Wij zullen op eenen anderen keer beter de algemeene schrijfwijze volgen in ons schrijven, en spaarzamer de Limburgsche woorden gebruiken, bezonder de kleine versleten woordekens die alle vijf voet terugkomen. De uitdrukkingen, de draai van den volstel zullen u aardiger voorkomen als de Limburgers. Ik heb diks opgemerkt, dat er velen zijn, die nooit over 't stelsel van de gouwspraken[1] niet en hebben gehoord, die er misschien tegen zijn als ze 't kennen, en die in 't gebruik er nogtans, dapper op, vóór schijnen. Ze zijn niet verwonderd van eenvoudige uitdrukkingen te hooren, (diks omdat zij ze niet van de Hollandschen en kunnen onderscheiden) maar zullen bij 't minste woordeken, dat niet Hollandsch en is, recht springen en de veêren struivelen. 't Woordeken wie, wi, whij (hoe) dat wij vroeger wie schreven, wordt in Limburg met ij en niet met ie uitgesproken. Wij hadden ons verdoold met onze ie-uitspraak van den klank ij. Bormans schrijft het ook met ij; ik meen ergerhands gezien te hebben dat hij het whij schreef, en deze wijze verdedigde.
Wij hebben al bij de 150 inschrijvingen voor 't Daghet. 60 uit West-Vlaanderen; 15 uit Oostvlaanderen; 1 uit Holland; 40 uit 't Bisdom Mechelen; 40 uit Limburg Van de 40 uit Limburg zijn er 2 van den Maaskant; 1 of 2 uit het Haspengouw; de anderen (36 of 37) uit den Kempen of uit Klein Vrankrijk.[2] Uit het Klein Seminarie p2van St Truiden en St Roch (meteen 250 vlamingen) zijn er nog maar 3.
Gij ziet dat alles geen goud is dat blinkt. Maar met den eersten nummer kunnen wij zeker nog op 50 misschien wel op 100 man meer tellen: zoo dat wij toch niet in nood en geraken.
Als Mijnheer Daniëls u schrijft, wakker hem aan om mede te helpen in 't schrijven. Ik denk dat hij het wel van aleen doen zal. Ik heb hem geschreven, al twee keeren, maar nog geen antwoord gehad.
Nu moeten Cuppens en ik ons examen voorbereiden voor het onderdiaconaat;[3] de twee anderen, die hier zullen medeschrijven, voor den “pro cura”.[4] Maar met eene 14 dagen zullen wij op een nieuw kunnen beginnen.
Wij hadden gedacht, al van 't begin af, van op de twee leste bladzijden van 't Daghet, het een of 't ander oud Limburgsch werk uit te geven; bv. Sinte Kerstine[5] dat mellius et omnium est.[6] Ik geloof niet dat vier van onze inschrijvers dat dicht hebben; De eerste uitgaaf is al lang uitgeput; en de inschrijvers zullen liever zoo iets, als niets hebben, gelijk het zijn zou, als wij ’t Daghet grooter lieten drukken. Wat denkt gij erover: uw gedacht zal het onze worden.
Wij zullen trachten met den Heer Tuerlinckx in kennis te geraken.[7]
Ik schik u hierbij een sterteken aan de Alvermennekens;[8] en iets over p3Bormans dat in Juni 78 bijkans zoo in de “Gazette de Liège” stond.[9]
Onze kleine oude medecijneboekskens gaat gij ook ontvangen.[10]
Zou Cuppens eens wat schrijven over onzen Eerw. Heer Daris zijne werken? [11]
In onze Boekerij[12] en vinden wij geene ingeschreven zegsels, bezonder geene vlaamsche. Gewoonlik is er een papier over geplekt,[13] en anders zijn ze uitgekretst.
Geen boek en zal ons onder de handen doorgaan of wij zullen er op letten. Een dat nog al eens gevonden wordt, is: Sum Jacobi et amicorum.[14]
In het “Sermoen van de devotie tot den lijdenden Jesus, - Ghendt, bij Jan Danckaert 1703 - vind ik: “desen boock hoort toe aen Ludovicus geijbels en die desen boock vint en niet wieren en bercht dat en mijnen E vindt niet aen. Ludovicus geijbels tot Soelder 1754.”
Bormans.
Onze geleerde taalkundige, J. H. Bormans, was van St Truiden van dan. Hij word in ‘t jaar O. H. 1801 geboren en storf te Luik in 't jaar 78.
Van jongs af aan was 't een slimmen en brave mensch. Doorbraaf, ja dat was er; en doorgeleerd ook, en dat: bewijzen zijne werken en de ambten die hij vervuld heeft. Hij kost achttien jaar zijn, doen er al leeraar was van de Poësie en de Rhetorica in Seminarie van Luik: vervolgens kwam er in 't collegie van Luik, doen in dat van St Truiden, waar hij in 34 de Bestierder van word, doen in dat van Hasselt, doen in de Hoogschool van Gent (in 1835) en eindelik in 't jaar 37, in die van Luik. Daar heeft er, ene dertig jaar lang, zijne schoone lessen van grieksche en latijnsche woordafleidkunst gegeven.
Nu zijne bezonderste werken, en dan zult ge zien dat er zijn moedertaal niet vergat al zat er ook midden in 't Walenland. Wat heeft er zooal uitgegeven:
1° een werk over de vlaamsche spraakregels.
2° 't bezonderste werk van eenen Limburgschen dichter, van Van Veldeke.
3° Het leven van Sint Servaas in verzen, uit de 12de eeuw.
4° ‘t leven van Sinte Kerstine en dat
5° van Sinte Luitgaarde, gedichten uit de 14ste of de 15 ste eeuw.
6° Brokken van 't vlaamsche Roelandslied. Een van die stukken, dat in Loon gevonden word, was nog onbekend.
7° Brieven aan Karel Grandgagnage, om hem te laten zien, dat in zijnen woordenboek, de woorden "origine inconnue,” “origine celtique", niets anders en beteekenen als: “uit het vlaamsch overgenomen.
Bormans was lid van de Koninglijke akademie van Brussel, van de Koningl. Comm. van Geschiedenis van de Maatschappij van de Nederlandsche letterkunde te Leyden, enz. enz.p2Bormans had zooveel geschreven en zooveel uitgegeven. En zoudt ge 't konnen gelooven? Zijne boeken zijn na zijn dood verkocht geworden als... oud papier voor zooveel centiemen het pond. O barbaarschen tijd; o barbaarsch Walenland.







