Wij hebben in langens niets meer kunnen veerdig krijgen: nu hebben wij weêr een heel klein beteken “van alles wat”, maar ik vrees wel dat het allegaar niets en beteekent.[1]
Wij zijn te danig olleêg[2] met onze lezende Mis[3] te leeren, Koob en ik, en we en zullen niets meer kunnen verrichten vóór 't groot verlof.[4]
t En is ten anderen ook niet noodig nu, daar is nog genoeg voor handen voor den 6den n°: - zoo gij gelieft ons nog een zange woorden gereed te maken tegen toekomende week.
't Was schabbig[5] om zien hoe de 5e n° weêr veel misdruks in had. Wij hebben vandaag aan E. H. Daniëls geschreven dat hij u elken keer ten minsten de Korenzang[6] moet doen nazien op de kladprint; anders en zal het nimmer of nooit goed gaan.
Neen, wij en hebben uw pak brieven van Joh. Winkler niet. Verleên jaar hebt gij nen brief meêgebracht van hem om hem ons laten te lezen. p2Gij hebt ons nog eens nen anderen opgestuurd dien wij u zeker weêrgeschikt hebben.[7]
Den eersten heeft Arthur misschien vergeten terug te geven en naar Verviers meêgesleept, 'k zal der hem mijn beklag eens over maken.
'k Ben blij dat uwe Hiawatha's overzetting door 't Davidsfonds gaat uitgegeven worden. Daar zal toch iets meer meê te verrichten zijn als met alle die flauwe “romans”!
Mr Theunissen onze goede vriend die te Peer is, en daar 3 uren te week vlaamsch geeft aan de jongens van 't College, heeft ons 'nen schoonen brief geschreven waar onder anderen in stond, dat hij zijne kleene Limburgers uwe kerkhofblommen voorgelezen had. Zij verstonden 't zoo goed dat zij weenden van ontroering. Dus dat het flauwe klap is van sommigen die zeggen dat zij geen Westvlaamsch en kunnen verstaan.
Die kleene jongens zijn der zot op om van tijd tot tijd een stuksken van u hooren te lezen. Zij kunnen allegaar het Schrijverke en de Regina Coeli opzeggen.p3Als Theunissen hun iets van nen anderen schrijver bv. van nen Hollander wilt voorlezen, roepen zij “neen, neen, van Mr Gezelle, die kan toch zoo schoon dichten!” K. De Gheldere‘s Processie[8] konnen zij ook van buiten, zoodat gij ziet dat de West-Vlamingen hier ook beginnen geëerd én bekend te worden wi zij 't verdienen.
Wij hebben 'ne brief van Juffrouw Cordelia Van de Wiele gezien, aan onzen Anciaux geschreven, waar in zij hem vroeg van eenen Solfèges[9] van heure Heer Vader zaliger trachte te verspreiden. Die man en is daar niet bekwaam voor, het gaait[10] hem niet. Als wij konnen, zullen wij hier in de Limburgsche Colleges dien Solfèges trachten bekend te krijgen. Maar hij is braaf moeielik voor beginders.
Nu groeten wij u allen zeer dankbaar en eerbiedig en genegen, en verwachten binnen 't korte nog een korenzangsken en meer, als gij tijd en stof hebt.







