Per post zend ik U, al wat wij van uwe schoone voordracht van 14 dezer,[1] hebben kunnen opschrijven en onthouden.
Wij hebben hier en daar wat van ‘t onze moeten erbij doen, omdat er zooal hier en daar dingen waren die ons ontvlogen waren of die wij niet verstaan hadden, doordien wij aan 't schrijven waren.
Wij verzoeken u eerbiediglijk, Mijnheer, van dit werk eens te willen naarzien, te verbeteren, en er de noodige veranderingen aan te doen, om het dan in de Gazette te drukken,[2] of ook noch, als Leuven onze voorwaarden aanveerdt, een afdruksel aan de leden van het Davidsfonds te zenden.







