Ik heb u eene handvol papieren geschikt waaruit ge al wat nieuws van Val kont halen. Ze zullen u bewijzen dat ik onder mijn schrijven van tijd tot tijd al eens moest hooren: monsieur le vicaar, n'es-t-i nin[1] chal[2] en dat ik somwijlen werk genoeg tusschenbei kreeg om den vaâm en den naad van mijnen opstel te verliezen.
Zit er iets in, dat ingekort of verlengd, of veranderd of verplaatst, voor 't Daghet zou konnen dienen?
Ik en weet hier waarlik niet hoe en wi aan 't werk blijven - voor 't Dietsch wel te verstaan - hier op een afgesloten eiland. Kon ik mijn taal goed, ik zou p2uit het walsch misschiens wel wat oude woorden konnen terughalen. Menig walsch (?) woord, dat de menschen zeker denken dat ik niet zal verstaan, en dat ze mij willen overzetten, is zuiver limburgsch b.v. del surel (voor zulker, sulker); baos voor baas, man, huisvader. Andere woorden vind ik in 't begin aardig en later heel natuurlik b.v. baos-celle; (voor meidsken, meid.)[3] Gij zoudt er nog wel een deel meer van verstaan als ik! en misschien recht verstaan wat ik niet en kan begrijpen.
Ge kunt denken dat het nog al aangenaam is van zijn eigen volk niet te konnen verstaan, zelfs als ze tegen u aan het tateren zijn dat ge er hundvluchtig zoudt van worden.
De dietsche menschen die p3hier woonen zijn meestal vlamingen, maastrichteneers en platduitschers;[4] goed dat ik in mijn leven nog al wat westvlaamsch gehoord heb, of ik en verstond de eerstgenoemden niet veel beter als de Walen.
Ik hoor of en zie niets meer uit Limburg; ik en heb er zelfs geen brief meer uit gekregen sedert dat ik hier in de koolputten zit.
Arthur Lewylle, (waar ik sedert een jaar geen taal of teeken van vernomen heb,) zei altijd de “walebeesten” om de Walen te bestempelen. En waarlik als hij hier was hij mocht het nog wel gerust herhalen. Als er hier op eenen groote “missie” 380 te biechten komen, kinder en al medegerekend, 't is hoop en al, schijnt het. En hoeveel zielen? p4Toch altijd kort bij de 5.000. Een van onze vorige medewerkers, ook al tusschen de Walen, hiet zijn dorp Klein Liberië (Petit-Rechin); ik kost het onze wel de Duvelsdel[5] hieten! Maar, God zij geloofd, de Kapelaans blijven hier geen jaren: ik ben de drijde dit jaar. En moest ik blijven, dan op Gods genaden aan: “homines et iumenta salvabis.”[6]
Hoe staat het met het “oud Vlaemsch“? Dat en zal toch zeker geen doodgeboren wicht zijn, hoop ik.[7] Laat mij, a.u.b. eens weten hoe ik 't gemakkelikste en 't beste koop ('t zit er hier niet anders op) met de taalstudie kan bezig blijven.







