Nen heelen hoop dingen te vertellen!
1° Prof. D. Claes van Namen schrijft mij dat er "voor de rubriek Ludeker - Walendietsch[2] stof te vinden is in zijn artikel Waalsch en Nederlandsch[3] verschenen in Noord en Zuid tweede Jaargang (1878) bl. 75-80."
2° M. Ceysens zendt mij een briefken van eenen schoolmeester dat ik hier bij doen.
3° Uit Thorhout (Mervillie? ...) wenscht men mij geluk over mijnen artikel tegen de "nederlandsche Academie" in den Courrier de Bruxelles;[4] en men p2vraagt een kwijtbriefken voor Mr De Keukelaere onderpastor Beveren (Harelbeke) Dat is gedaan al.
Dan begint men te klagen. "Ik hope dat 't Daghet wat meer letterkundig zal worden. ... 't is te didaktisch drooge. 't Zou bijvoorbeeld een letterkundig en een didaktisch deel kunnen bevatten met 3° wat nieuwsmaren over de Vlaamsche beweging van Limburg en van elders."
"Verder 't ware toch zoo wel kondet gij beginnen met.. " .. de voordracht over den Vlaamschen dichter.
“daarbij eenige dichtstukjes of andere verdienstelijke gewrochten van de Jonge Limburgers.”[5]
4° Gisteren heb ik van M. Ceysens het bladje (dat hierbij is) gekregen dat onderteekend is Johan Winkler.[6] p3Nu uwen brief (J. Lenaerts) Ik had dat ding over de klokinschriften[7] naar G. G. gestuurd,[8] maar hij heeft het gehouden. 't Is niets: ik zal 't vandaag op nieuw schrijven.
Me dunkt dat gij in zekeren zin wat den moed verloren hebt. Tut, tut, tut! Laat ze maar preutelen en preutelt zelf niet. 't Kan allemaal op eenen dag niet vol maakt zijn. En dan: al die preuteleers moeten eens peizen dat ze niet te gulzig moeten zijn. Ze krijgen voor éénen frank twelf keeren acht bladzijkens vol,[9] en goed vol - niet met prul maar met heel goê dingen; is dat niet heel schoon?
Gij spreekt van taalstudie in uwen brief; me dunkt dat er in de vier nummers die verschenen zijn al een volle schotel taalstudie opgediend werd. 't Zou zekerlijk te wenschen zijn dat p4Juni 85
't Daghet Jan en alleman voldeed, maar! .... dat is on-mu-ge-lik.
En zijn er hier en daar die een zuur gezicht trekken op uw bladje, er zijn er veel die 'k ken die aan elken numero tien goê noten geven.
Ik heb sedert een veertien dagen stijf in 't werk gezeten, maar nu ben ik er weer wat door. Summa Summarum:[10] preuteleers en zifters zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn; wat doet dat? Ik heb bij ondervinding geleerd dat 't beste middelken om die mannen in hun schelp te doen kruipen dees is: er niet naar gebeeren - en zijnen weg stijf doorgaan, 'lijk 'ne brave, wakkere, nuggere[11] taaie Kempische werkos. En weet ge wat die ook doet als z'hem wat al te lastig vallen? Zijne horens opsteken; en dan zijn de lastigvallers gauw op loop.







