Leeft gij nog? Leeft gij nog? vraagt ons E.H. Daniëls, vraagt ons de drukker die maar geene kladprint ziet terugkomen en vragen wij u ook.
Wij zijn al vijf of zes keeren gaan zien naar dat leelik Beeremutsenhuis[1] maar niks! E.H. Mervillie heeft aan E.H. Daniëls een schoonen brief over ’t Daghet geschreven - ik schrijf hem hier beneên af[2] en hij zegt dat wij hem zouden drukken in den 2e n°.[3] Hij zou dan ook een bladz. of twee over de 12 Liederen schrijven[4] want dat maakt immers onze zaak bekend en vereerd en de jonge meester verdient waarlik dat zij hem prijzen en aanmoedigen.
Hebt gij der iets tegen dat Mr Daniëls van de 12 liederen schrijft, laat het ons dan weten, als 't u belieft.[5]
In zijne brief vraagt E.H. Mervillie ook of Mr Daniëls de rede niet zou doen drukken in 't Daghet, die hij te Brugge gevoerd heeft "over de zending van den vlaamschen dichter” gij weet wel toen ze Mr Karel de Gheldere daar zoo schoon verrast hadden en zoo welverdiende eer aangedaan.
Als gij 't toestemt: zal Mr Daniëls zijne rede heropschrijven voor 't Daghet?[6]p2Hierbij ook een opstel over Limburgsche kindergebeêkens[7] van eenen nieuwen gildebroêr, Jan Erkens van Hasselt. Ik geloof dat ik eentigen dervan al gelezen heb in eenen ouden schoolboek,[8] maar en ben er toch niet zeker van.
In 't Seminarie van Sint-Truyden hadden wij 36 inschrijvers. Die jonge bazen vinden dat het Daghet niets en beteekent omdat het voor de volkstaal is en geen reden en geeft na zijn gedacht en waarschijnlik omdat hun professor, die een Hollander is, het uitgesproken heeft. Zij hebben allemaal hunne inschrijving opgezegd! Die mannen zijn er rap meê, niet waar?
Maar daar zijn der eenige redelike jongens onder die wij eens gaan schrijven en de handelingen van Ste Luitgaardegilde te lezen sturen en dat zullen ze zeker wel wat veranderen van gedacht.
Wij hadden dat verweêr ten andere voorzien: was er van leeuwenklauwen etc. ingekomen, dan hadden wij 't heel Seminarie meêgehad maar nu is 't te droog en dor, van die platte boeretaal willen inbrengen en 't Hollandsch der uit kegelen! Horresco referens![9] . .
Toe, geliefde Meester, knik eens ja of nee en blijf toch niet gebaren of gij dood waart. Een tien woordekes meer en wij hebben onzen tweeden n° klaar met Korenzang[10] Darren[11] Limburgs Wangeloof - Boekstafwezen I en II — ’ Brief van Mervillie[12] met wat van E. Daniëls der bij. Wij groeten u eerbiedig en genegen!
Limburgsche Kindergebeêkens.[14]
Zijn er in ons Limburg nog veel oude spreuken en raadselkens die wij met nut en genoegen kunnen opzoeken en in "'t Daghet" bekend maken, der zijn ook nog een groot getal overoude en schoone gebedekens die bij onze voorouders in voege waren en die wij nu, xxlaas!! Bijkans niet meer en hooren: nu en dan is er nog hier of daar een kind dat heel eenvoudiglijk die eenvoudige gebeêkens opzegt die het van grootvader of grootmoeder geleerd heeft, en waarom zouden die moeten verloren gaan? En zou 't niet jammer zijn dat wij die zagen uitsterven, om door armzalige fransche liêkens vervangen te zien? Waren de kinderen minder vrolijk en minder gelukkig voortijds, toen ze die verskens die grootmoeder hun geleerd had onder elkander opzegden als ze nu zijn met het opzeggen van allerhanden flauwen rimram waarvan ze zelfs niets en verstaan? Neen, die gebeêkens moeten wij bewaren, ze onder het volk weêr in voege brengen met ze de kinderen te leeren. 'T is daarom dat ik hier eenige van die oude verskens neêrschrijf zooals ik ze uit den mond van kinderen gehoord heb; de Limburgsche lezers die er zouden kennen, 't zij uit hun dorp, 't zij uit andere limburgsche plaatsen, verzoek ik vriendelik ze naar "'t Daghet" te schikken.p2En merken wij eerst eene soort van gebedekens aan die men "wilde gebeden" noemt, waarschijnlik omdat zij zoo ernstig niet en schijnen, of zijn, maar omdat zij in vrolike verskens zijn uitgedrukt. Zoo, b.v. heb ik gehoord in Zonhoven:
zet de schotel niet te wijd
brokt de brokken nie te dik
dat ich ter mich nie in en verslik.
of wel:
zet de schotel niet te wijd
snijdt de brokken niet te dik
Want het is ons leste mik
snijdt ze niet te groot
want het is ons leste brood.
Der zijn kinderen die, als zij slapen gaan en rap het beddeken inspringen, zeggen:
Mijn beddeken is gemaakt
en ik kruip er in.
Zoudt gij eens willen zoeken naar die soort van gebedekens? De vaderons, de wees gegroet en "ik geloof in God..." en misschien nog wel andere worden nog op de eene of andere plaats van de Kempen gehoord.
— Maar der worden veel meer andere gebeêkens gehoord die niet "wild" zijn: ettelijke daarvan worden gezongen en wel 's avonds, als de gansche familie rond denp3heerd zit; klein en groot, oud en jong, allen zingen meê.
Zoo heb ik al het volgende liêken dat wel als gebed mag aanschouwd worden, gehoord:
eenen God alleen
In Jesus Kristus, zoo gelooven wij
twee steene tafelen
eenen God alleen
In Jesus Kristus, zoo gelooven wij
drie Patriarken
twee steene tafelen
eenen God alleen
In Jesus Kristus zoo gelooven wij
vier Evangelisten... (herhaal de voorgaande)
de vijf wondekes des Heeren ("Christi" in Beeringen)
die we moeten eeren,
vier evangelisten... enz.
zes flesche wijn
In Beeringen:
zes glaskes rooden wijn
die voor Jesus geschonken zijn.
In Chanaan Galileë
zal het bruiloft zijn.. Enz.p4
Zeven Sakramente... enz.
acht zaligheden... enz.
negen koor der engelen... enz.
tien geboden Godekes... enz.
ellef duizend maagdekes... enz.
twalef heilige apostelkes... enz.
Wat aangenaam en nuttig middel om zekere geloofspunten en geschiedenisfeiten te onthouden. En ook hoe eenvoudig, hoe schoon en liefelik, toen ik dat hoorde zingen! 'T huiselijk genoegen zou niet veel verliezen, meen ik, met zoo 'n liederen in plaats van menig ander te zingen.
Andere gebeêkens heb ik nog in de Kempen gehoord, zoo als b.v. der zijn kinderen die 's morgens bidden:
danke Lievrouwke
danke Engelke bewaarder
dat mij dezen nacht zoo goed bewaard heeft
en dezen dag ook belieft te bewaren
voor water, voor vuur
en alle ongelukken. Amen.
p5of wel, als Jefke bidt:
wil ons klein Jefken bewaren,
gebenediien
en van alle ongelukken bevriien.
of wel het schoolkind dat zegt:
de heilige Geest bestiert mijn zin
dat ik wel mag leeren
bid ik onzen Lieven Heere
dat ik wel mag onthouen
bid ik onze lieve Vrouwe.
Zulke oude spreuken tot God of de H. Maagd of de Heiligen gericht moeten er in groot getal zijn en zijn onze aandacht waard.
'S Avonds ook, in de Kempen voor dat de kinderen naar bed gaan, hoort men ze allerhande avondgebeêkens opzeggen: zij houden de handekens te saam & bidden:
treê ik op een trepken
van 't trepken op Maria's schoot
Maria is mijn moeder
Sint Janneken is mijn broeder
Ons Lieven Heerken is mijn vader,
Nacht engelkes altegader!
of wel:
komen mich 14 engelkes na
p6twee aan mijn hoofdeind
twee aan mijn voeteneind
twee aan mijn rechterzij
twee aan mijn slinkerzij
twee die mij dekken
twee die mij wekken
twee die mij prijzen,
twee die mij wijzen
ten hemelschen paradijzen.
En als vader of moeder aan de wichter zeggen dat zij 's morgens vroeg moeten opstaan, dan bidden de kinderen "den H. Engel Ste Machiel" en vragen dat zij zouden op dees of op die uur wakker worden:
ik beveel u God mijn lijf en ziel
Heiligen engelbewaarder, bewaar mij goed
wil mij wekken met ter spoed
niet te vroeg of niet te laat
als de klok (de uur) slaat.
Wie kent er nog meer van die oude limburgsche gebedekens? Hij zende ze naar "'t Daghet" zij en zullen niet anders dan welkom zijn. Toe, limburgsche studenten, zet u eens aan 't zoeken en gij zult er zekerlijk veel vinden.
────────────







