<Resultaat 1381 van 3122

>

p1
Geloofd zij Jesus-Christus
Mijn eerweerde Heer,

Hebbe uwen zeer welkomen brief en kaarte met groote voldoening en genoegen ontvangen. Al mijne makkers waren er echt geestdriftig om, en nog wel het meeste voor het echt vlaamsch en het schoon eigenaardig "van 's Konings vl. Taalkamer", dat zeker geene slaafsche vertolking van het "membre de l'Académie flamande royale" en zal heeten. 't Is inderdaad wel zóó dat ons vlaamsche volk van de leden eener gilde zou spreken. Hij is daar en daar van.

Gij schrijft mij ook over De Bo's Idioticon. Hebbe hier van onze Leuvensche strijdmakkers een prospectus ontvangen voor het Gr. Sem. en meene dat er tot nog toe zoo 'n vijf inschrijvers zijn. Veel en zullen er in 't Sem. p2niet wezen, denk ik. De meeste studenten hier liggen ten eerste nog al op hun beurze, als 't voor het Vlaamsch aankomt, en dan nog 't en zijn er nog maar eenigen die op taalstudie trek en gadinge hebben. Doch niets en belet dat gij nog eenige prospectussen zoudt stieren, om onder 't verlof te toonen en al eenen inschrijver te winnen elk in zijne omgeving. Dat ik er vijftien kreeg, ik deelde ze rond aan de getrouwste mannen, en derwijze dat ze heel ons bisdom door zouden reizen. Ik zou ze namelijk geven aan onze ieveraars: zoo zijn er een vijftien man, van elke klasse 4 of 5. Verzenden naar thuis: We Immerechts, Groote Merkt, Mechelen. - Voor Verdoodt. Zoo zal alles goed in onze handen komen.

Loquela begint hier stillekens op te komen. Ik heb al zoovele over volkstaal gepreekt, en al zooveel Loquela aangeprezen, dat ik van tijd tot tijd toch nen inschrijver kan winnen. De meeste moeilijkheid voor den grooten hoop is dat ze zoodanig aan schoolmeesterstale gewoon zijn, dat ze zoo 'n sterk getinte volkstale, en bijzonder het Westvlaamsch, op hunne verhollandschte magen niet en kunnen verdragen. p3't Zijn nu toch 18 inschrijvers; - ook 11 herdrukken gevraagd van 4 eerste jaar. N 2° van dees jaar hier nog niet: verwachte dat hij met n 3 een geheel zal uitmaken, en deze twee samen zullen komen.

Zal nu mijn blad voorts vullen met al een woord op te teekenen.

Gisteren peisde ik op uitnemen = excellere. Dat is wel een schoon woord. Een uitnemer = qui excellit, excellens - dat neemt uit = Dat is iets bijzonders. Uitsteken Kan en is bij ons dik hetzelde als uitnemen, doch het wordt soms ook in kwaden zin verstaan, lijk afsteken altoos eene slechte hoedanigheid te kennen geeft. Waaruit blijkt dat een "homo singularis" een aardige, in den goeden zin, een uitnemer is, terwijl hij, in den slechten zin, zal afsteken; en ja ook uitsteken. Zoo van eenen flauwerik, die uit eene soort van hoogmoed, altoos iet bijzonders, iet meer als de groote hoop wilt doen, zullen ze tot Opwijck zeggen: Ho! flauws! (flāās) gij moet lijk altijd ewat meer doen! Gij wilt altijd uitsteken. Doch van zoo nen gadder ofte kaddee en zullen ze nooit zeggen dat hij uitneemt. De heiligen waren en zijn allegaar aardigen (schotschen, viezen, drolligen, mottigen, dat en geloof ik niet) het zijn aardigen, maar uitnemers, immers zij munten, zij pakken, zij nemen uit. De slechten zijn ook aardigen, doch uitnemers en zijn het niet want afsteken ja doen ze, uitmunten niet, 't en ware in hunne boosheid. De Westvlamingen met hun eigenaardig Westvlaamsch zijn aardigen, en dat voor elkendeen, met dees verschil dat voor eenen hollander zij stijf afsteken, terwijl in de oogen der echte Vlamingen zij echte uitnemers zijn.p4Op Loq. n°12 en 1 - 1886, teeken ik aan:

("Mooze, moze, more") = slijk[1] Goed! Doch, hoe legt gij dees uit: 1° bij ons niet moor (zachtlange oo) maar môiër en ook dikkels môiëter (modder)

2° Moze met zachtlange oo komt bij ons voren in het gekende mozegat of schiergat, dienende om aldaar de vuiligheid den huize uit te schieren .

De Poperingsche spreuke: Ze zi lik emmoezewulf, zou bij ons luiden: Ge zijt lijk ne klodderhond, of lijk ne moiërhond. Zoodat ze bij ons lijk tot Rousbrugge niet en vergelijken met eenen vuilen wolf, maar met nen bemoiërden hond.

Een smuts[2] is dat het Vilvoordsche smoster niet: 't is te zeggen een hevigen slag?

Sneepen[3] en snippen zou daar geene verwantschap tusschen zitten. snippen = snappen (snip, snap, (snipsnappen) (kaartspel) = pakken, scharren, langen, wegnemen, pikken. Doch een snipken brood is een kleen sneken, en wel zoo een dat sneeps gesnêen wordt.

steegen,[4] bij ons niet gekend; doch wel het bijvoegl. steeg (zachtlange ēē-) De wagen staat steeg = loopt moeilijk Hij was zoo steeg om te gaan = wou moeilijk gehoorzamen. Nu ik van stege wagens daar sprak, schiet mij het woord slook te binnen. De wagen ligt of zit slook = en wil of en kan niet meer voort. Slook liggen (van een werk) = niet meer voortgaan. Ik lig slook= ik en kan niet meer voort enz. Kennen de Westvlaanderen dat woord?

Toog:[5] in den zin van jaremerkt en heb ik dat woord nog niet gehoord. Toch heb ik al hooren spreken van den Toog tot Brussel (of hij nog bestaat, 'k en wete niet) = lakentoog welke jaarlijks te Brussel gebeurde.

Verdreegen.[6] Of het woord bij ons gezeid wordt voor ten onrechte verwijten, en wete ik niet. Doch, wat wonder is, het klinkt met zachtlange en scherplange ee in het enkele dreegen, te weten in den onv. verl. tijd. Zoo zeggen ze: Hij drieëgde mij (en) hij drēēg mij. Afdreegen (afdrieëgen) kennen de Westvlamingen datte? = 1° door bedreigen ontfutselen, ten onrechte verkrijgen; - 2° = ook nijg, hevig, geweldig bedreigen: hij drieëgden hem af = hij bedreigde of bedreeg hem sterk.

Late andere opmerkingen voor lateren keer, en groete met veel eerbied.

Alfons Verdoodt

Noten

[1] G. Gezelle, Moeze. In: Zantekoorn. In: Loquela: 5 (Oostermaand 1886) 12, p.90: ”MOEZE, de. = Mooze, moze, more. Geh. Watou, Houtkerke, in fr. VI.”
[2] Reactie op: G. Gezelle, Smutsegat. In: Zantekoorn. In: Loquela: 5 (Oostermaand 1886) 12, p. 91: “SMUTSEGAT, het. = Smetterwonde, wonde tengevolge van eenen smuts. - Hij is gekwetst in zijn aanzichte al vechten, maar 'ten is maar e smutsegat! Geh. Paschendaele. ,'Het w. smuts slaat in De Bo vervlaamscht door ”stoot of stamp die leed veroorzaakt;“ ”smuts“ zegt Kiliaen, ”Flandricè ictus, pulsus.“ Smutsegat heet bij de geleerden in 't fr. plaie contuse. Eene wonde die geweldiger is als een smutsegat of smetterwonde zou steke, snee, gabbe, kap, houw heeten; min geweldig ware 't eene smutse, in 't fr. une contusion, welk laatste w. de gazetten eeuwig en ervig vertalen door kneuzing, dat eigentlijk brekinge te zeggen is: ”Knosen battre, casser, quassare; knutsen piler, broyer, casser, »

zegt Ghristophle Plantin, 1573.”

[3] Reactie op: G. Gezelle, Sneepen. In: Zantekoorn. In: Loquela: 5 (Oostermaand 1886) 12, p. 91: ”SNEEPEN, sneepte, gesneept. = Sneeps werken, metsen, snijden, zagen. -Daar is een hoekske van dien plakbrief gesneept. Geh. Couekelaere.”
[4] G. Gezelle, Steegen. In: Zantekoorn. In: Loquela: 5 (Oostermaand 1886) 12, p. 91: ”STEEGEN, steegde, gesleegd, ee = eat gelijk in kleen. =Weerstaan, tegenstribbelen, weerzin toogen. - Nu komen wij overeen, maar in 't eerste steegde hij tegen de' prijs. Geh. Ghistel.”
[5] Reactie op: G. Gezelle, Toog. In: Zantekoorn. In: Loquela: 5 (Oostermaand 1886) 12, p. 91: ”TOOG, den. = Jaarlijksche veemart, peerdemart, enz. te Gheerdardsbergen. "De dienstboden bespreken in dit geweste dat ze zullen mogen naar den toog gaan, naar ”Ghiesbarghen“ eer ze dienst aanveerden; en 't wordt vermoed, uit dit gaan van dienstboden naar dien toog, dat er eertijds daar ook menschen ten tooge en te koope stonden, benevens koeien en peerden.”
[6] Reactie op: G. Gezelle, Verdeegen. In: Zantekoorn. In: Loquela: 5 (Oostermaand 1886) 12, p. 91: ” VERDREEGEN, verdreegde, verdreegd. = Ten onrechte verwijten, insimulare, imputare aliquid alicui.- Hij verdreegt mij altijd dat ik mijnen staat te buiten ga! Geh. Kortrijk. Verdreegen heeft bij ons den zin van 1° simulare, toog doen, fr. faire semblant, faire mine de, minari menacer; b. v. hij dreegde, of hij verdreegde mij te slaan; 2° insimulare aliquid alicui, valschelijk ten laste leggen, z. hooger. Dien

tweeden zin van ons w. verdreegen en vinde ik nievers bewaard, 't en zij 1° in den mond van ons friso-sassensch volk, en 2° in de boeken van de friso-anglo-sassensche oude Engelanders."

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Datums° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging

Briefschrijver

NaamVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Datums° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamMechelen
GemeenteMechelen

Naam - persoon

NaamVerdoodt, Alfons; Isidoor Alfons
Datums° Opwijk, 18/10/1863 - ✝ Mortsel, 23/01/1934
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; aalmoezenier
BioIsidoor Alfons Verdoodt werd geboren te Opwijk op 18 oktober 1863. Hij studeerde aan het kleinseminarie en het grootseminarie te Mechelen. Daar raakte hij betrokken bij de studentenbeweging en de redactie van het tijdschrift De Student. Hij zocht in 1885-1886 contact met Gezelle en werkte mee aan Loquela. Na zijn priesterwijding in 1886 studeerde hij theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Vanaf 1888 was hij vervolgens leraar aan het Sint-Bonifaciusinstituut te Elsene (1888), onderpastoor te Antwerpen (1894) en aalmoezenier van het Sint-Elisabeth Hospitaal te Ukkel (1908) en het Psychiatrisch Centrum Sint-Amadeus te Mortsel (1920), waar hij op 23 januari 1934 overleed.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
NaamWeduwe Immerechts
GeslachtVrouwelijk
BioDe weduwe Immerechts woonde op de Grote Markt in Mechelen. Alfons Verdoodt liet er correspondentie en drukwerk van Guido Gezelle naartoe sturen. Verdere gegevens over haar persoon konden niet worden achterhaald.

Naam - plaats

NaamBrussel
GemeenteBrussel
NaamMechelen
GemeenteMechelen
NaamOpwijk
GemeenteOpwijk
NaamPoperinge
GemeentePoperinge
NaamRoesbrugge-Haringe
GemeentePoperinge
NaamVilvoorde
GemeenteVilvoorde

Naam - instituut/vereniging

NaamDe Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde
BeschrijvingDit wetenschappelijk genootschap bestudeert en stimuleert de Nederlandse taal- en literatuur. Na een lange voorgeschiedenis werd het opgericht bij Koninklijk Besluit van 8 juli 1886 als Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. De activiteiten omvatten onder meer maandelijkse bijeenkomsten met wetenschappelijke en letterkundige besprekingen, prijsvragen en publicaties. Guido Gezelle was één van de stichtende leden. Dit was een belangrijke erkenning van zijn werk. Hij was betrokken bij verschillende prijsvragen en schonk ook een deel van zijn boeken aan de academie.
Datering1886-heden
Links[wikipedia]
NaamGrootseminarie Mechelen
BeschrijvingHet Grootseminarie Mechelen werd in 1595 opgericht door aartsbisschop Mathias Hovius in het voormalige Standonckcollege, naar aanleiding van het Concilie van Trente. In 1746 begon de bouw van een nieuw seminarie. Doorheen de jaren kende het seminarie verschillende periodes van sluiting en heropening, onder meer tijdens het bewind van Jozef II en de Franse Revolutie. In 1830 kon de priesteropleiding definitief herstarten. Gedurende de 20e eeuw werden seminaristen onder meer getraind voor militaire dienst en vonden er meerdere herstructureringen plaats. In 1970 werd het Grootseminarie van Mechelen gesloten en verhuisden de opleidingen naar Leuven en later ook naar Brussel. In 1995 werd het seminarie tijdelijk heropend als Theologicum, maar door een gebrek aan seminaristen werd het in 2006 volledig geïntegreerd in het Johannes XXIII-seminarie te Leuven.
Datering1595-2006
Links[odis], [wikipedia]

Titel - werk van Guido Gezelle

TitelLoquela
Links[gezelle.be]

Titel - ander werk

TitelWestvlaamsch idioticon
AuteurDe Bo, Leonard Lodewijk
Datum1873
PlaatsBrugge
UitgeverGailliard

Indextermen

Briefontvanger

Gezelle, Guido

Briefschrijver

Verdoodt, Alfons

Correspondenten - personen

Gezelle, Guido
Verdoodt, Alfons

Naam - instituut/vereniging

De Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde
Grootseminarie Mechelen

Naam - persoon

Verdoodt, Alfons
Weduwe Immerechts

Naam - plaats

Brussel
Mechelen
Opwijk
Poperinge
Roesbrugge-Haringe
Vilvoorde

Plaats van verzending

Mechelen

Titel - ander werk

Westvlaamsch idioticon

Titel - werk van Guido Gezelle

Loquela

Titel23/07/1886, Mechelen, Alfons Verdoodt aan [Guido Gezelle]
EditeurGuido Spyns; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenGuido Spyns; Universiteit Antwerpen, Verdoodt Alfons aan Gezelle Guido, Mechelen (Mechelen), 23/07/1886. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderVerdoodt, Alfons
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatum23/07/1886
VerzendingsplaatsMechelen (Mechelen)
AnnotatieBriefversie van datering: 23 Hooim. 86. ; adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, 211 mm x 136 mm
papier, wit, vierkant geruit
papiersoort: 4 zijden beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden briefpapier: kruisteken, met kroon en leeuw op schild, en met bijhorende spreuk, alles lichtrood gedrukt: Geloofd zij Jesus Christus
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle (inkt, hand P.A.); op zijde 3 stukken tekst met inkt doorgehaald en zijde 4 met inkt doorgehaald
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief5657
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.11952
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/f72a8a96cf1a35800d3ea38f42910d60991754a7/manifest
Inhoud
IncipitHebbe uwen zeer welkomen brief en
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.