't Is al lang leên dat wij van malkanderen niets meer gehoord noch gezien en hebben: 't wordt anders tijd dat ik u eens aanspreek om hulp voor onzen 7e en 8sten n° [1] van 't Daghet.
Ons gedoen is aan 't slabakken omdat wij geene korenzange[2] meer en hebben: des verzoek ik u, betrouwende op uwe goedheid, dat gij een kleen zangske zoudt veerdig maken tegen heel in 't korte.
Nu hebben wij goên tijd om alles eens na te zien en daar zullen zoo 'n schondige[3] fauten niet meer instaan hoop ik, wi een hoofding zonder lijf (6e n°)[4]
Hier gaat een deel woorden meê weg, met nog eenige dingen die Rijkhart van de Putte mij opgeschikt heeft.
Hij vraagt mij of gij der niets tegen hebt dat hij 't hier bijgevoegd leven van Sinte Luutgarde heruitgeeft aan 5 centen 't stuk voor de liefhebbers.[5]p2Hij zal hem dan wel verstaan met drukker Ceysens, zegt hij.
Wat die twee Boek- en boekstafwezen betreft; 'k geloof dat zij 't allemaal niet krek[6] afgeschreven hebben, en ik zal hem ’t boeksken eens vragen met het ander geschrift, om 't daar op de kladprint te verbeteren, indien 't u aanstaat dat wij ze drukken.
E. H. Daniëls heeft weêr nen artikel van Mr J. Winkler te zijnent liggen.[7]
Ik ga Mr Daniëls bezoeken in 't korte en zal dan waarschijnelik nog wat meer vernemen.
Weet gij al dat Mr Edw. Gaillard van Brugge zijne Glossaire aan 't Daghet geschonken heeft? Moeten wij hem daarvoor niet in 't bladeken zelf bedanken?[8] Ik zal dees dagen ook 't een en 't ander veerdig maken en u opsturen.
p3P.S. Ik heb hier een schoonen ouden Bibel liggen, vervlaamscht en geprint te Antwerpen in 1535,[10] een oud erfstuk van mijnen Heeroom[11] zaliger.
Daar staan gothieke printen in, en achter aan: Gheprent Thantwerpen op die Camerpoortbrugghe[12] inden Schilt van Artoys By my Jacob vā Liesvelt. Int Jaer ons HEREN. MCCCCC ende XXXV. Den XVIII dach van April.
Als gij hem eens wilt zien hoeft gij 't maar te zeggen; ik lees er alle dagen in en staan verwonderd over dat schoon oud vlaamsch.







