<Resultaat 1154 van 3122

>

p1+ Geloofd zij Jezus Christus
Weleerweerde Heer en geliefde Meester,

Leeft gij nog? Leeft gij nog? vraagt ons E.H. Daniëls, vraagt ons de drukker die maar geene kladprint ziet terugkomen en vragen wij u ook.

Wij zijn al vijf of zes keeren gaan zien naar dat leelik Beeremutsenhuis[1] maar niks! E.H. Mervillie heeft aan E.H. Daniëls een schoonen brief over ’t Daghet geschreven - ik schrijf hem hier beneên af[2] en hij zegt dat wij hem zouden drukken in den 2e n°.[3] Hij zou dan ook een bladz. of twee over de 12 Liederen schrijven[4] want dat maakt immers onze zaak bekend en vereerd en de jonge meester verdient waarlik dat zij hem prijzen en aanmoedigen.

Hebt gij der iets tegen dat Mr Daniëls van de 12 liederen schrijft, laat het ons dan weten, als 't u belieft.[5]

In zijne brief vraagt E.H. Mervillie ook of Mr Daniëls de rede niet zou doen drukken in 't Daghet, die hij te Brugge gevoerd heeft "over de zending van den vlaamschen dichter” gij weet wel toen ze Mr Karel de Gheldere daar zoo schoon verrast hadden en zoo welverdiende eer aangedaan.

Als gij 't toestemt: zal Mr Daniëls zijne rede heropschrijven voor 't Daghet?[6]p2Hierbij ook een opstel over Limburgsche kindergebeêkens[7] van eenen nieuwen gildebroêr, Jan Erkens van Hasselt. Ik geloof dat ik eentigen dervan al gelezen heb in eenen ouden schoolboek,[8] maar en ben er toch niet zeker van.

In 't Seminarie van Sint-Truyden hadden wij 36 inschrijvers. Die jonge bazen vinden dat het Daghet niets en beteekent omdat het voor de volkstaal is en geen reden en geeft na zijn gedacht en waarschijnlik omdat hun professor, die een Hollander is, het uitgesproken heeft. Zij hebben allemaal hunne inschrijving opgezegd! Die mannen zijn er rap meê, niet waar?

Maar daar zijn der eenige redelike jongens onder die wij eens gaan schrijven en de handelingen van Ste Luitgaardegilde te lezen sturen en dat zullen ze zeker wel wat veranderen van gedacht.

Wij hadden dat verweêr ten andere voorzien: was er van leeuwenklauwen etc. ingekomen, dan hadden wij 't heel Seminarie meêgehad maar nu is 't te droog en dor, van die platte boeretaal willen inbrengen en 't Hollandsch der uit kegelen! Horresco referens![9] . .

Toe, geliefde Meester, knik eens ja of nee en blijf toch niet gebaren of gij dood waart. Een tien woordekes meer en wij hebben onzen tweeden n° klaar met Korenzang[10] Darren[11] Limburgs Wangeloof - Boekstafwezen I en II — ’ Brief van Mervillie[12] met wat van E. Daniëls der bij. Wij groeten u eerbiedig en genegen!

Uw A. Cuppens en Anderen
[13]p1

Limburgsche Kindergebeêkens.[14]

Zijn er in ons Limburg nog veel oude spreuken en raadselkens die wij met nut en genoegen kunnen opzoeken en in "'t Daghet" bekend maken, der zijn ook nog een groot getal overoude en schoone gebedekens die bij onze voorouders in voege waren en die wij nu, xxlaas!! Bijkans niet meer en hooren: nu en dan is er nog hier of daar een kind dat heel eenvoudiglijk die eenvoudige gebeêkens opzegt die het van grootvader of grootmoeder geleerd heeft, en waarom zouden die moeten verloren gaan? En zou 't niet jammer zijn dat wij die zagen uitsterven, om door armzalige fransche liêkens vervangen te zien? Waren de kinderen minder vrolijk en minder gelukkig voortijds, toen ze die verskens die grootmoeder hun geleerd had onder elkander opzegden als ze nu zijn met het opzeggen van allerhanden flauwen rimram waarvan ze zelfs niets en verstaan? Neen, die gebeêkens moeten wij bewaren, ze onder het volk weêr in voege brengen met ze de kinderen te leeren. 'T is daarom dat ik hier eenige van die oude verskens neêrschrijf zooals ik ze uit den mond van kinderen gehoord heb; de Limburgsche lezers die er zouden kennen, 't zij uit hun dorp, 't zij uit andere limburgsche plaatsen, verzoek ik vriendelik ze naar "'t Daghet" te schikken.p2En merken wij eerst eene soort van gebedekens aan die men "wilde gebeden" noemt, waarschijnlik omdat zij zoo ernstig niet en schijnen, of zijn, maar omdat zij in vrolike verskens zijn uitgedrukt. Zoo, b.v. heb ik gehoord in Zonhoven:

Onze vader, die der zijt
zet de schotel niet te wijd
brokt de brokken nie te dik
dat ich ter mich nie in en verslik.

of wel:

Onze vader die der zijt
zet de schotel niet te wijd
snijdt de brokken niet te dik
Want het is ons leste mik
snijdt ze niet te groot
want het is ons leste brood.

Der zijn kinderen die, als zij slapen gaan en rap het beddeken inspringen, zeggen:

Kruiske, kruiske, goed begin,
Mijn beddeken is gemaakt
en ik kruip er in.

Zoudt gij eens willen zoeken naar die soort van gebedekens? De vaderons, de wees gegroet en "ik geloof in God..." en misschien nog wel andere worden nog op de eene of andere plaats van de Kempen gehoord.

— Maar der worden veel meer andere gebeêkens gehoord die niet "wild" zijn: ettelijke daarvan worden gezongen en wel 's avonds, als de gansche familie rond denp3heerd zit; klein en groot, oud en jong, allen zingen meê.

Zoo heb ik al het volgende liêken dat wel als gebed mag aanschouwd worden, gehoord:

Een is een,
eenen God alleen
In Jesus Kristus, zoo gelooven wij

Twee zijn er twee
twee steene tafelen
eenen God alleen
In Jesus Kristus, zoo gelooven wij

Drie zijn er drie
drie Patriarken
twee steene tafelen
eenen God alleen
In Jesus Kristus zoo gelooven wij

Vier zijn er vier
vier Evangelisten... (herhaal de voorgaande)

Vijf zijn er vijf
de vijf wondekes des Heeren ("Christi" in Beeringen)
die we moeten eeren,
vier evangelisten... enz.

Zes zijn er zes
zes flesche wijn
In Beeringen:
zes glaskes rooden wijn
die voor Jesus geschonken zijn.
In Chanaan Galileë

zal het bruiloft zijn.. Enz.p4

Zeven zijn er zeven
Zeven Sakramente... enz.

Acht zijn er acht
acht zaligheden... enz.

Negen zijn er negen
negen koor der engelen... enz.

Tien zijn er tien
tien geboden Godekes... enz.

Ellef zijn er ellef
ellef duizend maagdekes... enz.

Twalef zijn er twalef
twalef heilige apostelkes... enz.

Wat aangenaam en nuttig middel om zekere geloofspunten en geschiedenisfeiten te onthouden. En ook hoe eenvoudig, hoe schoon en liefelik, toen ik dat hoorde zingen! 'T huiselijk genoegen zou niet veel verliezen, meen ik, met zoo 'n liederen in plaats van menig ander te zingen.

Andere gebeêkens heb ik nog in de Kempen gehoord, zoo als b.v. der zijn kinderen die 's morgens bidden:

Danke Jeseke
danke Lievrouwke
danke Engelke bewaarder
dat mij dezen nacht zoo goed bewaard heeft
en dezen dag ook belieft te bewaren
voor water, voor vuur
en alle ongelukken. Amen.

p5of wel, als Jefke bidt:

zoet kinneke van Maria
wil ons klein Jefken bewaren,
gebenediien
en van alle ongelukken bevriien.

of wel het schoolkind dat zegt:

Kruiske, kruiske goed begin
de heilige Geest bestiert mijn zin
dat ik wel mag leeren
bid ik onzen Lieven Heere
dat ik wel mag onthouen
bid ik onze lieve Vrouwe.

Zulke oude spreuken tot God of de H. Maagd of de Heiligen gericht moeten er in groot getal zijn en zijn onze aandacht waard.

'S Avonds ook, in de Kempen voor dat de kinderen naar bed gaan, hoort men ze allerhande avondgebeêkens opzeggen: zij houden de handekens te saam & bidden:

's avonds als ik slapen ga
treê ik op een trepken
van 't trepken op Maria's schoot
Maria is mijn moeder
Sint Janneken is mijn broeder
Ons Lieven Heerken is mijn vader,
Nacht engelkes altegader!

of wel:

's avonds als ik slapen ga
komen mich 14 engelkes na
p6twee aan mijn hoofdeind
twee aan mijn voeteneind
twee aan mijn rechterzij
twee aan mijn slinkerzij
twee die mij dekken
twee die mij wekken
twee die mij prijzen,
twee die mij wijzen
ten hemelschen paradijzen.

En als vader of moeder aan de wichter zeggen dat zij 's morgens vroeg moeten opstaan, dan bidden de kinderen "den H. Engel Ste Machiel" en vragen dat zij zouden op dees of op die uur wakker worden:

Heiligen engel Ste Machiel
ik beveel u God mijn lijf en ziel
Heiligen engelbewaarder, bewaar mij goed
wil mij wekken met ter spoed
niet te vroeg of niet te laat
als de klok (de uur) slaat.

Wie kent er nog meer van die oude limburgsche gebedekens? Hij zende ze naar "'t Daghet" zij en zullen niet anders dan welkom zijn. Toe, limburgsche studenten, zet u eens aan 't zoeken en gij zult er zekerlijk veel vinden.

────────────

Noten

[1] ‘Bij de Berenmutsen’ is het Luikse adres dat werd gebruikt voor de briefwisseling rond ’t Daghet in den Oosten. Het lijkt te verwijzen naar een gendarmeriepost in Luik. Immers, het vooroorlogse uniform van de Belgische Rijkswacht bestond onder meer uit een zwarte berenmuts, die vanaf het einde van de 19de eeuw nog uitsluitend bij officiële plechtigheden werd gedragen.

Mogelijk fungeerde Désiré Vandeputte (°1831), brigadier bij de Rijkswacht te Gent en vader van Rykhart, hierbij als tussenpersoon? Gezelle zal in zijn brief van xx/05/1885 aan Cuppens vragen of het mogelijk is de gendarm als tussenpersoon weg te laten.

[2] Zie bijlage. Het is Rykhart Van De Putte die de brief van Alfons Mervillie aan Polydoor Daniëls van xx/02/1885 overschreef op zijde 3 van de brief van A. Cuppens aan G. Gezelle.
[3] In ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 2 verschijnt op p. 15 niet de brief waarvan sprake maar een gedicht van Mervillie:

AAN DE LIMBURGSCHE VRIENDEN

Stichters en Medewerkers van 'T DAGHET

O Vrienden uw werk is nen

Trillenden draad

Die van uit Limburg naar

Vlaanderen gaat

En die wij hier vaste aan ons

Broederhert binden

Om rechte den weg naar uw

Herte te vinden!

Oh! laat

Langs dien draad

Ons hier, 't machtige woelen

Van 't Limburgsche bloed in uw

Hert, doen gevoelen!

A. Mervillie

Thorhout, 23 St. Josephs maand 1885.

[4] A. Mervillie schreef geen bijdrage over de 12 liederen, wel noteerde de redactie:

In: ’t Daghet in den Oosten: II (1887) 2-3, bijlage: “Met blijdschap kunnen wij aankondigen dat de tweede uitgaaf van dat prachtig meesterstuk vermeerderd met een lied en met eenen koor weer op den dijk staat”

In: ’t Daghet in den Oosten: II (1887) 4-5, p. 40 een positieve recensie van de tweede uitgave van de ‘12 liederen’, die in 1886 verscheen onder de titel ‘14 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedragen door A. Mervillie, leeraar in de Normale School van Thorhout’.

[5] Er is niets hierover verschenen in ‘t Daghet in den Oosten. Van Mervillie werd in: ‘t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 2, p. 15, wel een gedicht opgenomen met als titel: ‘Aan de Limburgsche vrienden, stichters en medewerkers van ’t Daghet’.
[6] Polydoor Daniëls sprak over ‘De zending van de vlaamschen dichter’ in de Parijsche Halle te Brugge op het feest van het Davidsfonds ter ere van dr. Karel Degheldere op 25 januari 1885. Het artikel verscheen in: Rond den Heerd: 20 (1 februari 1885) 10 p.69-71. De rede verscheen niet in ’t Daghet in den Oosten.
[7] Zie bijlage. Jan Erkens, Limburgse Kindergebeêkens. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, 14,7.
[8] In, Ons Boek- en Boekstafwezen. VI. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 7-8, p. 62-64, staat een niet ondertekend artikel over de “Kinder-gebedekens” die voorkomen in Het dubbel Cabinet der Christelijke Wijsheid, Maastricht, een katholiek leer- en catechismusboekje dat in de achttiende en negentiende eeuw op scholen in Vlaanderen en het zuiden van Nederland werd gebruikt. De inhoud van het artikel is niet hetzelfde als de bijlage.
[9] Vergilius, Aeneas, II, 204. Vertaling (Latijn): ’Ik huiver bij het verhaal’. Met deze woorden, gericht tot Dido, de koningin van Cathago, begint Aeneas zijn relaas over de Griekse list van het houten paard en de val van zijn vaderstad Troje.
[10] WNT 1500-heden: “Korenzang of korenzante: een handvol gelezen en samengebonden korenaren”. Het woord verwijst naar ’Vindekoorn’, een rubriek in het blad De Student waarin ingezonden gewestwoorden opgelijst en verklaard werden, en ’Zantekoorn’, een soortgelijke rubriek in Guido Gezelles taalkundige tijdschrift Loquela. In ’t Daghet in de Oosten heet deze rubriek met Limburgse woorden ’Woordenzange’. Guido Gezelle bezorgde hun woorden om daar te publiceren.
[11] Het woord ‘darren’ werd in de omzendbrief gebruikt om inschrijvers aan te trekken voor ’t Daghet in den Oosten. In een eerdere brief van december 1884 liet A. Cuppens aan G. Gezelle weten dat het woord niet goed ontvangen werd: “Dat woordeken is zoodanig beklapt en beknibbeld en vies ontvangen geweest dat er in den eersten n° bekans moest van gesproken worden: 't is voor velen de reden geweest dat zij niet wouden inschrijven, voor anderen de reden dat zij ingeschreven hebben. ” De prospectus staat gepubliceerd in: Uit Boeken, Brieven en Bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 1, p. 6-7.
Gezelle wijdde uiteindelijk een artikel aan G. Gezelle, Darren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 2, p. 13-14.
[12] In ‘t Daghet in den Oosten: I (1885) 2, p. 15 verschijnt niet de brief waarvan sprake maar een gedicht van Mervillie:

AAN DE LIMBURGSCHE VRIENDEN

Stichters en Medewerkers van 'T DAGHET

O Vrienden uw werk is nen

Trillenden draad

Die van uit Limburg naar

Vlaanderen gaat

En die wij hier vaste aan ons

Broederhert binden

Om rechte den weg naar uw

Herte te vinden!

Oh! laat Langs dien draad

Ons hier, 't machtige woelen

Van 't Limburgsche bloed in uw

Hert, doen gevoelen!

A. Mervillie

Thorhout, 23 St. Josephs maand 1885.

[13] Bijlage bij de brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van xx/02/1885. Zie record 6.26857.
[14] Bijlage bij de brief van A. Cuppens aan G. Gezelle van xx/02/1885: Artikel van Jan Erkens ter publicatie in ‘t Daghet in den Oosten. Limburgsche Kindergebeêkens. Aanwezig in het Guido Gezellearchief, Openbare Bibliotheek Brugge, nr. Aanw. 533, 14,7.

In, Ons Boek- en Boekstafwezen. VI. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 7-8, p. 62-64, staat een niet ondertekend artikel over de “Kinder-gebedekens” die voorkomen in Het dubbel Cabinet der Christelijke Wijsheid, Maastricht, Weduwe Gysbertus van Gulpen, een katholiek leer- en catechismusboekje dat in de achttiende en negentiende eeuw op scholen in Vlaanderen en het zuiden van Nederland werd gebruikt. De inhoud van het artikel is niet hetzelfde als de bijlage.

Register

Correspondenten - personen

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Briefschrijver

NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamLuik

Naam - persoon

NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamDe Gheldere, Karel
Datums° Torhout, 18/08/1839 - ✝ Koekelare, 17/07/1913
GeslachtMannelijk
Beroeparts; dichter
BioKarel De Gheldere was een oud-leerling van Gezelle te Roeselare (poësis 1858-1859). Gezelle schreef een aantal gedichten voor hem waaronder 'Tranen' en ‘Zoo welkom als de bie’ (1859). Na zijn retorica (1859-augustus 1860) volgde De Gheldere een korte periode filosofie aan het kleinseminarie in het schooljaar 1860-1861 met het oog op het priesterschap. Hij verzaakte evenwel aan een priesterroeping en studeerde vanaf januari 1861 geneeskunde te Leuven, waar hij in 1865 met onderscheiding afstudeerde. Hij vestigde zich als arts in Koekelare. Hij was een levenslange vriend van Gezelle, die een aantal van zijn gedichten aan hem heeft opgedragen. Zelf publiceerde hij de dichtbundels Jongelingsgedichten (1861), Landliederen (1883) en Rozeliederen (1893). In de Landliederen komt een wisselgedicht met Gezelle op de nachtegaal voor. Hij was corresponderend (1889) en werkend lid (1892) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Links[wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; zanter (WDT); lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde; gedichten
BronnenH. Verriest, Twintig Vlaamsche koppen. Leuven, 19234, p.30-49; R. Seys, De dichter van de rozen. Koekelare. 1958 R. Seys, Dr. Karel de Gheldere. Wat land- en rozeliederen. In: VWS-Cahiers: 2 (1967) 8.
NaamErkens, Gulielmus Josephus; Erkens, Guillaume
Datums° Geleen, 04/07/1857 - ✝ Geleen, 12/04/1938
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioGulielmus Josephus Erkens werd geboren op 4 juli 1857 in Geleen (Nederland) als zoon van Pieter Jozef Erkens (1824-1894) en Maria Joanna Göbbels (1820-1872). Hij volgde de opleiding wijsbegeerte aan het kleinseminarie te Sint-Truiden, waar hij in de academiejaren 1881-1882 lid was van het letterkundig genootschap 'Utile Dulci'. In 1883 ontving hij van het Davidsfonds een eervolle vermelding voor zijn blijspel met zang in één bedrijf, "Baas Lens of Waar er velen dorschen moet men maai slaan". Tijdens zijn studies aan het grootseminarie van Luik was Erkens lid van het Limburgsch Zanterkesgildeke. Op 22 februari 1886 werd hij te Houthalen tot priester gewijd. Van 1886 tot 1890 doceerde hij Nederlands aan het kleinseminarie van Sint-Truiden. In deze periode was hij ipso facto voorzitter van 'Utile Dulci'. In 1888 verzorgde hij een heruitgave van J. van den Vondels "Altaargeheimenissen" ten behoeve van studenten. Later werd Erkens aangesteld als pastoor van de Sint-Trudoparochie in Opitter. Hij overleed op 12 april 1938 in Geleen.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken: studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, I, p. 38
NaamMervillie, Alfons; Bach-Mervillie
Datums° Wontergem, 17/05/1856 - ✝ Kortrijk, 04/04/1942
GeslachtMannelijk
Beroepcomponist; vertaler; auteur; dichter; priester; leraar; pastoor
BioAlfons Mervillie , zoon van Pieter Mervillie, landsman, en Regina Quintyn, was een componist, vertaler, prozaschrijver (in didactisch-volkse trant) en gelegenheidsdichter. Hij was een taalparticularist en "buitensporig taalpurist" (De Vleeschouwer). Aan het kleinseminarie te Roeselare was hij leerling van H. Verriest. Hij was een geestdriftig muziekliefhebber en bewonderaar van Bach. Hij werd priester op 27/08/1882 en op 03/10/1880 leraar orgelspel en kerkzang aan de nomaalschool en kosterschool te Torhout. Vanaf 1891 was hij onderpastoor te Dudzele (27/11/1891), Nieuwpoort (15/05/1896), en Aartrijke (23/11/1898), en pastoor te Nieuwkapelle (22/08/1913). Hij schreef verschillende bijdragen in Biekorf, en was de auteur van 12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedragen. Leipzig, 1884 (1886, uitgebreid, met een inleiding op schoonheidsleer), Gusten, verhaal uit den ouden tijd. Brugge,1891 en Evangeline, Roeselare, 1901 (metrische vertaling uit Longfellow).
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; componist Gezelleliederen
BronnenF. De Vleeschouwer, Mervillie, Alfons. In: NBW 4, kol. 560- 564
NaamVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Datums° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NaamKlinkenbergh, Michaël Theophilus Maria
Datums° Schinnen, 02/02/1850 - ✝ Geleen, 19/01/19276
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderwijzer; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioMichael Theophilus Maria Klinkenbergh werd geboren in Schinnen op 2 februari 1850. Hij was de zoon van Johannes Dominicus Klinkenbergh en Maria Barbara Warbelings. Op 7 juni 1873 werd hij in Luik tot priester gewijd. Vervolgens gaf hij les aan het kleinseminarie in Sint-Truiden. Hij was er gekant tegen de Limburgse studentenbeweging en het taalparticularisme en verzette zich tegen het tijdschrift "'t Daghet in den Oosten". Onder zijn invloed zegden leerlingen hun abonnement op het tijdschrift op. Daarna was hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw van de Licour te Herstal. Michael Theophilus Maria Klinkenbergh overleed in Geleen op 19 januari 1926.
Links[odis]
BronnenGeneanet; Delpher

Naam - plaats

NaamBeringen
GemeenteBeringen
NaamBrugge
GemeenteBrugge
NaamHasselt
GemeenteHasselt
NaamZonhoven
GemeenteZonhoven

Naam - instituut/vereniging

NaamLimburgsch Zantersgildeken
BeschrijvingIn 1883 ontstond het Limburgsch Zantersgildeken aan het Grootseminarie van Luik. Andere benamingen voor de groep zijn Gilleke of Gildeken. Gezelle zelf sprak hen aan als ‘Mijne brave Heeren van het Gulleken, guldeken, gildeken’. Zelf noemden zij zich daarna 'Gullebroêrs'. Via de West-Vlaamse seminarist A. Lewylle leerden A. Cuppens en J. Lenaerts reeds aan het kleinseminarie van Sint-Truiden het dichtwerk van Guido Gezelle en diens tijdschrift "Loquela" kennen. In diezelfde periode publiceerde Mgr. Rutten, kanunnik van de kathedraal van Luik (1880–1885) en later bisschop, geschriften over de herwaardering van de Vlaamse taal, vanuit een sociaal-katholieke bewogenheid. Die liefde voor de eigen volkstaal vond weerklank bij een tiental jonge bevriende seminaristen, die door A. Cuppens en J. Lenaerts, en op hun vraag, ook door Gezelle op sleeptouw werden genomen. Deze groep Limburgse Gezellianen wilden de Nederlandse taalschat verrijken met uitgelezen woorden en gezegden uit de Limburgse volksmond. Zij plaatsten persoonlijk hun namen onder een nieuwjaarsbrief van 1 januari 1884 aan Gezelle. Hij bezocht hen in Luik in de zomer van datzelfde jaar. Op 1 februari 1885 verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift, "’t Daghet in den Oosten: : Limburgsch tijdschrift voor alle liefhebbers van taal- en andere wetensweerdigheden", onder redactie en deskundige leiding van Guido Gezelle. Aanvankelijk bleven deze seminaristen min of meer onder de radar, wegens de kritische houding van hun oversten, maar vanaf 1886 werden zij een officiële Limburgse gouwgilde.
Datering1883-?
Links[wikipedia]
NaamGilde van Sinte-Luitgaarde
BeschrijvingVereniging ter ondersteuning van de Vlaamse taal en het traditionele cultuurgoed. Professor Jan Hendrik Bormans had in 1857 in de inleiding van zijn werk ‘Het Leven van Sinte Lutgardis, een oproep gedaan dat alle Vlamingen deze heilige als de beschermvrouw van de Dietse taal- en letterkunde zouden vereren. In 1862 rijpte bij Gezelle het plan voor een ‘Gilde van Sint-Luitgaarde’ die een tijdschrift voor taal en oudheid zou uitgeven. De leerlingen en vereerders van de bezieler zouden Luitgarde in hun banier opnemen, maar hijzelf zou geen leider worden van de gilde, die echter maar een kortstondig bestaan heeft gekend. Later, rond 1870, wist Gezelle te Brugge een groep beoefenaars van taal- en letterkunde rond zich te verenigen om samen de redactie van Rond den Heerd te bespreken. In 1873 richtten Amaat Vyncke en Zeger Malfait de Gilde der West-Vlaamse Gebroeders op, met Sint-Lutgart als patrones. Hun 'stemme' was eerst de 'Almanak' en daarna de 'Vlaamsche Vlagge'. Vanaf 2 december 1871 had Duclos de redactie van 'Rond den Heerd' in handen en ook hij besefte de nood aan een meer uitgebreide opstelraad. Hij riep in november 1873 enkele bekenden uit het Brugse bijeen. Na drie maanden op 14 februari 1874 was het statuut of wet voor de ‘Gilde van Sinte Luitgaarde’ klaar. De St.-Luitgaardegilde hield vier algemeene vergaderingen : in 1874, 1876, 1877 en 1878. Pieter Baes is griffier geweest gedurende de bloeitijd van de Gilde van Sinte Luitgaarde. Na zijn verwijdering uit Brugge in 1879 kwijnde de gilde weg.
Datering1874
Links[odis]
NaamDavidsfonds Brugge
BeschrijvingDe Brugse afdeling van het Davidsfonds werd begin 1875 gesticht door Adolf Duclos en is daarmee de oudste in West-Vlaanderen. Ondanks het feit dat hij verschillende keren uitgenodigd werd, zou Gezelle er geen grote rol in spelen. Ze zette zich in het bijzonder in voor de hulde na Gezelles dood en de realisatie zijn praalgraf.
Datering1875
NaamKleinseminarie, Sint-Truiden
BeschrijvingIn 1836 richtte de Luikse bisschop Cornelius R. van Bommel een kleinseminarie op in Rolduc, met afdelingen Grieks-Latijn, wijsbegeerte en een normaalschool met internaat. Na de definitieve grensbepaling tussen België en Nederland in 1839 verhuisde het instituut naar de voormalige benedictijnenabdij in Sint-Truiden, waar de bisschop het gebouw herbouwde in neoclassicistische stijl, met samen met een nieuwe kerk, boerderij, molen en bakkerij. De salle de rhétorique, de Academiezaal, in de vorm van een amfitheater, wordt tot op vandaag geprezen voor zijn akoestiek. Ondanks het feit dat Limburg tot 1967 onder het bisdom Luik viel, werd het seminarium een Vlaams bolwerk. Het letterkundig genootschap Utile Dulci, geleid door leraren Nederlands, organiseerde culturele evenementen en strijdde voor Nederlandstalig onderwijs. Dit leidde tot conflicten met de schoolleiding, die de Franse voertaal handhaafde. Vanaf 1900 werd het aantal uren Nederlands langzaam uitgebreid, maar pas in 1930 werden de Nederlandse en Franse afdelingen gescheiden. De Vlaamsgezinde beweging in Sint-Truiden voor vervlaamsing van het onderwijs verliep traag, en de Franse afdeling werd pas in 1961 opgeheven door een gebrek aan inschrijvingen. Het genootschap Utile Dulci stierf na de Tweede Wereldoorlog een stille dood. De normaalschool verhuisde in 1920 naar Maasmechelen. Een verwoestende brand legde in 1975 vijf slaapzalen, het klooster van de zusters, de molen, de kerk en de oude toren in de as.
Datering1836-heden

Titel - ander werk

Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
Titel12 liederen uit de gedichten van Guido Gezelle, op muziek gezet en hem opgedregen
AuteurGezelle, Guido (autuer); Mervillie, Alfons (componist)
Datum1884
PlaatsLeipzig
UitgeverBreitkopf & Härtel
TitelGilde van Sinte Luitgaarde : Handelingen van de tweede vergadering der werkende leden gehouden te Brugge, den 1 Mei 1876
Datum1876
PlaatsBrugge
UitgeverK. Beyaert - Storie
TitelHet dobbel Cabinet der Christelyke Wysheyd , besluytende in korte Vragen ende Antwoorden het eerste begindsel ende Leeringe van het Catholyk Geloove , die de jonge Kinderen meest behooren te weeten, ende gevoeglyk mogen beantwoorden
AuteurGijsbertus van (Maestricht)
Datumca.1624
PlaatsMaestricht
UitgeverWeduwe Gysbertus van Gulpen

Titelxx/[02/1885], Luik, August Cuppens e.a. aan [Guido Gezelle]
EditeurMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMiet Hubrechts; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Cuppens August aan Gezelle Guido, Luik, xx/[02/1885]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderCuppens, August
Verzender[Limburgsch Zantersgildeken]
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatumxx/[02/1885]
VerzendingsplaatsLuik
AnnotatieJaartal en maand gereconstrueerd op basis van de brief van Alfons Mervillie aan Polydoor Daniëls van xx/02/1885 ; plaats en adressaat gereconstrueerd op basis van contextuele gegevens.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 212 mm x 134 mm
papier, wit
papiersoort: 2 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden Bijlage 1: "opstel over Limburgsche kindergebeêkens" van Gulielmus Josephus (Jan) Erkens
Bijlage 2: overgeschreven door Rykhart Van De Putte: brief van Alfons Mervillie aan Polydoor Daniëls van xx/02/1885 op zijde 3
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5463
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11776
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/ac7cb9a0e4e42f784d2e3e2049f9f9f6995d442f/manifest
Inhoud
IncipitLeeft gij nog? Leeft gij nog? vraagt ons
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.