Romeinse rijk.
[17] F. Debrabandere, Limburgs Etymologisch woordenboek. Leuven: Davidsfonds, 2011, p. 118: ”gaar, bw.: geheel en al. Versterkend bij een ontkenning, gaar niks ’helemaal niets’, zoals D. gar nichts.
[18] Gezelle laat weten in zijn volgende brief aan A. Cuppens dat: ”Die boek aangaande kruidkunde zou mij alderbest te passe komen.” Cuppens stuurt het boek samen op met een latere brief van 07/05/1885: ”Ik verzen u, met dezen brief den Nederlandtsen Herbarius: ’t is schoon nederduitsch en daar zijn een heel deel woorden in die u misschien nuttig gaan zijn.”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBeringen
GemeenteBeringen

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDe Gheldere, Karel
Datums° Torhout, 18/08/1839 - ✝ Koekelare, 17/07/1913
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter
BioKarel De Gheldere was een oud-leerling van Gezelle te Roeselare (poësis 1858-1859). Gezelle schreef een aantal gedichten voor hem waaronder 'Tranen' en ‘Zoo welkom als de bie’ (1859). Na zijn retorica (1859-augustus 1860) volgde De Gheldere een korte periode filosofie aan het kleinseminarie in het schooljaar 1860-1861 met het oog op het priesterschap. Hij verzaakte evenwel aan een priesterroeping en studeerde vanaf januari 1861 geneeskunde te Leuven, waar hij in 1865 met onderscheiding afstudeerde. Hij vestigde zich als arts in Koekelare. Hij was een levenslange vriend van Gezelle, die een aantal van zijn gedichten aan hem heeft opgedragen. Zelf publiceerde hij de dichtbundels Jongelingsgedichten (1861), Landliederen (1883) en Rozeliederen (1893). In de Landliederen komt een wisselgedicht met Gezelle op de nachtegaal voor. Hij was corresponderend (1889) en werkend lid (1892) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; zanter (WDT); lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; gedichten
BronnenH. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Leuven, 19234, p.30-49; R. Seys, De dichter van de rozen. Koekelare. 1958 R. Seys, Dr. Karel de Gheldere. Wat land- en rozeliederen. In: VWS-Cahiers: 2 (1967) 8.
NaamDaris, Arnold Josephus Matheus; Daris, Joseph
Datums° Borgloon, 18/09/1821 - ✝ Borgloon, 11/09/1905
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; professor; bibliothecaris; archivaris; historicus; auteur
BioArnold Josephus Matheus Daris werd op 18 september 1821 geboren te Borgloon, als zoon van Martin Daris (1777-1835), gemeentesecretaris en vrederechter, en Maria Christina Kalcker (1785-1849). Jozef volgde klassieke humaniora in Tongeren en Rolduc, en studeerde filosofie en theologie aan het Grootseminarie van Luik. Daris werd er op 21 december 1844 tot priester gewijd. Hij doceerde van 1851-1854 Grieks en apologetiek aan het pas opgerichte Kleinseminarie te Sint-Truiden, en van 1854 tot 1897 canoniek recht en kerkgeschiedenis aan het Grootseminarie te Luik. Daarna bleef hij er als bibliothecaris en archivaris wonen. Als studax en autodidact bekwaamde hij zich in de historiografie en bronnenstudie. Zij grote passie vertaalde zich in ontelbare historische werken over zijn geboortestad Borgloon, het prinsbisdom Luik, en de kerken van het diocees. Daarnaast zagen de “Praelectiones canonicae quas in seminario leodiensi habuit Josephus Daris” het licht in Luik tussen 1861 en 1865. Dat zijn drie gepubliceerde delen van colleges over canoniek recht. Daris werd titulair kanunnik in 1880. Op 83-jarige leeftijd nam Josephus Daris zijn intrek bij zijn nicht in Borgloon en overleed er kort nadien op 11 september 1905.
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org; https://www.daris.be/daris.htm
NaamVan Veldeke, Hendrik; Van Veldeke, Heinric
Datums° Heerlijkheid van Veldeke (bij Hasselt), ca. 1150 - ✝ na 1186
GeslachtMannelijk
Beroepdichter
VerblijfplaatsDuitsland
BioHendrik van Veldeke werd rond 1150 geboren op de heerlijkheid Veldeke, gelegen tussen Spalbeek en Kermt nabij Hasselt. Hij was een zoon uit een lager geslacht van dienstadel. Vermoedelijke verblijfplaatsen in zijn leven waren onder meer Tongeren, Sint-Truiden, Maastricht, Kleve en Thüringen. Zijn kennis van Frans, Duits en Latijn wijst op een degelijke intellectuele vorming. Hij schreef 33 minneliederen. In deze liederen gaf hij de hoofse ridderliefde vaak een licht ironische en kritische nuance. Tijdens de verfraaiing van de Sint-Servaasbasiliek van Tricht vertaalde en bewerkte hij de “Vita Sancti Servatii”. Daarin prees hij de Servaasdevotie van de Duitse keizers en steunde zo indirect de belangen van de graven van het Graafschap Loon, die invloed wilden krijgen over het Duitse kapittel van Sint-Servaasbasiliek in Maastricht. Met zijn Eneasroman, een bewerking van een Anglo-Normandisch voorbeeld, beschreef hij onder meer de liefdesgeschiedenis tussen Dido en Aeneas in Carthago. Van Veldeke stelde de Duitse keizers voor als erfgenamen van de Romeinse keizers en gaf hen zo een belangrijke plaats in de christelijke heilsgeschiedenis. Over zijn leven is weinig met zekerheid bekend, veel wordt afgeleid uit zijn werk. Van Veldeke wordt beschouwd als de eerste Dietse dichter die in het Limburgs schreef. Hij droeg bij aan de ontwikkeling van een geschreven volkstaal en staat bekend om zijn verfijnde rijmschema’s. Met zijn door Ovidius geïnspireerde liefdespsychologie opende hij een nieuw literair register in de Dietse literatuur. Zijn werk toont hoe hij zijn literaire talent in dienst stelde van zowel de graven van Loon als de Duitse keizers. Hoewel hij in het Middelnederlands schreef, zijn zijn ridderroman en minneliederen uitsluitend in Duitse handschriften overgeleverd. Ook in het Duitse taalgebied was hij een gevierd dichter.
Links[wikipedia], [dbnl]
NaamBehaghel, Otto
Datums° Karlsruhe, 03/05/1853 - ✝ Giessen, 09/10/1936
GeslachtMannelijk
Beroepgermanist; linguist; auteur
VerblijfplaatsDuitsland
BioOtto Behaghel werd op 3 mei 1854 geboren in Karlsruhe. Van 1873 tot 1876 studeerde hij Germaanse, Romaanse en klassieke filologie. In 1878 promoveerde hij op het proefschrift Die Zeitfolge der abhängigen Rede im Deutschen. Vervolgens werd hij benoemd tot hoogleraar aan de universiteiten van Heidelberg, Basel en Giessen. Als linguïst verzamelde en classificeerde Behaghel voorbeelden van het Duitse taalgebruik vanaf de 8ste eeuw tot het begin van de 20ste eeuw. Zijn bijzondere belangstelling ging uit naar de syntaxis en de wetmatigheden van de zinsbouw. Hij publiceerde twee gezaghebbende standaardwerken: Die Deutsche Sprache (1886) en Geschichte der Deutschen Sprache (1901). Otto Behaghel overleed op 9 oktober 1936 in Giessen.
Links[wikipedia]
Bronnen https://www.uni-giessen.de/de/fbz/fb05/germanistik/institut/geschichte/ProfessorenderGermanistik1888-1943/otto-behaghel; https://www.britannica.com/biography/Otto-Behaghel

Naam - plaats

NaamBeringen
GemeenteBeringen
NaamMechelen
GemeenteMechelen
NaamSchaffen
GemeenteDiest
NaamViersel
GemeenteZandhoven

Naam - instituut/vereniging

NaamKleinseminarie, Sint-Truiden
BeschrijvingIn 1836 richtte de Luikse bisschop Cornelius R. van Bommel een kleinseminarie op in Rolduc, met afdelingen Grieks-Latijn, wijsbegeerte en een normaalschool met internaat. Na de definitieve grensbepaling tussen België en Nederland in 1839 verhuisde het instituut naar de voormalige benedictijnenabdij in Sint-Truiden, waar de bisschop het gebouw herbouwde in neoclassicistische stijl, met samen met een nieuwe kerk, boerderij, molen en bakkerij. De salle de rhétorique, de Academiezaal, in de vorm van een amfitheater, wordt tot op vandaag geprezen voor zijn akoestiek. Ondanks het feit dat Limburg tot 1967 onder het bisdom Luik viel, werd het seminarium een Vlaams bolwerk. Het letterkundig genootschap Utile Dulci, geleid door leraren Nederlands, organiseerde culturele evenementen en strijdde voor Nederlandstalig onderwijs. Dit leidde tot conflicten met de schoolleiding, die de Franse voertaal handhaafde. Vanaf 1900 werd het aantal uren Nederlands langzaam uitgebreid, maar pas in 1930 werden de Nederlandse en Franse afdelingen gescheiden. De Vlaamsgezinde beweging in Sint-Truiden voor vervlaamsing van het onderwijs verliep traag, en de Franse afdeling werd pas in 1961 opgeheven door een gebrek aan inschrijvingen. Het genootschap Utile Dulci stierf na de Tweede Wereldoorlog een stille dood. De normaalschool verhuisde in 1920 naar Maasmechelen. Een verwoestende brand legde in 1975 vijf slaapzalen, het klooster van de zusters, de molen, de kerk en de oude toren in de as.
Datering1836-heden

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelDe Student: tijdschrift voor het Vlaamsch Studentenvolk (periodiek)
AuteurJanssen, Gustaaf; Laporta, August (red.) e.a
Datum1881-1930
PlaatsLeuven; Lier; Brussel; Laken
Uitgever[s.n.]
Links[odis]
TitelHeinrichs von Veldeke Eneide
AuteurVan Veldeke, Hendrik (auteur); Behaghel, Otto
Datum1882
PlaatsHeilbronn
UitgeverGebr. Henninger
TitelDe Nederlandtse Herbarius, of Kruydt-boeck, beschryvende de geslachten, gedaente, plaetse, tijt, oeffening, aert, krachten en medicinael gebruyck van allerhande boomen heesteren, boom-gewassen, kruyden en planten, die in de Nederlanden in 't wilde gevonden, ende in de hoven onderhouden worden: als mede de uytlandtsen of vreemde droogens, die gemeenlijck in de apothekers winckels gebruyckt worden: uyt verscheyde kruydt-beschrijvers tot nut van alle natuur-kunders, geneesmeesters, apothekers, chirurgijns, en liefhebbers van kruyden en planten by een vergadert, en beschreven
AuteurNylandt, Petrus
Datum1673
PlaatsAmsterdam
UitgeverMarcus Willemsz Doornick

Titel[07/04/1885 t.p.q. - 24/04/1885 t.a.q.], Beringen, August Cuppens aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Beringen (Beringen), [07/04/1885 t.p.q. - 24/04/1885 t.a.q.]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum[07/04/1885 t.p.q. - 24/04/1885 t.a.q.]
VerzendingsplaatsBeringen (Beringen)
AnnotatieT.a.q. en t.p.q. gereconstrueerd op basis van de brieftekst: tijdens de paasvakantie van 07/04/1885 - 24/04/1885 ; adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 210 mm x 135 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7475
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13854
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/3a776699fff2b18d9f0c4c06177e3ce2e8618365/manifest
Inhoud
IncipitIk heb vandaag naar den drukker
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.