'k Zende u met dezen het opstel over uwen geëerden Duik.[1] Maar, die drukkers! 'k heb er mij 'k weet niet hoe lastig in gemaakt. Ze veranderen en verschoolmeesteren ne mensch zijn schrijven maar, totdat ze het zoo wat naar hunnen zin krijgen. Hier, aan mijne aanbeveling,[2] heeft de printer tamelek veel, ja veel te veel aan veranderd, zoo b.v.: weglating van 't loochenwoordeken en, waar ik nochtans veel van houd; gebruik van dan voor als, 't gene ik nooit en zou zetten; hij wil voor wilt, 't gene ze al ons kanten zoo min als ievers el en bezigen enz... En niet alleen heeft hij zoo hier en daar woorden en wendingen veranderd; maar de slimme vos, omdat hij waarschijnelek den duik niet en verkoopt, heeft hij 't bezonderste der aanbeveling, tenden van 't stuk, weggelaten. 'k Had immers geschreven, of iets in dien aard: "koopt dus allen den Duikalmanak van Guido Gezelle, en spant al uwe krachten in om hem in de vlaamsche huizen te plaatsen." En, dat hij zoo iets wilt gaan verbeteren! 'k Had hem nochtans nen brief geschreven, waar ik nog al in 't lang over volkstaal gesproken had, en hem genoeg te verstaan gegeven, dat ik er aanhield van maar vrijelek te zingen lijk ons Heer mij gebekt heeft. Maar ziet: 't is zooals gij mij in uwen geeerden brief schreeft: als er cengs te winnen zijn, dan is er middel, om die baaskens hunne verschoolmeestering voor nen oogenblik te doen afleggen; - maar zoo niet, dan schoeien ze maar voort op den versleten, vreemden domine-leest.p2Dit zij nu genoeg over den Duik en zijne aanbeveling. 'k Zou geeren een woordeken schrijven over iets el, dat mij op 't herte ligt lijk ne steen: en 't is, eerweerde Heer, over de feeste van Thielt.[3]
Wat er daar allegaar te Thielt gedaan en gezeid geweest is, en weet ik niet: 'k heb alleenelek in "Rond den Heerd",[4] uwe geachte Kerkhofblommen op 't graf van eerweerden De Bo zaliger gelezen. Het hoofdgedacht, dat ik van die lezing behield, was dees: De Bo zaliger was nen aldergeleerdsten taalvorscher, die hem bijzonderlek op de taal van 't volk heeft toegelegd; - en 't is zoo ook dat het zijn moet want: 't en zijn de schoolmeesters niet, die aan de taal heur wetten stellen, neen, 't is het volk, dat de taal maakt; dat volk, 't welk, ondanks allerhande werkingen van tegenstrijd en ontvlaamsching, 't zelfste nochtans gebleven is in 't spreken zijner moedertale." Zóó dacht ik; 'k peisde: Meester Gezelle maakt van deze gelegenheid gebruik, om eens vlakaf en in 't openbaar zijn taalstelsel bloot te leggen; om eens duchtig, en dat in 't bijzijn van honderden verhollandschte Davidsfondsers, te velde te trekken tegen schoolmeesterije en Reinaerdij.[5] Meer veel meer eigentlek en had ik er niet in gezien. Wél had ik daar van kromme sprongen, van tuimelperten, van ruitebrekerije enz gelezen: maar die kromme springers, die tuimelaars, die ruitenbrekers en waren in mijn oordeel niemand anders, als onze verhollandschte schoolvossen, die, meende ik, terecht de ruitebrekers, 't is te zeggen de afbrekers onzer goede, zuivere, echt vlaamsche boeketaal mogen heeten. Wel had ik daar gedachten tegengekomen, die mij zoo wat vies, aardig, drollig en schots voorkwamen, b.v. dat “noch burgoensche[6] wulpschheid ... van ons volk ooit iets anders hadden kunnen maken als het eerbiedweerdig vlaamsche volk, en van de taal van dat volk niets anders als onze oude, eerbiedweerdige moedertale"; - maar, 'k zeg, dat alles zette ik op de kap der verhollandschte schoolvossen, en met een beetje goeden wil kon ik mijne eerste verwondering alras verdrijven: 't was, dacht ik, geheel en gansch naar mijne eigene meening.eigentlekeerbiedweerdigp3Zoo dacht ik dus, en 'k meende gelijk te hebben, om dies wil dat alles, zóó opgevat, alderbest met uwe andere schrijvenissen overeenstemt, en nog te meer, omdat juist diezelfste gedachten herdrukt wierden in den[7] van, waar het mij scheen van pas te komen, om de Reinardie te bevechten.Loquela, waar het mij scheen van pas te komen, om de Reinardie te bevechten.
Goed! Maar, hoe dat ne mensch sommes wel deerlek zou mis verstaan! Is er hier gisteren geen soort van Driesken de Nijper[8] aangekomen, waar die eigeste woorden heel anders uitgelegd staan? Misschien kent ge dat schrifteken al; 't heet: De Ruitenbrekers.[9] t Zou mij te lang worden, moest ik hier in 't wijd en breed de verschillige gezegdens dier Nijpers ofte Ruitenbrekers aanhalen. Een dingen springt er uit al hunne woorden: "Heer en Meester Gezelle heeft zijn trouwste volk gebrandmerkt en afgezworen; al die schoone woorden van: wilde peerden, zotte medepeerdekens, kromme springers enz... enz...., zijn gericht, niet tegen schoolmeesterij en Reinaerdie, maar tegen...[10] de vlaamsche studentenbeweging!"
Zie, als ik dat las, dat was 't of ik ne slag op den kop kreeg. Hoe is 't mogelek? Hoe is 't mogelek? Zoo dan zou het tegen de studentenbeweging, - hunne vurigheid voor 't herwinnen hunner schoolrechten, voor 't doorgronden der moedertale, voor de herwording van ons Vlaamsch volk; dan zou het tegen hunne landdagen,[11] hun strijden en kappen op fransche, verfranschte en franschgezinde overheid, dan zou 't, in één woord, tegen die groote vlaamschgezinde studenten beweging zijn, dat mijn eerweerde Heer Gezelle te Thielt zoo deerlek is uitgevallen? Dan is hij van gedacht dat er niet gedaan moet worden, als enkel de taal op zijn eigen gestudeerd? Dan ziet hij niets, maar nieteken goed in de Vlaamsche studenten, niet alleene voor het diep aanleeren en 't liefhebben der taal, maar ook nog voor 't hervormen van ons Vlaamsch volk en de herwinning onzer dierste, maar vertrapte rechten, 't is eender op welk gebied, zoo wel bij onze hooge geesteleke, als wereldleke franschgezinde overheid?
Maar neen; dat en is, noch en kan niet zijn? Dat moet zeker van onze Nijpers slecht verstaan zijn. p4Welhoe! neemt de studentenbeweging eweg, en de vlaamsche strijd is, om zoo te zeggen, een zielloos lichaam geworden. Neemt de studenten hunne vierige Vlaamschgezindheid af, en wat wordt er dan nog gedaan voor 't Vlaamsch volk? Waar zijn de vechters voor taal, voor godsdienst en zeden? Waar zijn, ja, de studeerders, de vorschers, de beoefenaars der Moedertaal. Maar, zoudt ge zeggen, hunne hevigheid dan? Ze verbrodden de zaken! Z' en verstaan der geen boes van! Niet waar, zeg ik; logen en laster, zeggen onze Antwerpsche Ruitenbrekers. Ja, ze verstaan de Groote Vlaamsche Zaak alderbest; ze begrijpen dat het niet genoeg en is Vlaming te zijn, maar dat we ook Vlaamschgezind dienen te wezen, maar Vlaamsch en Vlaamschgezind niet half en gebroken, maar heelegansch; niet alleen om de taal uit heur verleden en het volk op te zoeken, niet alleen om tot in de diepste diepten van onzen rijken taalschat door te dringen, maar nog om ons volk, onze broeders, onze stam- en taalgenooten, ja, en om ons eigen te ontslaven van die vreemde banden, waar vreemd gespuis eeuwenlang ons volk heeft in geprangd gehouden, en waarin we nu, sedert meer als een halve eeuw, door ons eigen volk, door andere onzer stambroeders, die aard en taal verloochend hebben, door onze verfranschte geesteleke en wereldleke overheden op de schandigste wijze genepen worden. Ja, dat moet een einde hebben! Aan ons, al onze gestolen rechten, niet gedeeltelek, niet als een toegeworpen brok, maar heel en gansch, in gansch hun eerbiedweerdig voorkomen. Ja, ons Vlaanderen doen herleven, doen herworden, dat willen zij; dat is hun doel waar ze onverpoosd naar streven, voor 't welk ze bereid zijn alles op te offeren, en waarvoor al meer als een onzer makkers op den Vlaamschen Martelaarsboek door onze ongenadige, dweepzuchtige tegenstrevers is gebracht geworden.
Doch, wat wil ik hier in mijne haaste den tijd verspillen, om met eenige flauwe woorden den kloeken studentenkamp te verheffen. Daarbij, 'k ben vast overtuigd dat ge daarover dezelfde gevoelens gehad hebt, en blijft hebben, als ik, en dat, ja, 't gene ik hierboven van den uitleg onzer Antwerpsche Ruitenbrekers zeide, niet anders als een misverstaan zijn en kan.p5p5Gij weet te goed, mijn eerweerde, hoe nuttig, hoe noodzakelek onze studentenstrijd is; ge weet genoeg wat zegepralen de studenten voor onze heilige Vlaamsche zaak al behaald hebben, zonder te spreken van de overwinningen, die we dageleks, dank aan de studenten, te gemoet treden; ge weet genoeg dat het Vlaamsch studentleger eene macht is, die ja, recht naar heur doel gaat, met opgeheven kop en zonder om te zien; dat alle middelen, hoe klein of hoe groot ze ook zouden wezen, daardoor alleen dat ze wettig zijn, en dat ze eenigszins op de omstandigheden passen, dat die middelen, zeg ik, de onze zijn, en wij ze onbeschroomd, in 't aanschijn van koning en bisschop durven gebruiken; ge weet genoeg, dat de studenten Vlaanderen letterlek om willen wentelen, niet met vier en zweerd, niet om het in eenen afgrond van verbastering, ontaarding, ontkristening, en wat weet ik nog al te storten, maar omwentelen met wettige middelen, omwentelen om het te maken 'tgene het altoos had moeten wezen; zij, de studenten, ze kunnen wel rekening houden van eerbied aan overheid, rekening van de omstandigheden, maar koppig zijn tegen koppigen, maar kappen en kerven, maar schreeuwen en tieren als het pas geeft, dat de verfranschte bazen kiekenvleesch krijgen, en sidderend in hunne fransche schansingen terug kruipen, ja, ja, dat kunnen ze ook, dat doen ze, dat zullen ze blijven doen. dit zooveel, zoonijg en zoodikwils mogelek, en steeds met vernieuwden iever, met blijden hoop, en.... met verbazender getal.
Neen, dat en geloof ik niet, dat een Vlaming, zooals mijn Heer en Meester Gezelle het altoos geweest is, dat hij zoo, tegen 't gevoelen vanp6alle echte Vlamingen in, zou kunnen of derren spreken.
Ha! 't was mij pijnlek in de Ruitenbrekers van Antwerpen zoo 'n grove beschuldigingen te moeten lezen. Nochtans, 'k moet het bekennen, en 'k ben zeker dat alle Vlamingen, alle Blauwvoeten,[12] buiten de Blauwvoeten en zijn der niets als slapers, droomers en... zeeveraars, - dat ze allegaar zullen bekennen met mij, dat wie zoo moest spreken gelijk ze u daar willen afschetsen, van alle studenten ongelijk zou krijgen en dat ze hem fijn zouden laten alleen zagen.
Mag ik u iets verzoeken, Eerweerde? 't Is van zoo goed te zijn, mij nogmaals een briefken te willen schrijven, om mij van de waarheid te onderrichten. 'k Ben doodnieuwsgierig. Duizendmaal dank voor uwen verleden brief: zulke stukken blijven bewaard.
Vergeef mij al de openhertigheid van eenen rechtzinnigen Vlaming, alsook mijn haastig gekribbel. 'k En heb geenen tijd meer tot verdere plichtpleging.
'k En heb geenen tijd om te herlezen. Verschooning.







