4 août 1898.
Mijnheer,[1]
Ik heb de eer U ter kennis te brengen dat ik niet kan inschrijven op het hier bijgevoegde werk, getiteld “Een dure Eed” van Mej. Loveling, dat gij mij bij brieve van 11 Juli jongstleden hebt onderworpen.[2]
Aanvaard, M. enz.
De Minister,
Fr. Sch.






