Jesus Maria Jozef Franciscus Geloofd Zij Jesus Christus
Ik ben wel drie keeren te late, en, confiteor,[2] k belijde mijn' schuld, 't is een‘ schande voor mij. 't Was al van voor Paschen, dat ik, tot Iseghem uit den mond van onzen eerw. vriend Baes, die 't gehoord hadde van uwen eerw. Pastor, vernomen hadde hoe Leuven voornemens was uw werk te bekroonen met er den stempel van het meesterschap op te slaan; 'k hadde het hier onze eerw. vrienden Demonie en andere zoetjes en monkelende in de ooren geblazen, en was van zinne UEerw. te schrijven met Paschen, de verrijzenisse. Ik moeste en wilde U zeggen hoe
uwen naam verkondigd zijn!
't En is aleventwel geen ondankbaar schaamteloos vergeten, en God dank, 'k en ben toch nog van de die niet
p2het leven dat gij om hun sleet
ten schuldbrieven op hun hert geleid,
weegt meer als hunne ondankbaarheid.
Nu toch, denique tandem,[3] den tijd van die vreemde spotters is voorbij en met hun eigen zelven verre weg geschoven en, al wierd hun vloek wat lang gehoord,
ooit spotters tale Reeken kan
daar staat gij!
En wij, uwe leerlingen en kinders, wij herleven; noch en duiken het niet; om uwe altoos groeiende triomphe;
om den ijdelen klank alleen
en den lof, zoo gauw vergeten,
van de menschen: God alleen
wilt ge, en, .....
nooit en zult ge aan ander vanen
als aan Gods uw palmen doen.
't Is er menigeen, dierbaarste Meester mijn, die nooit uw werk en heeft willen of kunnen verstaan, en die wel geern gretende[4] en grijnzende zou gespot hebben:
Hé bien, dansez maintenant.
Maar, waar zijn ze nu? En hun werk, waar is het? Gij, gij hebt uw nederig lied gezongen, lijk het Ruischen van het Ranke Riet;[5] ge hebt den toon gegeven, 't is dertig jaar bijkan geleên, -p3
Geen valsche dichtpatroonen,
geen vreemde oneigen klanken: niet
als Christen-Vlaamsche toonen.
Gij, de sperke latende groeien en de vlamme die God in uw herte en in uwen geest had geleid, gij hebt deure end, deure verstaan en getoogd hoe gij zoo diepe en zoo breed die wondervolle bestemminge verstond van het "schoone" in het edele plan van Gods scheppinge. Neen, duist keeren, het "schoone" niet meer als de waarheid en het goed,[6] t en is niet eentwat dat buiten ons gedoken ligt en verholen, tusschen de ketens en de banden van 'k en weet niet welke in eengewrochte regels - uitvindingen van levenlooze menschen verstanden - als nen uitgelezen schat voor sommige hooggeleerde geesten; - 't schoone 't is den eigen en natuurlijken glans van al wat waar is en goed, de zoete glimlach van Gods eindelooze bermhertigheid, die hij, tot kwistens toe, gestrooid heeft over al zijne werken, om ons zoo veel te zekerder op te trekken tot zijne oneindige waarheid en goed, om aan onze ziele die ruste te geven in 't samensmelten van eenheid, en order en harmonie, in waarheid en goed, waar zij naar hankert, uit ingeboren drift tot God. Dat hebt ge verstaan en gezeid en geleerd
spreekt ‘et al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teeken heeft. --
't diep gedoken Woord zoo zoet!
p4De vrije vlaamsche poëzy[7] die edele - ge hebt ze vrij gedicht; luide en onversaagd, ge hebt gezongen:
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt ge niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heete ik mijn:
oneigene, ik late U, ... ga reizen.[8]
Ge hebt gezongen en gedicht, o meester, ge hebt de schoonheid van ons "Katholieke christen vlaanderen" gevangen en gevat, ge hebt zijn' tale, - die tale die leeft, die waagt en roert, wentelt en keert, noch in geen regels te binden is, maar moet gedronken worden en genut, lijk het kind laafnisse vindt en voedsel aan de borst zijner moeder - ge hebt die tale, laat me zeggen, gedronken met volle teugen, ge hebt er uwen geest en uwen wille meê deurdrongen, en 't eigene vlaamsche lied rolde natuurlijk van uwe tonge! En heel dat eigen vlaamsche wezen, ge hebt het Jesu weêrgegeven, en nu nog, gelijk over dertig jaar meugt ge vrij en vrank wel zeggen:
wat mijn is, Jesus' zij,
en of ik eens mijn woord ontval,
mijn stemme ontvalle mij![9]
Gij hebt gezongen en gedicht, maar ge hebt zoo meteen ook geleerd en onderwezen:p5
voor Jesus de eerste stem,
voor Jesus! en het laatste lied
voor Jesus, nog voor Hem![10]
Ik wete er, meer als een, die hadde
of die het, lacij,[12] maar al te vele reeds geproefd had, en die 't uwe zangen moeten dank weten is hij niet teemaal[13] die tusschen
die baren, rotsen winden fel[14]verslegen en vergaan! "Maria, moeder," - zoo stond er op het doodsanctje van dien
Maria, moeder, wees het gedachtig hoe menigmaal en hoe godsvruchtig ik uwen roozenkrans bad!" En menigeen van hen, die uw werk miskenden (zoekende achter hunnen gouden kandelaar) zullen verwonderd hebben staan zien, zij die nooit en hadden gepeisd hoe gij in 't herte van uwe leerlingen zulk een zaad hadt weten te leggen waar uit, vroeg of late, Maria's hemelzoete roozen zouden groeien en bloeien!
Nu, uw werk, waaraan gij, lijk de moeder aan heur kind, meer houdt als aan uw zelven, waaraan gij uwen arbeid en uw zweet, uw leven en alles wat U is, zoo mildelijk hebt ten besten gegeven, uw werk is bekroond!p6
de felle stralen die Sint Thomas leering schoot,[16]
heeft u leeraar uitgeroepen en bekroond, en uw werk, tot doctor's werk erkend. Wat vragen wij meer?
die, jeukend, overal hun eigen woord verkonden...
Geen zulk' heeft Vlaanderen ooit in zijnen schoot gedragen,
maar anderen, gij vooreerst, verblijden weêr de dagen
die 't eigen land, waarin gij eerst gewonnen wierdt,
beleeft, terwijl 't den loop van zijn bestemming viert."[17]
En daarmeê sluite ik mijn feestrede en mijne hertelijkste gelukwenschingen: ze zijn wonder aaneengestooten, 't is waar; in plaatse van de blommen, hebbe ik UEerw. den wortel gegeven, tot meerdere zekerheid; daarenboven, meenende te weten hoe Gij de zaken verstaat, 'k hebbe u willen zegge hoe ik ze beschouwe, om alzoo langsom meer te komen tot die eenheid van hert en geest. En nu, vooruit, niet waar, met nieuwen moed: de leeraarsmantel is wijd, noch en zal hij u keten of band verschaffen: 't is een nieuw leven, en wij, uwe kinders en leerlingen, wij verwachten ook nieuwe werken; doen we niet wel? Peist ne' keer: 'k zie daar, zoo al med' eens, voor mijne oogen een’ reke tonnen te voorschijne komen, en, 't zingt daar iemand alzoo lijze[18] tusschen zijn' tanden:
ze rolt, ze bolt, ze bommelt;
- - - - - - - - - - - - - -
die vroed is heeft, al vast,
mijn tonnen toegepast.
p7Maar nu moete ik erger werk gaan beginnen, en wie weet of gij bij al mijn geraas het letste zielke van uw verduldigheid al niet kwijt gerocht en zijt. En tot overmate van rampe en tegenspoed, ik kome nog al eens op de laatste stekke. Kleene Louis Beyaert doet morgen en veertien dagen,[19] meene ik zijne eerste H. Communie, en, 'k zou geern, - 't is ik die vrage, in mijnen name, uit vrijwillige, eigene beweginge en persoonlijk begeeren - 'k zou geern voor die eerste Communie uwe doctors handgifte hebben:[20] k en zal der zelfs niet bij zeggen "als 't kan zijn"; gij hebt immers te vele en te schoone gedicht over het H. Sakrament, uw schoonste verzen, misschien, uw meeste en verhevenste gedachten zijn daarover al te natuurlijk uit uw' penne gevloeid, om niet zonneklaar te bewijzen dat gij dicht voor Jesus-Eucharisticus, al zoo "sponte"[21] als de nachtegale zingt. Nog meer: 'k ga zoo stout zijn, zoo overmoedig, en als ge wilt, zoo verwaten[22] om het te durven bestaan u te zeggen wat ik zou begeeren. 't Spreekt van zelfs, niet om u te brengen "elders geborgde gepeizen;"[23] niet om u pale of perk te zetten; maar te vergemeenschappinge, verwisselinge van gedachten en gevoelens. Gij, dichters, onze meesters, gij slaat munte - ge weet wel, van die "munte gave en goed, gelijk de vaderen deden"; wij we brengen u ons metaal, en ge smelt het, geloutert en zuivert ’et, ge beziet ‘et en verleest ’et, ge gebruikt ‘et of ge versmijt ’et, en ge geeft ons toch munte. p8Daar ligt zulk nen onzeggelijke schat muntespijze in de kleen-gedichtjes: 'k hebbe ze daar nog altemale herlezen, - en weet ge wel, meester, dat nievers gelijk daar den oprechten geest en eigen aard van uw werk, van uwe wendinge te vinden is. Ge hebt daar, neen, ik zegge mis, uw' ziele heeft daar heur eigen zelve zoodanig uitgegoten dat het boekske een echt en wezentlijk levensbeeld is. Nu, 'k ga op een blad papier eenige gedachten leggen: ziet hier: 'k hadde liever geen persoonlijke verzen, maar de eerste Communie zelve, in de - Musset heeft ergens gedicht:
lorsque la première eau qu'on y verse est impure,
la mer y passerait sans laver la souillure;
car l'abîme est immense et la tâche est au fond.[24]
Onder franschen geest en, meugelijks wel, franschen woorden blaai, zit er daar toch een gedacht: nu, 'k zou willen, in tegenstrijdigen zin, U de Eerste Communie zien drijven in 't staal van een bondelke verzen, hoe dat Jesus daar dat maagdelijk kinderherte pakt van den eersten stond, met het gedacht van het H. Sakrament teenegader. Gij ziet het, 't en is toch nog eigentlijk niet voor mij: 't is voor Jesus zelve, en de ondoordringbare wijsheid van zijne grenzelooze bermhertigheid en liefde, in die eerste H. Communie, is ze geen alderschoonste en uitgelezendste doctors-dichtje weerd? Hoe eer hoe liever, alhoewel het juiste op geenen dag of viere of vijve en staat als ik het maar en krijge.p92).…
née de Dieu.[25] Tous les commandements de Dieu ne suffisent pas pour nous le faire aimer; & cela parce qu'une flamme seule peut allumer une autre flamme... La charité de Dieu fut faite homme afin que nos cœurs puissent être rendus capables de brûler de l'amour de Dieu. ... Seul l'amour divin fait Homme, & par là uni à nous et demeurant en nous, est capable de mener notre amour à la perfection. Mais "Dieu est amour; & qui demeure dans l'amour, demeure en Dieu, et Dieu en lui (I Joa. IV. 16)"; & dans chaque communion du corps & du sang précieux de Jésu Christ vous recevez le Sacré Cœur, c'est à dire vous recevez dans votre cœur l'Amour Incarné de Dieu.
Is het niet waar, o meester, dat de overeenstemminge van de menschwording met onze vervallene natuur, daar wonderwel geschetst wordt? 't Denkt mij dat wij, priesters, ons te verre houden van Gods eigen doen: we zitten te vele in de moralis,[26] in 't gebod: we verwaarloozen de liefde, die wij ongetwijfeld beter zouden verkrijgen met de dogmata, met aan den mensch die al te weinig gekende schoonheden te toogen: Cardin. Manning heeft in zijn werk een capittel: "Le dogme est la source de la dévotion." Ten anderen het is en blijft toch waar: nihil volitum nisi quatenus & in quantum cognitum.”[27]
Toch, Christus is gestorven, verrezen en ten Hemel gevaard: en anders wegen de mensch en kan zijn tegenwoordigheid niet missen; maar, zegt Augustinus, "Dormit Adam ut Eva fiat; moritur Christus ut fiat Ecclesia. Dormienti Adae fit Eva de latere, mortuo Christo lancea percutitur latus, ut profluant sacramenta quibus formetur Ecclesia.”[28] Christus had het immers gezeid: 'k blijve bij U tot het einde der eeuwen. C'est pourquoi, zegt Manning, Dieu, afin de faire renaître la conscience de sa présence avec toute la force intime d'un souvenir constant; se constitua lui-même la Tête du Corps dont nous sommes les membres. ... Ce sentiment de sa présence comme Homme & Dieu, & comme chef de l'Eglise dans tous les membres de celle-ci, est toujours & partout soutenu par la présence perpétuelle de la Très-Sainte Eucharistie. L'Eglise visible sur la terre est, pour ainsi dire, le Tabernacle dans lequel réside le Verbe incarné présent sur chaque autel.... L'église visible dans le monde est suspendue comme un dais au dessus de cette Sainte Présence; & tous les autels dans l'Unité catholique ne sont qu'un seul autel, comme le Très-Saint Sacrement sur chaque autel n'est qu'un seul sacrement, un seul mystère du "verbe fait chair" demeurant à jamais au milieu de nous. Par là le sentiment de Sa présence est intime, perpétuel, & universel.
'k Neme dan den mensch, het edele schepsel Gods, zoo wonderlijk begaafd, bekwame, met zijn verstand, om de wezens te kennen die buiten hem zijn, en ze, lijk zij zijn in hun eigen, volgens al de wezenlijke waarheid van hun wezen, naar binnenp10te brengen en ze daar af te schetsen en te schilderen; facultas apprehensiva,[29] zeiden de scholastici; bekwame met zijnen wille om die wezens, alzoo naar binnen gebracht, aan te kleven, te beminnen, en in die liefde de ruste te vinden, gesproten uit de gedurige werkinge van zijne vermogens; facultas expansiva;-[30] k zie God dat natuurlijk wezen van den mensch verheffen tot een bovennatuurlijk order en hem den mensch bestemmen tot eene bovennatuurlijke kennisse en liefde, en oneindig geluk van de goedheid zelve. De mensch, met zijn verstand en zijnen wille, zei St Thomas, wordt eenigszins al de wezens die hij kent en bemint; en al zoo ook wordt hij eenigszins verheven tot het eigen wezen en zijn van God zelve; visio beatifica, facie ad faciem.[31] De kracht van Jesus Christus heeft ons alles, wat tot het leven en de vroomheid strekt, geschonken, door de kennis van God, die ons geroepen heeft door eigene heerlijkheid en deugd, door dewelke hij ons zeer groote en dierbare Geloften geschonken heeft, opdat bij middel van deze aan de goddelijke nature zouden deelachtig worden." (II Petr. 1-3. & 4). En al zoo verheven en bestemd tot deelneminge van het goddelijk wezen, aangenomene kinders van God (filii adoptivi,) en om kinders te kunnen zijn, deelachtig geworden aan de goddelijke nature, moeten wij ook gelijk worden aan den oprechten, wezentlijken, natuurlijken zone van God, gelijk St-Cyrillus Alexandrië zegt: "Meâ enim adoptione & similitudine filii essemus, nisi ipso Filio praesupposito, ad quem efformamur, qui ad similitudinem ipsius arte quadam & gratia traducimur.[32]
En nu keeren wij weder tot het H. Sakrament, en de H. Communie. Ce Sacrement, zegt Card. Manning, est la révélation de l'amour de Jésus pour nous. il est l'application perpétuelle de son amour à notre salut. ... Nous étions les enfants du premier Adam et nous participions à la substance de la chair & du sang de celui-ci; ... par la régénération du St Esprit et par le Très-Saint Sacrement de l'autel, nous devenons les membres du second Adam, nous participons à sa chair & à son sang divins... nous sommes participants de sa substance pour la vie et l'immortalité. ... Le mystère du Corps & du Sang précieux, de Jésu Christ est le lien entre l'Incarnation et la Résurrection, etp113)le moyen par lequel nous devenons les membres de sa substance, et par là les participants de celui qui a dit: "Je suis la Résurrection & la Vie."... 't Is door dit H. Sakrament dat Jesus Christus de geloovigen in Hem hervormt en als 't ware herschept, en tot een lichaam maakt: Le Sacré-Cœur de Jésus dans le Très Saint Sacrement de l'autel est le centre de tous les cœurs. ... Comme des flammes qui se mêlent à d'autres flammes n'en font plus qu'une - telle est aussi l'unité surnaturelle & spirituelle de tous ceux qui sont unis à son Sacré Cœur. Elders ook: Le Sacré Cœur de Jésus, qui est l'amour de Dieu revêtu des sympathies de notre humanité, a été et est un pouvoir assimilant, le principe d'une vie nouvelle changeant en sa propre ressemblance les cœurs intérieurs des hommes. ...
En dan ook nog weêrom die wonderbare samenwerkinge van hulpe en beproevinge, de verheffinge van den mensch in de vernietiginge van zijn eigen zelven, de wijsheid van God: brood en wijn die hunne gedaanten geven om den mensch niet af te keeren, niet benauwd te maken, - enz. en ten zelfden tijde, 't geloove in werk te zetten.. Onuitsprekelijk schoone dingen schrijven daarover de H. Vaders; - maar gij weet ze zoo wel als ik; - 'k en schrijve niet om u te onderwijzen, maar om u te toogen en te vragen: staat die opvattinge u niet aan. 'k Hebbe genoeg gezeid meene ik om mijn gedacht te verdietschen, en sluite met nog eenige gedachten van Kard. Manning:
La charité de Dieu ne voulait point être contenue dans les limites de son propre bonheur. - en hij miek heel de scheppinge... al de wezens, - maar 't en was hem niet genoeg: il voulait encore s'identifier avec ses créatures: il se revêtit donc d'une nature créée. Dieu le Fils prit dans l'unité de sa personne une humanité créée; et le créé et l'incréé furent joints ensemble par un lien personnel et éternel.... Toute la gloire divine & incréée fut en contact, & plus qu'en contact, en un seul et unique point, avec le monde entier de l'existence créée; et ce point de contact est le Sacré Cœur de Jésus. Ce cœur devint donc le plus glorieux des royaumes du Père Eternel. Il règne en lui & sur lui. Sa volonté est toujours obéie par ce cœur & ses lois sont écrites en lui. Jamais le Père ne reçut une obéissance égale à celle que lui rend le Fils en qui il a mis sa complaisance. Jamais le Père ne reçut un amour, une adoration et des louanges aussi grands que par les actes béatifiques du Sacré-cœur.p12'k En wete niet, mijn Eerweerden en dierbare Meester, maar 't denkt mij dat er alzoo iets zou kunnen gemaakt worden, in die eenheid, over de H. Communie, en meugelijks wel de eerste Communie. Jesus die daar zijn eigen zelven legt in den nog ongeroerden en maagdelijken grond van het kinderherte als het zaad van 't eeuwig leven, 'k Geve u die gedachten die opvattinge voor 't gene zij weerd is. En zijt niet kwaad op mij dat ik u zoovele van uwen kostelijken tijd stele: Gedoog dat ik, om weerd 't Altaargeheim te roemen, naar U om kracht en stemme kom.
Gij zult daar meer en beter in zien als ik vermag te peizen en te zeggen: neemt die muntespijze in genade bidde ik u, legt ze in uw herte, en, als de tijd komt, als de vlamme rijst, al duurde het een maand, of langer, zuivert ze en smelt ze en geeft ons beste doctorsmunte. 'k Eindige om mijn brief te kunnen zenden. Dierbaarste meester, vale[33] en bid voor mij; 'k bidde voor U.







