Hebbe uwen zeer welkomen brief en kaarte met groote voldoening en genoegen ontvangen. Al mijne makkers waren er echt geestdriftig om, en nog wel het meeste voor het echt vlaamsch en het schoon eigenaardig "van 's Konings vl. Taalkamer", dat zeker geene slaafsche vertolking van het "membre de l'Académie flamande royale" en zal heeten. 't Is inderdaad wel zóó dat ons vlaamsche volk van de leden eener gilde zou spreken. Hij is daar en daar van.
Gij schrijft mij ook over De Bo's Idioticon. Hebbe hier van onze Leuvensche strijdmakkers een prospectus ontvangen voor het Gr. Sem. en meene dat er tot nog toe zoo 'n vijf inschrijvers zijn. Veel en zullen er in 't Sem. p2niet wezen, denk ik. De meeste studenten hier liggen ten eerste nog al op hun beurze, als 't voor het Vlaamsch aankomt, en dan nog 't en zijn er nog maar eenigen die op taalstudie trek en gadinge hebben. Doch niets en belet dat gij nog eenige prospectussen zoudt stieren, om onder 't verlof te toonen en al eenen inschrijver te winnen elk in zijne omgeving. Dat ik er vijftien kreeg, ik deelde ze rond aan de getrouwste mannen, en derwijze dat ze heel ons bisdom door zouden reizen. Ik zou ze namelijk geven aan onze ieveraars: zoo zijn er een vijftien man, van elke klasse 4 of 5. Verzenden naar thuis: We Immerechts, Groote Merkt, Mechelen. - Voor Verdoodt. Zoo zal alles goed in onze handen komen.
Loquela begint hier stillekens op te komen. Ik heb al zoovele over volkstaal gepreekt, en al zooveel Loquela aangeprezen, dat ik van tijd tot tijd toch nen inschrijver kan winnen. De meeste moeilijkheid voor den grooten hoop is dat ze zoodanig aan schoolmeesterstale gewoon zijn, dat ze zoo 'n sterk getinte volkstale, en bijzonder het Westvlaamsch, op hunne verhollandschte magen niet en kunnen verdragen. p3't Zijn nu toch 18 inschrijvers; - ook 11 herdrukken gevraagd van 4 eerste jaar. N 2° van dees jaar hier nog niet: verwachte dat hij met n 3 een geheel zal uitmaken, en deze twee samen zullen komen.
Zal nu mijn blad voorts vullen met al een woord op te teekenen.
Gisteren peisde ik op uitnemen = excellere. Dat is wel een schoon woord. Een uitnemer = qui excellit, excellens - dat neemt uit = Dat is iets bijzonders. Uitsteken Kan en is bij ons dik hetzelde als uitnemen, doch het wordt soms ook in kwaden zin verstaan, lijk afsteken altoos eene slechte hoedanigheid te kennen geeft. Waaruit blijkt dat een "homo singularis" een aardige, in den goeden zin, een uitnemer is, terwijl hij, in den slechten zin, zal afsteken; en ja ook uitsteken. Zoo van eenen flauwerik, die uit eene soort van hoogmoed, altoos iet bijzonders, iet meer als de groote hoop wilt doen, zullen ze tot Opwijck zeggen: Ho! flauws! (flāās) gij moet lijk altijd ewat meer doen! Gij wilt altijd uitsteken. Doch van zoo nen gadder ofte kaddee en zullen ze nooit zeggen dat hij uitneemt. De heiligen waren en zijn allegaar aardigen (schotschen, viezen, drolligen, mottigen, dat en geloof ik niet) het zijn aardigen, maar uitnemers, immers zij munten, zij pakken, zij nemen uit. De slechten zijn ook aardigen, doch uitnemers en zijn het niet want afsteken ja doen ze, uitmunten niet, 't en ware in hunne boosheid. De Westvlamingen met hun eigenaardig Westvlaamsch zijn aardigen, en dat voor elkendeen, met dees verschil dat voor eenen hollander zij stijf afsteken, terwijl in de oogen der echte Vlamingen zij echte uitnemers zijn.p4Op Loq. n°12 en 1 - 1886, teeken ik aan:
("Mooze, moze, more") = slijk[1] Goed! Doch, hoe legt gij dees uit: 1° bij ons niet moor (zachtlange oo) maar môiër en ook dikkels môiëter (modder)
2° Moze met zachtlange oo komt bij ons voren in het gekende mozegat of schiergat, dienende om aldaar de vuiligheid den huize uit te schieren .
De Poperingsche spreuke: Ze zi lik emmoezewulf, zou bij ons luiden: Ge zijt lijk ne klodderhond, of lijk ne moiërhond. Zoodat ze bij ons lijk tot Rousbrugge niet en vergelijken met eenen vuilen wolf, maar met nen bemoiërden hond.
Een smuts[2] is dat het Vilvoordsche smoster niet: 't is te zeggen een hevigen slag?
Sneepen[3] en snippen zou daar geene verwantschap tusschen zitten. snippen = snappen (snip, snap, (snipsnappen) (kaartspel) = pakken, scharren, langen, wegnemen, pikken. Doch een snipken brood is een kleen sneken, en wel zoo een dat sneeps gesnêen wordt.
steegen,[4] bij ons niet gekend; doch wel het bijvoegl. steeg (zachtlange ēē-) De wagen staat steeg = loopt moeilijk Hij was zoo steeg om te gaan = wou moeilijk gehoorzamen. Nu ik van stege wagens daar sprak, schiet mij het woord slook te binnen. De wagen ligt of zit slook = en wil of en kan niet meer voort. Slook liggen (van een werk) = niet meer voortgaan. Ik lig slook= ik en kan niet meer voort enz. Kennen de Westvlaanderen dat woord?
Toog:[5] in den zin van jaremerkt en heb ik dat woord nog niet gehoord. Toch heb ik al hooren spreken van den Toog tot Brussel (of hij nog bestaat, 'k en wete niet) = lakentoog welke jaarlijks te Brussel gebeurde.
Verdreegen.[6] Of het woord bij ons gezeid wordt voor ten onrechte verwijten, en wete ik niet. Doch, wat wonder is, het klinkt met zachtlange en scherplange ee in het enkele dreegen, te weten in den onv. verl. tijd. Zoo zeggen ze: Hij drieëgde mij (en) hij drēēg mij. Afdreegen (afdrieëgen) kennen de Westvlamingen datte? = 1° door bedreigen ontfutselen, ten onrechte verkrijgen; - 2° = ook nijg, hevig, geweldig bedreigen: hij drieëgden hem af = hij bedreigde of bedreeg hem sterk.
Late andere opmerkingen voor lateren keer, en groete met veel eerbied.







