Dat is me nu een rechte en diepgevoelde blijdschap dat gij mij belieft te schrijven dat ik u helpe in ’t beminnen en verdedigen van Gods waarheid.[1] Gij verstaat het alzoo dan! Hier en verstaan het eilaas allen alzoo niet, maar zoo is het in der daad! ’t Is wel Gods werk en waarheid die ik vooren sta, in een van zijne openbaringen, te weten de eigene menschelijke taal, niet zoo als ze van elders opgedwongen wordt, maar zoo als ze ons, door Gods toedoen, vrij en onbedwongen uit het herte vloeit. Dat is mij de area salutis[2] bovendien van ’t volk, en wij Priesters of toekomstige Priesters behooren, dunkt het mij, aan die arke, na krachten, meê te bouwen en te temmeren, gelijk Noë. Vriend Rijkhaard is mij hier zoo vertrouwelijk toegevallen alsof hij mijn eigen broêr ware geweest.[3] Hij behaagt mij goed en ’t zou mij erg spijten ware hij niet te vreden geweest. Ik heb hem schriftelijk mijn gedacht aangaande opstel[4] van ’t daghet meê gegeven.[5] In korte woorden herhaald laat de stoffe recht limburgsch zijn, laat de tale het p2 stillekes aan worden. Verwaarloost het luikervlaamsch[6] niet. Vertaalt hetgeen Demarteau daarover in ’t fransch geschreven heeft. Schrijft van zaken die bestaan of bestaan hebben, niet veel van ’t geen zou bestaan moeten. Spreekt niet opzettelijk van Religie enz. schrijft zoo dat een Winkler en die nog zoo verre niet genaderd en zijn als Winkler zonder aanstoot alles kunnen lezen; levert getuigenisse van tale, zeden gebruiken enz. exempla trahunt.[7] Geen krijgvoerderij: doen en laten zeggen. Bevele u bezonderlijk het oud boekenwezen. Geeft gij nieuwe gedichtjes dat het korte zijn en uitgekozene één uit honderd. In het zantekoorn, of hoe gij ’t ook zult heeten, neemt de gelegentheid waar om, als voorbeeld van ’t gebruik van een limburgsch woord, somtijds een geheele reke echt plat limburgsch in te lassen, na de eigene uitsprake, na het leven zoo nabij mogelijk afgebeeld, met eene limburgsch neerlandsche vertalinge ernevens p3Zijt in ‘t eerste spaarzaam in ’t inbrengen van woorden die in Limburg alleen, gebruikt worden. Het woordeken “wie” zoo ‘t in uw brieven staat, bevalt mij zeer wel en tot nu toe en heb ik in uw schrijven nog niets gevonden, dat ik afkeuren zou in ‘t Daghet. Het spijt mij erg dat gij niet gekomen zijt;[8] later toch hope ik wel. Ik heb naar Mr Coenegrachts geschreven. Ik zal naar Profr Claes schrijven. Dien moet gij drukken als limburgschen Dichter naast zoo veel anderen; zijne dichten niet, maar zijnen naam, den naam zijner werken, geboorteplaats enz. Winkler heeft naar Duclos geschreven: “Ik ben bijkans zoo roomsch als gij!”[9] Bevele hem (en mij) in uwe gebeden. “Help ons nog een stooteken”[10] dat schijnt mij zoo lief, dat verstaat elkeen en schijnt toch eigen limburgsch. Hoe meer zulks hoe beter. ‘t Is elf uren ‘s nachts. Nu sluit ik mijnen brief in aller vriendschap u en uw werk Gods p4zegen wenschende. De rechte goede hand des herten van
p1
Mijn dierbare!
Uwen toegenegen
Guido Gezelle.
Noten
[1] A. Cuppens schreef in zijn vorige brief aan Gezelle: “God zal 't u zeker loonen dat gij ons zoo goed helpt en aanmoedigt in 't beminnen en 't verdedigen zijner waarheid.”
[2] Vertaling (Latijn): De ruimte, de sfeer waar redding of heil mogelijk is.
[3] R. Van De Putte verbleef in elk geval op 12 september 1884 bij G. Gezelle te Kortrijk. Tijdens dit bezoek overhandigde hij een brief van 12/09/1884, waarin hij namens de Limburgse studenten zijn dank betuigde voor het advies bij de oprichting van het tijdschrift ’t Daghet in den Oosten.
Het is aannemelijk dat deze brief bij zijn vertrek werd overhandigd, zodat R. Van De Putte vermoedelijk ook op 11 september 1884 reeds bij Gezelle verbleef.
[4] Het opstellen, de samenstelling.
[5] De wetten en inhoud van ’t Daghet in den Oosten zijn bewaard in de brief van XX/09/1884 van R. Van De Putte aan A. Cuppens.”
[6] ’t Daghet in den Oosten: I (1885) 1, p. 7: “Ludeker Walendietsch - Over de oude dietsche woorden die in de taal der Ludeker- of Luikerwalen in ballingschap zitten heeft al meer als een geleerde zoeker de pen gevoerd. De werken van Bormans, Grandgagnage, Scheler, Sigart, Habets, Demarteau, en anderen staan borg voor dit zeggen. Neven die werken, die op tijd en stond in 't Daghet, zullen te pas komen en aangehaald worden, diene de volgende verzameling van Luikerwalsch- dietsche woorden tot hulpvoorraad en oefenstof van hen die 't lust en gaait op dit veld mee te akkeren (...).”
[7] Vertaling (Latijn): voorbeelden wekken.
[8] A. Cuppens had in zijn brief van 16/06/1884 aan Gezelle geschreven dat hij niet verbaasd moest zijn als ze op een dag in augustus in Kortrijk stonden met een man of vier, maar dat het nog niet zeker was. Hij kon helaas niet mee met R. Van De Putte bij zijn bezoek aan Gezelle op 11 en 12/09/1884.
[9] A. Cuppens had in zijn brief van 16/06/1884 aan Gezelle genoteerd dat de mannen van het Gulleke op het feest van Sint-Luitgaarde gebeden hadden voor “hun lief landeken, hun leiders en meesters, en om van Johan Winkler een Roomschen kristenmensch te maken.”
[10] A. Cuppens schreef in zijn vorige brief aan G. Gezelle: “Help ook al een stooteken, als 't u belieft, om hem aan te zetten van ons te helpen, hij zou ons zoo veel goed kunnen doen!”







