[1] Deze briefkaart is een antwoord op de
brief van G. Gezelle aan A. Cuppens en L. Lenaerts van 06/1883 waarin Gezelle vraagt: “P. S. Zendt mij op een briefkaarte a. u. b. of peddemook oo gelijk in rook is of o gelijk in kool, kolen. Is peddemook puiderek, ova etc. ranarum".
De briefkaart is gepubliceerd in: A. Cuppens, De eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 53. Cuppens schrijft erboven: “L. W. J. Lenaerts het volgende kaartje naar G. G. gezonden. Ik heb het vóór mij liggen met het woord Limburgsch er op geschreven door 's Meesters hand.”
[2] A. Cuppens zet hier als voetnoot bij
Gezelles brief in: De eerste “’t Daghetjongens“ en Guido Gezelle. In: ‘t Daghet in den Oosten: 26 (1910) 4, p. 50: “Dit w. werd door C. L. gezet op het woordenlijstje dat wij G. G. zonden, verwekte veel zoekens en veel schrijvens tusschen G. G. en zijne nieuwe leerlingen. Doch zijne brieven zijn verloren; onze brieven, en, onze minste prullekes en papierlingskes heeft de goeden man bewaard als heiligdom!”
G. Gezelle, Mollepooi, molleplooi, molleprooi. In: Loquela: 12 (Oostermaand 1886) 5, p. 94: “(...) Moldewerp, moudewerp, (Hoffmann v. F.'s Glossarium Belgicum), molworp (Richey, Kiliaen, Ten Kate, en an), ijslandsch moldwarpa; eng. (Shakspeare) (sic), moldwarp, (Wyclif) moldwerp; limburgsch moollup, moorrup, mollup, molp (...) Dit schoon oud w., dat wij zoo deerlijk ingekort en gebloksteert hebben, beteekent dus eigentlijk het molle werpende, het losse eerde opstekende dier.”