<Resultaat 3108 van 3122

>

p1
Mijn dierbare!

Dat is me nu een rechte en diepgevoelde blijdschap dat gij mij belieft te schrijven dat ik u helpe in ’t beminnen en verdedigen van Gods waarheid.[1] Gij verstaat het alzoo dan! Hier en verstaan het eilaas allen alzoo niet, maar zoo is het in der daad! ’t Is wel Gods werk en waarheid die ik vooren sta, in een van zijne openbaringen, te weten de eigene menschelijke taal, niet zoo als ze van elders opgedwongen wordt, maar zoo als ze ons, door Gods toedoen, vrij en onbedwongen uit het herte vloeit. Dat is mij de area salutis[2] bovendien van ’t volk, en wij Priesters of toekomstige Priesters behooren, dunkt het mij, aan die arke, na krachten, meê te bouwen en te temmeren, gelijk Noë. Vriend Rijkhaard is mij hier zoo vertrouwelijk toegevallen alsof hij mijn eigen broêr ware geweest.[3] Hij behaagt mij goed en ’t zou mij erg spijten ware hij niet te vreden geweest. Ik heb hem schriftelijk mijn gedacht aangaande opstel[4] van ’t daghet meê gegeven.[5] In korte woorden herhaald laat de stoffe recht limburgsch zijn, laat de tale het p2 stillekes aan worden. Verwaarloost het luikervlaamsch[6] niet. Vertaalt hetgeen Demarteau daarover in ’t fransch geschreven heeft. Schrijft van zaken die bestaan of bestaan hebben, niet veel van ’t geen zou bestaan moeten. Spreekt niet opzettelijk van Religie enz. schrijft zoo dat een Winkler en die nog zoo verre niet genaderd en zijn als Winkler zonder aanstoot alles kunnen lezen; levert getuigenisse van tale, zeden gebruiken enz. exempla trahunt.[7] Geen krijgvoerderij: doen en laten zeggen. Bevele u bezonderlijk het oud boekenwezen. Geeft gij nieuwe gedichtjes dat het korte zijn en uitgekozene één uit honderd. In het zantekoorn, of hoe gij ’t ook zult heeten, neemt de gelegentheid waar om, als voorbeeld van ’t gebruik van een limburgsch woord, somtijds een geheele reke echt plat limburgsch in te lassen, na de eigene uitsprake, na het leven zoo nabij mogelijk afgebeeld, met eene limburgsch neerlandsche vertalinge ernevens p3Zijt in ‘t eerste spaarzaam in ’t inbrengen van woorden die in Limburg alleen, gebruikt worden. Het woordeken “wie” zoo ‘t in uw brieven staat, bevalt mij zeer wel en tot nu toe en heb ik in uw schrijven nog niets gevonden, dat ik afkeuren zou in ‘t Daghet. Het spijt mij erg dat gij niet gekomen zijt;[8] later toch hope ik wel. Ik heb naar Mr Coenegrachts geschreven. Ik zal naar Profr Claes schrijven. Dien moet gij drukken als limburgschen Dichter naast zoo veel anderen; zijne dichten niet, maar zijnen naam, den naam zijner werken, geboorteplaats enz. Winkler heeft naar Duclos geschreven: “Ik ben bijkans zoo roomsch als gij!”[9] Bevele hem (en mij) in uwe gebeden. “Help ons nog een stooteken”[10] dat schijnt mij zoo lief, dat verstaat elkeen en schijnt toch eigen limburgsch. Hoe meer zulks hoe beter. ‘t Is elf uren ‘s nachts. Nu sluit ik mijnen brief in aller vriendschap u en uw werk Gods p4zegen wenschende. De rechte goede hand des herten van

Uwen toegenegen
Guido Gezelle.

Noten

[1] A. Cuppens schreef in zijn vorige brief aan Gezelle: “God zal 't u zeker loonen dat gij ons zoo goed helpt en aanmoedigt in 't beminnen en 't verdedigen zijner waarheid.”
[2] Vertaling (Latijn): De ruimte, de sfeer waar redding of heil mogelijk is.
[3] R. Van De Putte verbleef in elk geval op 12 september 1884 bij G. Gezelle te Kortrijk. Tijdens dit bezoek overhandigde hij een brief van 12/09/1884, waarin hij namens de Limburgse studenten zijn dank betuigde voor het advies bij de oprichting van het tijdschrift ’t Daghet in den Oosten.

Het is aannemelijk dat deze brief bij zijn vertrek werd overhandigd, zodat R. Van De Putte vermoedelijk ook op 11 september 1884 reeds bij Gezelle verbleef.

[4] Het opstellen, de samenstelling.
[5] De wetten en inhoud van ’t Daghet in den Oosten zijn bewaard in de brief van XX/09/1884 van R. Van De Putte aan A. Cuppens.”
[6] ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 1, p. 7: “Ludeker Walendietsch - Over de oude dietsche woorden die in de taal der Ludeker- of Luikerwalen in ballingschap zitten heeft al meer als een geleerde zoeker de pen gevoerd. De werken van Bormans, Grandgagnage, Scheler, Sigart, Habets, Demarteau, en anderen staan borg voor dit zeggen. Neven die werken, die op tijd en stond in 't Daghet, zullen te pas komen en aangehaald worden, diene de volgende verzameling van Luikerwalsch- dietsche woorden tot hulpvoorraad en oefenstof van hen die 't lust en gaait op dit veld mee te akkeren (...).”
[7] Vertaling (Latijn): voorbeelden wekken.
[8] A. Cuppens had in zijn brief van 16/06/1884 aan Gezelle geschreven dat hij niet verbaasd moest zijn als ze op een dag in augustus in Kortrijk stonden met een man of vier, maar dat het nog niet zeker was. Hij kon helaas niet mee met R. Van De Putte bij zijn bezoek aan Gezelle op 11 en 12/09/1884.
[9] A. Cuppens had in zijn brief van 16/06/1884 aan Gezelle genoteerd dat de mannen van het Gulleke op het feest van Sint-Luitgaarde gebeden hadden voor “hun lief landeken, hun leiders en meesters, en om van Johan Winkler een Roomschen kristenmensch te maken.”
[10] A. Cuppens schreef in zijn vorige brief aan G. Gezelle: “Help ook al een stooteken, als 't u belieft, om hem aan te zetten van ons te helpen, hij zou ons zoo veel goed kunnen doen!”

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamClaes, Désiré; Desideer, Diederik; Jan Klaes; E. Caerdistels
Datums° Neerlinter, 26/12/1836 - ✝ Namur, 07/03/1910
GeslachtMannelijk
Beroepleraar; taalkundige; schrijver
BioDésiré Claes was de jongste zoon in het landbouwersgezin van Joannes Claes en Anne Marie Vanderlinden. Na zijn opleiding aan de Lagere Normaalschool in Lier werkte hij als leraar Nederlands in het Stadscollege van Tienen (1869) en in het Koninklijk Atheneum in Hasselt (1870-1880). In 1864 huwde hij Anna Brouwers uit Stokkem. Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren. Claes publiceerde geregeld handleidingen en schoolboeken om de taalzuiverheid bij zijn leerlingen te promoten en bereidde zijn leerlingen voor om deel te nemen aan taalcompetities. Daarnaast was hij actief in het verenigingsleven. Zo ondernam hij initiatieven ten voordele van de bekroonde toneelgroepen De Ware Vrienden en de Koninklijke Maatschappij Sint-Cecilia, en richtte hij in 1875 de plaatselijke Davidsfondsafdeling op. Toen de liberalen in 1880 terug in de regering kwamen, werd hij omwille van zijn Vlaamsgezindheid overgeplaatst naar het Koninklijk Atheneum van Namen, waar hij zich bleef inzetten om zijn Waalse studenten de Vlaamse taal bij te brengen. Mede door de steun van Guido Gezelle werd Claes toegelaten tot de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, in 1888 als lid en vanaf 1895 als werkend lid. Binnen dit gezelschap publiceerde hij tal van bijdragen en trad hij op als lid van verschillende commissies. Daarnaast schreef hij gedichten, toneelwerken, vertalingen en verslagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
Bronnen https://www.hasel.be/claes-d%C3%A9sir%C3%A9-1836-1910
NaamDuclos, Adolf Juliaan
Datums° Brugge, 30/08/1841 - ✝ Brugge, 06/03/1925
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor; kanunnik, ere-kanunnik, leraar; historicus; auteur, redacteur; diocesaan inspecteur
BioAdolf Duclos, zoon van Desiderius Duclos, apotheker en een van de stichters van de katholieke partij in 1860, en Hortencia Bogaert, wier vader en grootvader de stichters waren van de 'Gazette van Brugge', werd geboren in de Kuipersstraat te Brugge. Hij liep school in het atheneum te Brugge, het college te Ieper en het Brugse Sint-Lodewijkscollege. In oktober 1860 ging hij naar het kleinseminarie in Roeselare (filosofie 1861), en volgde een jaar later een priesteropleiding aan het grootseminarie in Brugge. Daar ontmoette hij Guido Gezelle. Hij ontving zijn priesterwijding te Brugge op 10/06/1865 van Mgr. Faict. Hij ging lesgeven aan het college van Torhout (17/09/1865), en werd vanaf 1868 ondersecretaris en bewaarder van de relikwieën in het bisdom. In 1871 volgde hij Guido Gezelle op als redacteur van het tijdschrift Rond den Heerd. In 1874 was hij stichtend voorzitter van de Gilde van Sinte-Luitgaarde. In 1875 was hij ook betrokken bij de stichting van het Brugse Davidsfonds. Belangrijk was ook zijn betrokkenheid als bestuurslid en voorzitter van de Société Archéologique de Bruges, de voorloper van het Brugse Gruuthusemuseum. Hij was ook de auteur van historische werken en actief bij de organisatie van Brugse stoeten en processies. Vervolgens werd hij erekanunnik van de Brugse kathedraal (29/08/1884), pastoor in Pervijze (25/11/1889) en pastoor in Ieper (21/07/1897). Op 20 mei 1903 keerde hij naar Brugge terug als kanunnik van de Brugse kathedraal. Op 13 december 1910 werd hij diocesaan inspecteur van de bisschoppelijke colleges, en was ten slotte werkzaam als kanunnik-cantor (13/12/1911).
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; medewerker en uitgever van Rond den Heerd; Gilde van Sinte-Luitgaarde; oud-leerling kleinseminarie Roeselare
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Datums° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NaamWinkler, Johan; Jan Lou's; Grindebald
Datums° Leeuwarden, 12/09/1840 - ✝ Haarlem, 11/04/1916
GeslachtMannelijk
Beroeparts; taalkundige; auteur
VerblijfplaatsNederland (Friesland)
BioJohan Winkler kreeg een opleiding tot arts in Haarlem en Amsterdam. Na drie reizen naar Java als scheepsdokter vestigde hij zich in 1865 als arts in Leeuwarden. Hij verhuisde in 1875 naar Haarlem. Hij was ook een bekend taalkundige. Als taalparticularist was hij vooral bezig met het (Friese) dialect en naamkunde. Hij schreef vooral wetenschappelijke werken, maar ook verhalen o.m. als Grindebald en Jan Lou's. Hij publiceerde in 1874 een lofrede op het werk van Gezelle, in zijn boek "Algemeen Nederduits en Friesch dialecticon", waardoor hij bekendheid verwierf in Vlaanderen. Hij werkte mee aan "Rond den Heerd" vanaf 1875 en aan "Loquela" vanaf 1881. Hij leverde ook bijdragen voor "Biekorf". Hij was bevriend met Gezelle met wie hij uitvoerig correspondeerde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; buitenlands erelid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging (1973) dl 2, p.2087-2088
NaamCoenegracht, Theophile Marie; Coenegrachts, Theophile Marie
Datums° Oostham, 29/04/1854 - ✝ Rekem, 27/02/1918
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; aalmoezenier; kapelaan; pastoor
BioTheophilus Coenegracht werd geboren in Oostham op 29 april 1854. Hij was de broer van Felix Coenegracht. Hij werd op 15 juni 1878 priester gewijd voor het bisdom Luik. Hij begon zijn geestelijke loopbaan als kapelaan in de Sint-Bartholomeusparochie in Luik, en werd nadien pastoor van de Sint-Remigiusparochie in Grâce-Berleur. In 1892 volgde zijn benoeming tot aalmoezenier in het Bedelaarsgesticht te Rekem, waar hij bleef tot aan zijn overlijden op 27 februari 1918. Coenegracht was een gepassioneerd verzamelaar van prehistorische, Keltische, Germaanse en Romeinse oudheden, met een opmerkelijke collectie tot gevolg. Hij publiceerde onder meer een lezing over prehistorische vondsten in de "Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg" (1912).
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamDemarteau, Joseph; Demarteau, Marie Joseph Félix
Datums° Luik, 21/11/1842 - ✝ Luik, 24/04/1910
GeslachtMannelijk
Beroepuitgever; redacteur; auteur
BioJoseph Demarteau werd geboren in Luik op 21 november 1842 als oudste zoon van Joseph Demarteau (1810-1863) en Marie-Félicité Lochtmans (1813-1863). Zijn vader was de oprichter van "La Gazette de Liège" (1840), een invloedrijk katholiek dagblad. In 1863 nam Joseph de leiding over. Later zouden ook zijn zoon en kleinzoon de hoofdredactie waarnemen. Naast zijn journalistieke werkzaamheden ontplooide Demarteau een brede intellectuele activiteit, met bijzondere aandacht voor de geschiedenis, archeologie en kunst van Luik en het voormalige prinsbisdom. Hij was actief lid van de Société d’art et d’histoire du diocèse de Liège en van het Institut archéologique liégeois. Demarteau publiceerde verschillende studies waarin historische, kunsthistorische en filologische thema’s centraal stonden. In "A travers l’Exposition de l’art ancien au pays de Liège" (1881) gaf hij een overzicht van het artistieke patrimonium in het kader van een tentoonstelling gewijd aan oude kunst. Met "Le flamand dans l’ancienne principauté de Liège: le wallon, son histoire et sa littérature" (1889), oorspronkelijk verschenen als een reeks artikelen in "La Gazette de Liège", leverde hij een bijdrage aan het 19de-eeuwse debat over taal, identiteit en historische continuïteit in de Maasstreek. Daarnaast publiceerde hij hagiografische studies over Maaslandse heiligen, waaronder "Vie la plus ancienne de saint Lambert" (1890). Demarteau was eveneens verbonden aan de familiale drukkerij, de Imprimerie & Lithographie Demarteau die in de tweede helft van de 19de eeuw een belangrijke rol vervulde in de verspreiding van publicaties binnen de katholiek-sociale beweging in België. Joseph Demarteau overleed te Luik op 24 april 1910.
Links[odis]
BronnenGeneanet; https://www.ialg.be/ebibliotheque/bial/bial041.pdf

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens

Titel[12/09/1884 t.p.q. - 30/09/1884 t.a.q.], Kortrijk, Guido Gezelle aan [August Cuppens]
EditeurMiet Hubrechts
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts, Gezelle Guido aan Cuppens August, Kortrijk (Kortrijk), [12/09/1884 t.p.q. - 30/09/1884 t.a.q.]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Cuppens, August]
Verzendingsdatum[12/09/1884 t.p.q. - 30/09/1884 t.a.q.]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieDatering van toegevoegde notitie klopt niet: de brief is een antwoord op de brief van Cuppens aan G.G. (nr.7466) met datering [12/09/1884 t.p.q. - 30/09/1884 t.a.q.], deze brief is in dezelfde periode geschreven; plaats gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Gepubliceerd inBrieven van, aan en over Gezelle II, p.187-188 (154b)
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 209 mm x 136 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan Aug. Cuppens ; idem rechts: [Mei 1884 ?] (inkt, beide hand P.A.) ; idem in de linkermarge: - [5 ?] Rykhaard // Van de // Putte - (potlood, hand F. Baur ?)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief8585
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.16879
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/b3b983be9c19bded53b826d0c071774e3b850bdd/manifest
Inhoud
IncipitDat is me nu een rechte en diepgevoelde blydschap
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.