'k Geloof, Eerw. Heer, dat het voor dezen keer al genoeg zal zijn met deze woorden en wendingen en aanmerkingen.[1] Had ik tijd om Loq.nog meer te studeren, en om mijn schrijven beter te overleggen, te bepeizen e na te zien, 'k zou der zeker nog wel wat meer kunnen over zeggen. Indien ge mij soms, aangaande de richting en den aard mijner woorden en wendingen en bemerkingen, nuttige wenken zocht te geven ze zullen mij altoos zeer willekom heeten. 't Spreekt van zelfs dat, zoo dikkes als ik mijne zante stier, gij mij daarom geen antwoord en moet zenden; niet zelle, dat ik van uw geacht schrijven niet en houd, 't is geheel wat anders: 't en is maar om u moeite te sparen, en nuttigen tijd voor noodzakeleker dingen te laten winnen. Moesten mijne bemerkingen sommes wat in vertraging zijn, 't en is ook geen teeken dat ik van gedacht verander: 't is dat er 't een of ander belet in den weg is.
Ten slotte heb ik wel te bedanken voor uw vriendelek antwoord op mijnen tweedenp2brief:[2] k en heb maar spijt dat ge niet duideleker over de feeste van Thielte[3] geweest en zijt. Ge zegt wel dat ze u hieromtrent nog niets ten laste gelegd hebben: bij uwe weet, ja, dat kan zijn, maar hoe komt het dan, dat ik er al in verschillige tijdschriften, gisteren nog in Onze Vl. Wekker,[4] in denzelfsten zin over gelezen heb. 'k Zou maar eens geren weten, en alle studenten met mij, welke eigentlek de gedachten zijn van uwe eerweerde aangaande den studentenstrijd. Wees zoo goed, bid ik u, als ik de eer nog mag hebben een schrijven van uwe hand te ontvangen, mij ronduit, vlakaf en zonder omweg uw gedacht te zeggen. Zijt ge tegen den studentenstrijd, dan is 't zeker, dat ge in d'oogen van 't studentenvolk oneindig veel zult verlozen hebben: 'k word het hier maar al te goed aan mijne makkers gewaar. En, wat mij betreft, zonder daarom kwa vriend met mijn eerweerden te willen worden, zonder ook minder achting voor uw schrijven in Loquela of elders te gevoelen, eerbiedig ik stille uwe.... doling, maar ja, uwe doling, want nen anderen naam voor de gedachte die onzen edelen studentenkamp bestrijdt, en kan ik niet vinden.
'k Vraag u, Eerw., wel verschooning voor mijne openhertige, vlaamsche, doch echt minnende vrijhertigheid. Nichts für ŭngŭt! In alles ten dienste van Loquela en diens geleerden schrijver!







