<Resultaat 3095 van 3122

>

p1
Tres Révérend & cher ami

En réponse a votre lettre du 19 courant[1] j'ai l'avantage de vous informer que le Manuscrit anglais, que vous m'avez confié et dont je traduis une partie,[2] ne contient rien qui puisse éclairer le Révérend Mr Van Doorne dans la question teutonique[3] dont il s'occupe.[4]

Je saisis cette occasion pour vous faire savoir que parmi les vieux livres de l'oeuvre des vieux papiers j'ai trouvé deux ouvrages ayant appartenu, l'un à la bibliotheque des chartreux de Nieuport, l'autre à la biblioteque des chartreux de Shene, en Angleterre. Je vous destine les deux reliques.[5]

A l'effet de me faciliter ma traduction je me suis p2procuré le dictionnaire anglais le plus récent et le plus savant qui existe; arrété encore par des difficultés j'ai consulté des amis que j'ai en Angleterre qui m'ont tres gracieusement repondu de sorte que je suis parfaitement outillé maintenant. Vous m'avez dit, je crois, que rien ne pressait, et j'ai appris d'ailleurs que vous concentrez actuellement votre attention sur la vie de defunt Mr le Doyen de s. Giles.[6] Je me suis donc donné un peu de répit quant au travail purement materiel de la traduction. J'en sortirai quant même et d'autant plus surement que j'ai trouvé des mains amies qui se chargent avec plaisir de mon travail de transcription, classification alphabetique, fourniture de bulletins etc.

Je me tarde de vous voir autant qu'il me répugne de voyager. J'asp3pire cependant que la Providence vous amenera bien un de ces jours.

Votre tout devoué en Jésus Christ
Guido Gezelle

Noten

[2] Ernest Rembry wilde delen van het manuscript Notitia Carthusianorum Anglorum (1743) van Dom James Long, dat werd bewaard in het Engelse Klooster te Brugge, laten vertalen voor publicatie in de Annales de la Société d’Émulation. Bij de opheffing van het klooster Sheen Anglorum hadden de Kartuizers hun boeken en handschriften in het Engelse Klooster in depot achtergelaten. De priorin, Mother Mary Augustine More (een directe afstammeling van Thomas More), verleende onderdak aan prior Dom Williams (de laatste prior van Sheen), die daar samen met twee andere broeders verbleef van juni tot november 1793. Hoewel Sheen Anglorum niet meer bestaat, worden het zegel en de archiefstukken bewaard in St. Hugh's Charterhouse te Parkminster. In 1960, na onderhandelingen met de algemene overste van de Kartuizers, werden de bewaarde boeken en documenten, die eerder in het klooster te Brugge waren, teruggegeven aan de Kartuizers. Het handschrift van Long bevindt zich sindsdien in de bibliotheek van de Kartuizers te Parkminster. De Engelse zusters in Brugge bezitten enkel nog een fotokopie. Het manuscript bevat twee teksten: de eerste vertelt het leven van de heilige Bruno, de stichter van de Kartuizers, terwijl de tweede de geschiedenis van de Engelse Kartuizers behandelt, met inbegrip van de geschiedenis van het klooster Shene-Nieuwpoort. Rembry schakelde Guido Gezelle in voor de vertaling. Hoewel Gezelle een deel van het manuscript vertaalde, werd zijn vertaling nooit voltooid of gepubliceerd. Rembry vond uiteindelijk een andere vertaler en publiceerde de Franse vertaling onder de naam van A.C. De Schrevel, hoewel de daadwerkelijke vertaling vermoedelijk door L.H. werd gedaan. (C. Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899. Gent: Cultureel Documentatiecentrum Rijksuniversiteit, 1987, p.212-213).
[3] De provincie Teutonie (provincia Teutoniae) is één van de officiële geografische indelingen van de Karthuizerorde. Deze provincie omvatte vanaf de 15e eeuw Kartuizerkloosters in de Lage Landen en aangrenzende gebieden. De Chartreuse de Sheen Anglorum in Nieuport behoorde tot deze provincie. (Wikipedia, Province cartusienne de Teutonie).
[4] Hendrik Van Doorne had informatie gevraagd aan de zusters van het Engels Klooster, die de vraag aan Guido Gezelle doorspeelden via Ernest Rembry. Gezelle had immers hun handschrift Notitia Carthusianorum Anglorum in zijn bezit met het oog voor de vertaling ervan. Zie brief van zuster Marie Joseph (i.n.v. moeder overste Anne Belton) aan E. Rembry van 18/10/1883 en brief van E. Rembry aan G. Gezelle van 19/10/1883.
[5] In zijn brief aan G. Gezelle van 23/10/1883 laat Rembry weten dat hij belangstelling heeft voor de oude werken van de Kartuizers van Shene en Nieuwpoort. Hij vraagt of het mogelijk zou zijn deze via Eugène Van Damme, die elke woensdag en zaterdag naar Brugge reist, te laten bezorgen.
[6] Op basis van deze verwijzing zou de brief in november 1884 gedateerd moeten worden, na het overlijden van Van Coillie. De brief is zeker een antwoord op de brief van E. Rembry aan G. Gezelle van 19/10/1883 en ook de volgende brief van E. Rembry van 23/10/1883 bevat reacties op deze brief. De brief past dus inhoudelijk compleet in de cluster van brieven van 1883. Mogelijk verwijst Gezelle hier naar het feit dat Van Coillie niet meer in dienst is. Hij kreeg op 17 december 1881 een beroerte, met als gevolg dat hij op 2 mei 1882 zijn ontslag moest indienen. Daarna sukkelde hij met zijn gezondheid. In zijn De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge 1311-1896, p.422-605 wijdt Rembry 183 bladzijden aan het leven van Van Coillie.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).

Briefschrijver

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefontvanger

NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).

Plaats van verzending

NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - persoon

NaamDe Schrevel, Arthur C.
Datums° Wervik, 05/01/1850 - ✝ Brugge, 18/04/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; professor; vicaris-generaal; secretaris; geestelijk bestuurder; auteur
BioArthur De Schrevel, zoon van Ivon De Schrevel, geneesheer, en Melanie Liebaert, studeerde aan het bisschoppelijk college te Ieper en van september 1872 tot 1876 theologie aan de katholieke universiteit te Leuven. Hij ontving zijn priesterwijding op 07/06/1873. Hij werd professor (10/09/1877) en directeur (18/08/1880) van het grootseminarie te Brugge. De Schrevel werd erekanunnik van de Brugse kathedraal (26/07/1889) en secretaris van bisschop Waffelaert (10/06/1894). Hij werd geestelijk directeur van de dienstmaagden van de Zaligmaker te Brugge (12/03/1897), aartspriester (26/04/1905) en vicaris-generaal van het bisdom Brugge (12/12/1911). Hij nam ontslag in maart 1931 en bleef in Brugge wonen. Hij werd (bestuurs)lid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge in 1882 en voorzitter in 1919. De Schrevel publiceerde als historicus werken over de zestiende eeuw.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamRembry, Ernest
Datums° Moorsele, 22/01/1835 - ✝ Brugge, 14/05/1907
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; ondersecretaris; secretaris; vicaris-generaal; historicus
BioErnest Rembry, zoon van Jean-Aimé Rembry, geneesheer, en Clementine-Amande Delva, studeerde aan het college te Menen en kerkelijk recht te Leuven waar hij op 11/07/1859 zijn baccalaureaat behaalde. Hij werd op 29/05/1858 tot priester gewijd. Op 09/07/1859 werd hij onderpastoor van Sint-Gillis te Brugge. Hij schreef een geschiedenis van de Sint-Gilliskerk, van haar pastoors en van alle gebeurtenissen en belangrijke personen op deze parochie, door de eeuwen heen. Hij werd op 02/01/1862 ondersecretaris van het bisdom Brugge, op 24/11/1873 erekanunnik en op 29/08/1884 secretaris en officiaal. Op 20/04/1885 werd hij titulair kanunnik en op 31/05/1894 vicaris-generaal. Hoe hoger hij steeg in aanzien en vertrouwen bij de kerkelijke overheid, hoe meer hij ook Gezelle kon helpen. Hij was betrokken bij de stichting van het tijdschrift 'Rond den Heerd' en hij publiceerde ook in het tijdschrift 'Biekorf'. Hij las zijn laatste mis in de Sint-Jacobskerk op 9 mei 1904 om enkele dagen later te sterven.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III; Caroline Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899, Gent, 1987 (Gentse bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 10).
NaamVan Doorne, Hendrik Karel Evarist; Poucke; H. Jansseune, H. Godschalck en H.K.E.v.D.v.P., Noordvane
Datums° Poeke, 16/04/1841 - ✝ Poeke, 14/09/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; missionaris; auteur
VerblijfplaatsEngeland
BioHendrik Van Doorne werd geboren te Poeke als tweede zoon van notaris J. Van Doorne en Augusta Rosalia Van Eeckhaute. Zijn moeder stierf in 1842 waarna zijn vader hertrouwde met Justine Vandevelde. Hendrik Van Doorne studeerde van 1854 tot 1860 aan het kleinseminarie van Roeselare, waar hij kennis maakte met Guido Gezelle. Hij was er lid van Gezelles 'Confraternity'. Gezelle ontfermde zich als surveillant over de dertienjarige die veel heimwee had naar huis en gaf hem de bijnaam 'Poekske', naar zijn thuisdorp. Gezelle had een goede relatie met Van Doornes familie, die hij verschillende keren thuis bezocht. Gezelle is nooit klasleraar geweest van Van Doorne, wel gaf hij hem les in Vlaams en Engels. Toch zijn bijzonder veel gedichten in verband te brengen met Van Doorne. De meeste werden door Van Doorne verzameld of zijn door Gezelle in zijn album geschreven. Slechts enkele daarvan zijn persoonlijk aan Van Doorne opgedragen, bijv. ‘k Hoore tuitend’ hoornen' (augustus 1860). Niet toevallig dateren die gedichten hoofdzakelijk uit de zomer van 1860. Toen Gezelle naar Brugge vertrok, volgde Van Doorne hem. In 1860 was hij leerling in het Sint Lodewijkscollege op het Sint Jansplein, vlakbij het Engels College, waar hij de retorica volgde. Op 7 oktober 1861 begon hij aan zijn opleiding aan het Engels Seminarie te Brugge. Tijdens zijn verblijf aan het seminarie, dat duurde tot 1865, kwam het in 1863 tot een breuk met Guido Gezelle, zijn leraar filosofie. De relatie tussen beiden herstelde zich echter later. Van Doorne ontving op 2 juli 1864 de lagere wijdingen. Vervolgens werd hij op 17 december 1864 tot onderdiaken gewijd en op 10 juni 1865 tot diaken. Op 24 augustus 1865 kreeg hij zijn priesterwijding in de kathedraal van Southwark in Melior Street door bisschop Thomas Grant en op 5 september 1865 deed hij in Poeke zijn eremis. In oktober 1865 startte hij zijn studies op eigen kosten aan het Collegio Pio te Rome. Hij maakte van daaruit verscheidene reizen naar Frankrijk en Zwitserland. Hij verbleef er tot de zomer van 1866. Bij zijn terugkeer uit Italië was hij ziek en verbleef hij met het oog op zijn genezing tijdens de zomermaanden thuis in Poeke. Daarna was hij ruim 30 jaar werkzaam in Engeland. Op 7 september 1866 werd hij als 'chaplain' aangesteld van Hastings House Orphanage, bij een kleine gemeenschap van Engelse kloosterzusters in Saint Leonards-on-Sea bij Southampton. Hij viel echter opnieuw ziek en keerde verscheidene keren voor maanden soms met herstelverlof naar Poeke terug. In de loop van 1867 werd hij benoemd in Southampton als kapelaan van St. Joseph's. Tijdens zijn verblijf daar verzamelde Van Doorne gegevens over de vroege geschiedenis van de missie en wijdde hij zich aan de studie van de geschiedenis van de stad. In november 1871 volgde een benoeming in Christ Church, ten westen van Lymington. Daar ontwikkelde hij een vriendschapsband met de adelijke familie Weld van Lymington and Lulworth. In mei 1873 werd hij directeur van het Heilig Hartklooster te Roehampton (Londen) en in juni 1874 werd hij onderpastoor te Camberwell (Surrey). Op 1 juni 1881 werd hij pastoor te Brixton. Daar stichtte hij een missie en bouwde hij grotendeels op eigen kosten de Corpus Christi-kerk. In februari 1901 nam hij ontslag en verbleef tot het einde van 1901 in Brixton. Hij bezocht er vaak zijn boezemvriend Joseph Weld. Begin 1902 verbleef hij in zijn ouderlijke huis te Poeke, waar hij op 13 september 1914 overleed. In Londen was Van Doorne vicevoorzitter van de 'Guild of St. Gregory and St. Luke', waarvan de leden onder anderen sir Stuart Knill, James Weale, J. F. Bentley en Edmund Bishop waren. Van Doorne had een zekere literaire aanleg en Gezelle zag in hem “een nieuwen schoonen dichter”. Hij publiceerde net als Gezelle politieke stukken in de krant "Reinaert de Vos" onder het pseudoniem 'Noordvane'. Hij hielp Hugo Verriest bij het voorbereiden van Gezelles "Gedichten, gezangen en gebeden" (1862) en werkte ook mee aan "Rond den Heerd" onder het pseudoniem H. Godschalck. Hij vond dit pseudoniem (betekenis: Gods dienaar) in een bijdrage van Gezelle voor de Dagwijzer van Rond den Heerd, jg 2 (19 januari 1867), p.57. Behalve zijn roman "Jan van Noorde of onderwerping en betrouwen" (1881) schreef hij ook een niet afgewerkt 'Gedenkboek met zijn herinneringen aan Gezelle te Roeselare'.
Relatie tot Gezellecorrespondent; oud-leerling kleinseminarie Roeselare; lid van Gezelles confraternity; gelegenheidsgedichten; lid van de Gilde van Sinte-Luitgaarde; medewerker Rond den Heerd
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III ; http://www.gezelle.be; Arnold Strobbe, Hendrik Van Doorne, een leven in en uit de schaduw van Gezelle. [Loppem]: Guido Gezellekring, 2017; Stewart Foster, The English Seminary Bruges : 1858-1873: a biographical register of priests. Brentwood: Brentwood Diocesan Archives, 2018, p.58-59
NaamVan Coillie, Fredericus Ferdinand
Datums° Beveren (Roeselare), 06/02/1804 - ✝ Brugge, 04/11/1884
GeslachtMannelijk
Beroeponderpastoor; pastoor
BioFredericus Ferdinand Van Coillie werd op 6 februari 1804 te Beveren-Roeselare geboren als zoon van Jan Hendrik Van Coillie (1757-1831) en Regina Victorina Vandewaeter (1759-1838). Hij ontving zijn priesterwijding te Mechelen op 2 augustus 1827, werd onderpastoor te Izegem (1827), en van 1841 tot 1882 pastoor van de Sint-Gilliskerk te Brugge. In 1853 werd hij ook deken van Brugge-Noord en in 1867 erekanunnik van het bisdom Brugge. Deken van Coillie was de mentor en geode vriend van Ernest Rembry die zijn onderpastoor op de Sint-Gillisparochie was. Ook Gezelle zocht zijn toevlucht bij hem, nadat hij in 1860 overgeplaatst was naar Brugge. Bovendien was hij de oom van zijn oud-leerling Victor Van Coillie. Verder was hij stichter van de Congregatie van de Dienstmaagden van de Zaligmaker, Brugge/Heule (1854) en van de Congregatie van de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, Heist (1859). Op 4 november 1884 overleed hij in zijn huis in de Annunciatenstraat E35 (57-64).
Links[odis]
Bronnen https://gw.geneanet.org/lukva1?n=van+coillie&oc=&p=fredericus+ferdinand; E. Rembry, De bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge (1311-1896), met aanteekeningen over kerk en parochie. Brugge: De Scheemaecker-Van Windekens, 1890-1896, p.422-604.
NaamLong, James
Datums° Londen, - ✝ 07/01/1759
GeslachtMannelijk
Beroeppater; karthuizer; coadjutor; auteur
VerblijfplaatsEngeland
BioDom James Long werd geboren te Londen. Hij trad op 13 december 1716 toe tot de Kartuizerorde en legde zijn geloften af in het Engelse Kartuizerklooster te Nieuwpoort. Op 28 december 1717 werd hij tot subdiaken gewijd, gevolgd door zijn wijding tot diaken op 24 september 1718. Vanwege conflicten met de monniken van het klooster werd hij op 6 oktober 1753 uit de kloostergemeenschap ontslagen. Hij verliet Nieuwpoort en werd in 1754 benoemd tot coadjutor van het Kartuizerklooster te Brussel. Hij overleed op 7 januari 1759. Hij is de auteur van het manuscript Notitia Carthusianorum Anglorum (1743), dat bewaard werd in het Engelse Klooster te Brugge. Het manuscript bevat twee teksten: de eerste vertelt het leven van de heilige Bruno, de stichter van de Kartuizers, terwijl de tweede de geschiedenis van de Engelse Kartuizers behandelt, met inbegrip van de geschiedenis van het klooster Shene-Nieuwpoort. Ernest Rembry sprak Guido Gezelle aan om delen van het manuscript in Frans te vertalen voor publicatie in de Annales de la Société d’Émulation. Hoewel Gezelle enkele delen van het manuscript vertaalde, bleef zijn Franse vertaling onvoltooid. Rembry vond uiteindelijk een andere vertaler en publiceerde de vertaling onder de naam van A.C. De Schrevel, hoewel de daadwerkelijke Franse vertaling vermoedelijk door L.H. werd gedaan.
Relatie tot Gezellevertaler van werk
BronnenC. Verstraeten, De briefwisseling tussen Guido Gezelle en Ernest Rembry 1872-1899. Gent: Cultureel Documentatiecentrum Rijksuniversiteit, 1987, p.212-213

Naam - plaats

NaamNieuwpoort
GemeenteNieuwpoort

Naam - instituut/vereniging

NaamChartreuse Jésus de Bethléem de Nieuport of Sheen Anglorum
BeschrijvingDe kartuizerij Sheen Anglorum was een Engels klooster in ballingschap dat na de Reformatie zijn toevlucht zocht op het Europese vasteland. De gemeenschap vond uiteindelijk in 1626 onderdak in Nieuwpoort, waar zij de kartuizerij Jésus-de-Bethléem oprichtte. Gedurende ruim anderhalve eeuw leefden de monniken er volgens de strenge regels van de kartuizerorde, in afzondering en gebed. De kloostergemeenschap hield stand tot 1783, toen het klooster werd opgeheven tijdens de hervormingen van keizer Jozef II.
Datering1626-1783
Links[wikipedia]

Titel - ander werk

TitelDe bekende pastors van Sint-Gillis te Brugge (1311-1896)
AuteurRembry, Ernest
Datum1890-96
PlaatsBrugge
UitgeverDe Scheemaecker-Van Windekens
TitelNotitia Carthusianorum Anglorum [handschrift]
AuteurLong, James
Datum1743
PlaatsNieuwpoort

Titel[19/10/1883 t.p.q. - 23/10/1883 t.a.q.], Kortrijk, Guido Gezelle aan [Ernest Rembry]
EditeurEls Depuydt
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenEls Depuydt, Gezelle Guido aan Rembry Ernest, Kortrijk (Kortrijk), [19/10/1883 t.p.q. - 23/10/1883 t.a.q.]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderGezelle, Guido
Ontvanger[Rembry, Ernest]
Verzendingsdatum[19/10/1883 t.p.q. - 23/10/1883 t.a.q.]
VerzendingsplaatsKortrijk (Kortrijk)
AnnotatieLocatie origineel: brief is aanwezig in het: Bisschoppelijk Archief Brugge: BAB/N66; t.p.q. gereconstrueerd op basis van de brief van Ernest Rembry aan G. Gezelle van 19/10/1883 (nr.5364) (antwoord + verwijzing naar deze brief); t.a.q. gereconstrueerd op basis van de brief van Ernest Rembry aan G. Gezelle van 23/10/1883 (nr.5365)
Gepubliceerd inEen niet-gepubliceerde brief van Guido Gezelle aan Ernest Rembry / door G. Houwen.. - In: Biekorf. - Jrg. 91 (1991) nr.4, p.405-409
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 201 mm x 135 mm
papier, wit, rechthoekig geruit
papiersoort: 3 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsBisschoppelijk Archief Brugge
ID GezellearchiefBisschoppelijk Archief Brugge BAB/N66
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.26952
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/1f1d9a11aff3f3d857af165ca76b7241f382af49/manifest
Inhoud
IncipitEn réponse a votre lettre du 19er j'ai l'avantage de vous informer que le M.S. anglais
Samenvatting vertaling ter publicatie in 'Annales de la Société d'Emulation 'van delen uit het manuscript van Dom James Long, 'Notitia Carthusianorum Anglorum' (1743), dat bewaard werd in het Engelse Klooster te Brugge
Tekstsoortbrief
TalenFrans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.