<Resultaat 1276 van 3122

>

p1
Geloofd zij Jesus-Christus
Mijn eerweerde Heer G. Gezelle,

'k Zende u met dezen het opstel over uwen geëerden Duik.[1] Maar, die drukkers! 'k heb er mij 'k weet niet hoe lastig in gemaakt. Ze veranderen en verschoolmeesteren ne mensch zijn schrijven maar, totdat ze het zoo wat naar hunnen zin krijgen. Hier, aan mijne aanbeveling,[2] heeft de printer tamelek veel, ja veel te veel aan veranderd, zoo b.v.: weglating van 't loochenwoordeken en, waar ik nochtans veel van houd; gebruik van dan voor als, 't gene ik nooit en zou zetten; hij wil voor wilt, 't gene ze al ons kanten zoo min als ievers el en bezigen enz... En niet alleen heeft hij zoo hier en daar woorden en wendingen veranderd; maar de slimme vos, omdat hij waarschijnelek den duik niet en verkoopt, heeft hij 't bezonderste der aanbeveling, tenden van 't stuk, weggelaten. 'k Had immers geschreven, of iets in dien aard: "koopt dus allen den Duikalmanak van Guido Gezelle, en spant al uwe krachten in om hem in de vlaamsche huizen te plaatsen." En, dat hij zoo iets wilt gaan verbeteren! 'k Had hem nochtans nen brief geschreven, waar ik nog al in 't lang over volkstaal gesproken had, en hem genoeg te verstaan gegeven, dat ik er aanhield van maar vrijelek te zingen lijk ons Heer mij gebekt heeft. Maar ziet: 't is zooals gij mij in uwen geeerden brief schreeft: als er cengs te winnen zijn, dan is er middel, om die baaskens hunne verschoolmeestering voor nen oogenblik te doen afleggen; - maar zoo niet, dan schoeien ze maar voort op den versleten, vreemden domine-leest.p2Dit zij nu genoeg over den Duik en zijne aanbeveling. 'k Zou geeren een woordeken schrijven over iets el, dat mij op 't herte ligt lijk ne steen: en 't is, eerweerde Heer, over de feeste van Thielt.[3]

Wat er daar allegaar te Thielt gedaan en gezeid geweest is, en weet ik niet: 'k heb alleenelek in "Rond den Heerd",[4] uwe geachte Kerkhofblommen op 't graf van eerweerden De Bo zaliger gelezen. Het hoofdgedacht, dat ik van die lezing behield, was dees: De Bo zaliger was nen aldergeleerdsten taalvorscher, die hem bijzonderlek op de taal van 't volk heeft toegelegd; - en 't is zoo ook dat het zijn moet want: 't en zijn de schoolmeesters niet, die aan de taal heur wetten stellen, neen, 't is het volk, dat de taal maakt; dat volk, 't welk, ondanks allerhande werkingen van tegenstrijd en ontvlaamsching, 't zelfste nochtans gebleven is in 't spreken zijner moedertale." Zóó dacht ik; 'k peisde: Meester Gezelle maakt van deze gelegenheid gebruik, om eens vlakaf en in 't openbaar zijn taalstelsel bloot te leggen; om eens duchtig, en dat in 't bijzijn van honderden verhollandschte Davidsfondsers, te velde te trekken tegen schoolmeesterije en Reinaerdij.[5] Meer veel meer eigentlek en had ik er niet in gezien. Wél had ik daar van kromme sprongen, van tuimelperten, van ruitebrekerije enz gelezen: maar die kromme springers, die tuimelaars, die ruitenbrekers en waren in mijn oordeel niemand anders, als onze verhollandschte schoolvossen, die, meende ik, terecht de ruitebrekers, 't is te zeggen de afbrekers onzer goede, zuivere, echt vlaamsche boeketaal mogen heeten. Wel had ik daar gedachten tegengekomen, die mij zoo wat vies, aardig, drollig en schots voorkwamen, b.v. dat “noch burgoensche[6] wulpschheid ... van ons volk ooit iets anders hadden kunnen maken als het eerbiedweerdig vlaamsche volk, en van de taal van dat volk niets anders als onze oude, eerbiedweerdige moedertale"; - maar, 'k zeg, dat alles zette ik op de kap der verhollandschte schoolvossen, en met een beetje goeden wil kon ik mijne eerste verwondering alras verdrijven: 't was, dacht ik, geheel en gansch naar mijne eigene meening.eigentlekeerbiedweerdigp3Zoo dacht ik dus, en 'k meende gelijk te hebben, om dies wil dat alles, zóó opgevat, alderbest met uwe andere schrijvenissen overeenstemt, en nog te meer, omdat juist diezelfste gedachten herdrukt wierden in den[7] van, waar het mij scheen van pas te komen, om de Reinardie te bevechten.Loquela, waar het mij scheen van pas te komen, om de Reinardie te bevechten.

Goed! Maar, hoe dat ne mensch sommes wel deerlek zou mis verstaan! Is er hier gisteren geen soort van Driesken de Nijper[8] aangekomen, waar die eigeste woorden heel anders uitgelegd staan? Misschien kent ge dat schrifteken al; 't heet: De Ruitenbrekers.[9] t Zou mij te lang worden, moest ik hier in 't wijd en breed de verschillige gezegdens dier Nijpers ofte Ruitenbrekers aanhalen. Een dingen springt er uit al hunne woorden: "Heer en Meester Gezelle heeft zijn trouwste volk gebrandmerkt en afgezworen; al die schoone woorden van: wilde peerden, zotte medepeerdekens, kromme springers enz... enz...., zijn gericht, niet tegen schoolmeesterij en Reinaerdie, maar tegen...[10] de vlaamsche studentenbeweging!"

Zie, als ik dat las, dat was 't of ik ne slag op den kop kreeg. Hoe is 't mogelek? Hoe is 't mogelek? Zoo dan zou het tegen de studentenbeweging, - hunne vurigheid voor 't herwinnen hunner schoolrechten, voor 't doorgronden der moedertale, voor de herwording van ons Vlaamsch volk; dan zou het tegen hunne landdagen,[11] hun strijden en kappen op fransche, verfranschte en franschgezinde overheid, dan zou 't, in één woord, tegen die groote vlaamschgezinde studenten beweging zijn, dat mijn eerweerde Heer Gezelle te Thielt zoo deerlek is uitgevallen? Dan is hij van gedacht dat er niet gedaan moet worden, als enkel de taal op zijn eigen gestudeerd? Dan ziet hij niets, maar nieteken goed in de Vlaamsche studenten, niet alleene voor het diep aanleeren en 't liefhebben der taal, maar ook nog voor 't hervormen van ons Vlaamsch volk en de herwinning onzer dierste, maar vertrapte rechten, 't is eender op welk gebied, zoo wel bij onze hooge geesteleke, als wereldleke franschgezinde overheid?

Maar neen; dat en is, noch en kan niet zijn? Dat moet zeker van onze Nijpers slecht verstaan zijn. p4Welhoe! neemt de studentenbeweging eweg, en de vlaamsche strijd is, om zoo te zeggen, een zielloos lichaam geworden. Neemt de studenten hunne vierige Vlaamschgezindheid af, en wat wordt er dan nog gedaan voor 't Vlaamsch volk? Waar zijn de vechters voor taal, voor godsdienst en zeden? Waar zijn, ja, de studeerders, de vorschers, de beoefenaars der Moedertaal. Maar, zoudt ge zeggen, hunne hevigheid dan? Ze verbrodden de zaken! Z' en verstaan der geen boes van! Niet waar, zeg ik; logen en laster, zeggen onze Antwerpsche Ruitenbrekers. Ja, ze verstaan de Groote Vlaamsche Zaak alderbest; ze begrijpen dat het niet genoeg en is Vlaming te zijn, maar dat we ook Vlaamschgezind dienen te wezen, maar Vlaamsch en Vlaamschgezind niet half en gebroken, maar heelegansch; niet alleen om de taal uit heur verleden en het volk op te zoeken, niet alleen om tot in de diepste diepten van onzen rijken taalschat door te dringen, maar nog om ons volk, onze broeders, onze stam- en taalgenooten, ja, en om ons eigen te ontslaven van die vreemde banden, waar vreemd gespuis eeuwenlang ons volk heeft in geprangd gehouden, en waarin we nu, sedert meer als een halve eeuw, door ons eigen volk, door andere onzer stambroeders, die aard en taal verloochend hebben, door onze verfranschte geesteleke en wereldleke overheden op de schandigste wijze genepen worden. Ja, dat moet een einde hebben! Aan ons, al onze gestolen rechten, niet gedeeltelek, niet als een toegeworpen brok, maar heel en gansch, in gansch hun eerbiedweerdig voorkomen. Ja, ons Vlaanderen doen herleven, doen herworden, dat willen zij; dat is hun doel waar ze onverpoosd naar streven, voor 't welk ze bereid zijn alles op te offeren, en waarvoor al meer als een onzer makkers op den Vlaamschen Martelaarsboek door onze ongenadige, dweepzuchtige tegenstrevers is gebracht geworden.

Doch, wat wil ik hier in mijne haaste den tijd verspillen, om met eenige flauwe woorden den kloeken studentenkamp te verheffen. Daarbij, 'k ben vast overtuigd dat ge daarover dezelfde gevoelens gehad hebt, en blijft hebben, als ik, en dat, ja, 't gene ik hierboven van den uitleg onzer Antwerpsche Ruitenbrekers zeide, niet anders als een misverstaan zijn en kan.p5p5Gij weet te goed, mijn eerweerde, hoe nuttig, hoe noodzakelek onze studentenstrijd is; ge weet genoeg wat zegepralen de studenten voor onze heilige Vlaamsche zaak al behaald hebben, zonder te spreken van de overwinningen, die we dageleks, dank aan de studenten, te gemoet treden; ge weet genoeg dat het Vlaamsch studentleger eene macht is, die ja, recht naar heur doel gaat, met opgeheven kop en zonder om te zien; dat alle middelen, hoe klein of hoe groot ze ook zouden wezen, daardoor alleen dat ze wettig zijn, en dat ze eenigszins op de omstandigheden passen, dat die middelen, zeg ik, de onze zijn, en wij ze onbeschroomd, in 't aanschijn van koning en bisschop durven gebruiken; ge weet genoeg, dat de studenten Vlaanderen letterlek om willen wentelen, niet met vier en zweerd, niet om het in eenen afgrond van verbastering, ontaarding, ontkristening, en wat weet ik nog al te storten, maar omwentelen met wettige middelen, omwentelen om het te maken 'tgene het altoos had moeten wezen; zij, de studenten, ze kunnen wel rekening houden van eerbied aan overheid, rekening van de omstandigheden, maar koppig zijn tegen koppigen, maar kappen en kerven, maar schreeuwen en tieren als het pas geeft, dat de verfranschte bazen kiekenvleesch krijgen, en sidderend in hunne fransche schansingen terug kruipen, ja, ja, dat kunnen ze ook, dat doen ze, dat zullen ze blijven doen. dit zooveel, zoonijg en zoodikwils mogelek, en steeds met vernieuwden iever, met blijden hoop, en.... met verbazender getal.

Neen, dat en geloof ik niet, dat een Vlaming, zooals mijn Heer en Meester Gezelle het altoos geweest is, dat hij zoo, tegen 't gevoelen vanp6alle echte Vlamingen in, zou kunnen of derren spreken.

Ha! 't was mij pijnlek in de Ruitenbrekers van Antwerpen zoo 'n grove beschuldigingen te moeten lezen. Nochtans, 'k moet het bekennen, en 'k ben zeker dat alle Vlamingen, alle Blauwvoeten,[12] buiten de Blauwvoeten en zijn der niets als slapers, droomers en... zeeveraars, - dat ze allegaar zullen bekennen met mij, dat wie zoo moest spreken gelijk ze u daar willen afschetsen, van alle studenten ongelijk zou krijgen en dat ze hem fijn zouden laten alleen zagen.

Mag ik u iets verzoeken, Eerweerde? 't Is van zoo goed te zijn, mij nogmaals een briefken te willen schrijven, om mij van de waarheid te onderrichten. 'k Ben doodnieuwsgierig. Duizendmaal dank voor uwen verleden brief: zulke stukken blijven bewaard.

Vergeef mij al de openhertigheid van eenen rechtzinnigen Vlaming, alsook mijn haastig gekribbel. 'k En heb geenen tijd meer tot verdere plichtpleging.

Hoogachtend gegroet en gedankt!
Alfons Verdoodt,
Onderdiaken, Gr. Sem. Mechelen

'k En heb geenen tijd om te herlezen. Verschooning.

Noten

[1] In zijn vorige brief van 04/11/1885 aan G. Gezelle schreef Verdoodt: ”'k Hebbe den Duikalmanak gekregen, en 't is prachtig. 't Is een rechte schat van vl. geest, en daar valt schrikkelek veel in te leeren. 'k Heb hem eene warme en breedvoerige aanbeveling bezorgd in de "Gazet van Merchtem".

De aankondiging van de Duikalmanak van Verdoodt verscheen in: Gazet van Merchtem: 22 (15 november 1885) 3. Volledig overgenomen in: Adolf Duclos, Over eenen Almanak. In: Rond den Heerd: 21 (11 december 1885) 3, p. 23-24.

[2] zie brief 11859:' eene (...) breedvoerige aanbeveling bezorgd in de ’Gazet van Merchtem’
[3] Op 30 september 1885 organiseerde het Davidsfonds te Tielt een huldiging voor de op 25 augustus overleden Leonard Lodewijk De Bo. Daar voerde Gezelle het woord waarbij hij, al dan niet onder druk van het bisdom, de militante Vlaamse studenten ‘ruitenbrekers’ noemde en zo afstand nam van de studenten.
[4] De tekst van Guido Gezelles rede verscheen als: Kerkhofblommen. In: Rond den Heerd: 20 (4 oktober 1885) 45, p. 349-356.
[5] In het tijdschrift Noord en Zuid: 6 (1883) p. 97-98, houdt Arnoldus Stellwagen een pleidooi om het woord ’reinardie’ een plaats te geven in de Woordenlijst der Nederlandsche Taal. Het woord wordt voor het eerst aangetroffen bij Jacob van Maerlant in Van den lande van Oversee. Hij verbindt het met de betekenis ’vossenstreek, schelmerij, schurkerij, huichelarij.
[6] In de tekst van Gezelles rede, gepubliceerd als: Kerkhofblommen. In: Rond den Heerd: 20 (4 oktober 1885) 45, p. 349-356 verwijst dit naar Bourgondiërs, hij heeft het over ‘Noch de Bourgoensche wulpschheid, ...’:

“Noch de Bourgoensche wulpschheid, noch het spaansche geweld, noch de oostenrijksche philosophie, noch de fransche terreur, noch de te laat bekende en beklaagde “dwalingen en overijlingen van het gewezen hollandsch bestuur”; neen, noch onze hedendaagsche fransche hofhouding, noch ons fransch geld, noch onze fransche maten en gewichten, noch onze fransche wetgeving, noch ons fransch bestier, noch ons fransch recht, noch ons fransch krijgswezen, noch onze fransche academie'n, noch onze fransche hooge en leege schoolen; neen, noch onze zoo gezeid vlaamsche beweginge zelve en hebben van ons volk ooit iets anders konnen maken als het oude en 't eerbiedweerdig vlaamsche volk; en hebben van de tale van dat volk ooit iets anders kunnen maken als onze oude vlaamsche en eerbiedweerdige moedertale!”

[7] G. Gezelle, Brieven Tegenkomsten. In: Loquela: 5 (Bamess 1885) 4, p.47 en 48. In deze rubriek worden de krachtlijnen van de Tieltse redevoering herhaald waarbij de Vlaamse Beweging in één adem vernoemd wordt met alle krachten die de 'oude vlaamsche en eerbiedweerdige moedertale' hebben proberen te dwarsbomen : ' noch onze soo geseid vlaamsche beweging zelve en hebben van ons volk iets anders kunnen maken als het oude en eerbiedweerdig vlaamsch volk; en hebben van de tale van dat volk ooit iets anders kunnen maken als ons oude vlaamsche en eerbiedweerdige moedertale"'
[8] Driesken de Nijper (1880-1881) was een katholiek, hekelend-schertsend blad dat antiliberaal was, de verfransing van het openbaar leven fel op de korrel nam, opkwam voor de vernederlandsing van het onderwijs en een contactblad wilde zijn voor de colleges van de provincies. Het blad werd uitgegeven in Antwerpen, maar was een initiatief van de Mechelse seminaristen met als drijvende kracht onder andere Alfons Verdoodt. Al na twee afleveringen werd het tijdschrift vervangen door De Student (1881) .
[9] In december 1885 publiceerden West-Vlaamse studenten, wellicht in hoofdzaak Emiel de Visschere een scherp pamflet getiteld: De Ruitenbrekers, waarin ze Gezelle beschuldigden van verraad. Om de oorsprong van het pamflet te verdoezelen gaven Adolf Pauwels en Adelfons Henderickx een Antwerps accent aan de tekst. Het pamflet werd ook in Antwerpen uitgegeven. In het Leuvense studentenblad Onze Vlaamsche Wekker, dat hoofdzakelijk door West-Vlaamse studenten werd gerund, verscheen eveneens een verontwaardigde reactie op Gezelles uitlatingen te Tielt.
[10] Het gaat hier om een lang citaat waarvan Verdoodt een deel weglaat om het schrijven te verkorten, en vervangt door drie puntjes die hij met elkaar verbindt.
[11] De Landdagbeweging die zich ontwikkelde vanaf de jaren 1860, vormde tot aan de Eerste Wereldoorlog de aanzet tot een reeks al dan niet succesvolle initiatieven tot samenwerking van Vlaamsgezinden over ideologische en partijgrenzen heen. (encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/landdagbeweging)
[12] Verwijst naar een versregel uit het door A. Rodenbach geschreven Lied der Vlaamse Zonen, (“Vliegt de Blauwvoet, Storm op zee”). De beweging die daaraan haar naam ontleende streed tegen de Franse taaldwang in het onderwijs.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Datums° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging

Briefschrijver

NaamVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Datums° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamMechelen
GemeenteMechelen

Naam - persoon

NaamDe Bo, Leonard Lodewijk; Leenaert
Datums° Beveren-Leie, 27/09/1826 - ✝ Poperinge, 25/08/1885
GeslachtMannelijk
Beroephulppriester; leraar; pastoor; deken; auteur; taalkundige; botanicus
BioLeonard Lodewijk De Bo werd geboren als enige zoon van Ludovicus De Bo, landbouwer, en Amelia Lemayeur. Na schitterende middelbare studies aan het College van Tielt begon hij in oktober 1846 zijn seminariestudies aan het grootseminarie te Brugge. Op 15 maart 1851 werd hij te Brugge tot priester gewijd. Van 11 april tot 1 oktober 1851 was hij coadjutor (hulppriester) in de parochie Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Ver-Assebroek. Op 1 oktober 1851 werd hij leraar in de poesis- en retoricaklassen van het Sint-Lodewijkscollege te Brugge, een functie die hij 22 jaar lang zou uitoefenen, tot 9 juli 1873, toen hij werd aangesteld als pastoor van de parochie Sint-Petrus en Sint-Paulus te Elverdinge (09/07/1873 – 27/09/1882). Nadien werd hij pastoor van de parochie Onze-Lieve-Vrouw te Ruiselede (27/09/1882 – 22/04/1884). Op 22 april 1884 werd hij, hoewel hij al ziek was, nog overgeplaatst naar de parochie Sint-Bertinus te Poperinge waar hij pastoor-deken was, een overplaatsing die hij niet echt zag zitten. Hij overleed overigens al het jaar nadien. Reeds als seminarist verzamelde De Bo de West-Vlaamse woordenschat. Zijn levenswerk, het West-Vlaamsch Idioticon, waarin meer dan 25.000 woorden en uitdrukkingen uit de West-Vlaamse taal verzameld en verklaard worden, verscheen van 1870 tot 1873, gevolgd door een tweede, bijgewerkte uitgave in 1890-1892. De Bo leerde Guido Gezelle in 1850 in het grootseminarie te Brugge kennen; zij werden goede vrienden en werkten hecht samen rond de studie van de West-Vlaamse taal. De Bo werkte actief mee aan o.a. Loquela en Rond den Heerd. Postuum verschenen nog Schatten uit de volkstaal (1887) en De Bo’s Kruidwoordenboek, het resultaat van zijn levenslange botanische activiteiten.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT); medewerker Rond den Heerd; medewerker Loquela; gelegenheidsgedichten
BronnenB. De Leeuw, P. De Wilde, K. Verbeke, e.a., De briefwisseling van Guido Gezelle met de Engelsen. 1854-1899. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1991, dl.III
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Datums° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
NaamDieudonné, Jacobus Augustinus
Datums° Sint-Niklaas, 06/02/1834 - ✝ Merchtem, 15/01/1908
GeslachtMannelijk
Beroepdrukker
BioJacobus Augustinus Dieudonné werd geboren te Sint-Niklaas op 6 februari 1834 als zoon van klokkenmaker Nicolas Dieudonné (1784–1865) en Anna Maria Lienard (1803–1874). Hij huwde met Maria Anna Vercauteren (Sint-Niklaas 08/07/1831 - Merchtem 17/01/1894). Dieudonné was actief als boekdrukker en leidde de drukkerij Dieudonné-Vercauteren, waar onder meer de "Gazet van Merchtem" werd gedrukt. Hij overleed te Merchtem op 15 januari 1908.
BronnenF. De Potter, Vlaamsche Bibliographie. Gent: A. Siffer, 1894; Geneanet

Naam - plaats

NaamAntwerpen
GemeenteAntwerpen
NaamMechelen
GemeenteMechelen
NaamTielt
GemeenteTielt

Naam - instituut/vereniging

NaamDavidsfonds Tielt
BeschrijvingHet Davidsfonds Tielt behoorde tot de tien eerste lokale afdelingen van de in 1875 gestichte culturele vereniging. Op 30 september 1885 richtten ze een herdenkingsplechtigheid in voor L.L. De Bo, waarop Gezelle een eerbetoon bracht aan De Bo en inging tegen de studenbeweging.
Datering29/03/1875-heden
Links[wikipedia]
NaamGrootseminarie Mechelen
BeschrijvingHet Grootseminarie Mechelen werd in 1595 opgericht door aartsbisschop Mathias Hovius in het voormalige Standonckcollege, naar aanleiding van het Concilie van Trente. In 1746 begon de bouw van een nieuw seminarie. Doorheen de jaren kende het seminarie verschillende periodes van sluiting en heropening, onder meer tijdens het bewind van Jozef II en de Franse Revolutie. In 1830 kon de priesteropleiding definitief herstarten. Gedurende de 20e eeuw werden seminaristen onder meer getraind voor militaire dienst en vonden er meerdere herstructureringen plaats. In 1970 werd het Grootseminarie van Mechelen gesloten en verhuisden de opleidingen naar Leuven en later ook naar Brussel. In 1995 werd het seminarie tijdelijk heropend als Theologicum, maar door een gebrek aan seminaristen werd het in 2006 volledig geïntegreerd in het Johannes XXIII-seminarie te Leuven.
Datering1595-2006
Links[odis], [wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelDuikalmanak
Links[gezelle.be]
TitelRond den Heerd. Een leer-en leesblad voor alle lieden.
Links[gezelle.be]
TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelDriesken De Nijper almanak voor het jaar O.H.J.CH. ... (periodiek)
Datum1880-1881
PlaatsAntwerpen
UitgeverJ. Schuermans
TitelDe ruitenbrekers
AuteurDevisschere, Emiel
Datum1885
PlaatsAntwerpen
UitgeverH. en L. Kennes
TitelGazet van Merchtem : nieuws- en annoncenblad der kantons Assche en Wolverthem (periodiek)
Datum1865 - 1893 (?)
PlaatsWolvertem
UitgeverAugust Dieudonné-Vercauteren

Titel16/11/1885, Mechelen, Alfons Verdoodt aan [Guido Gezelle]
EditeurGuido Spyns; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenGuido Spyns; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Verdoodt Alfons aan Gezelle Guido, Mechelen (Mechelen), 16/11/1885. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderVerdoodt, Alfons
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum16/11/1885
VerzendingsplaatsMechelen (Mechelen)
AnnotatieBriefversie van datering: 16 Alderheiligen '85 ; adressaat gereconstrueerd op basis van de aanhef en de brieftekst.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 enkel vel; 1 dubbel vel, 211 mm x 136 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 6 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden briefpapier: kruisteken, met kroon en leeuw op schild, en met bijhorende spreuk, alles lichtrood gedrukt: Geloofd zij Jesus Christus
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5554
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11865
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/35467cc0fb0c312de0279204a4e3c5b4483e9ce3/manifest
Inhoud
Incipit'k Zende u met dezen het opstel over uwen
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.