<Resultaat 1668 van 3122

>

p1
Val-St Lambert

Allerbeste Heer en Vriend,

ik heb dezen morgen uwen brief en uwe zende ontvangen. 't Daghet bedankt u over den boek, en ik heb mij met den arbeid belast van hem drie keeren te lezen. . . . . 't Daghet. . . .? zult ge zeggen: ja! want zijn wij voor onze . . . . flaminganterij tusschen de Walen gestoken, we hebben dan toch ook 't genoegen van allen tusschen de Walen, (ofte bijkans allen) te zitten, en ik heb vandaag, na twee Kristeleeren gedaan te hebben, speeldag gegeven voor mijne drie anderen, om eens met Ans (A. Cuppens)[1] en met St Servaas[2] (R.v.d.Putte) te gaan kallen.[3]

Wij dronken een glas

op den 4den jaarg. van 't Daghet,[4]

Wij plasten een plas,

maar we lieten de zaak toch niet heel wi ze was.

1° Wij hebben ons allen altijd deftig tegenover Bisdom enz. gedragen, p2niemand van de grootte mannen heeft ons iets te verwijten, en daarom staan we vrank en vrij tegenover de Salesius-bode.[5] Nen zekeren schijn, waar gijliês in West Vlaanderen met te doen gehad hebt, hebben we niet te vreezen: Noch Mgr. Rutten, die te verstandig is, noch Mgr. de Bisschop zelf, die ons met een vriendelik händjen ontvangt, omdat hij weet (Ans[6] en Val St Lambert[7] Petit Rechain[8] en Verviers[9]) welke plaatsen wij met liefde en ijver bedienen - wi[10] goede priesters, zelfs na verneukerijen van dezen en genen, 't behooren te doen, - zullen ons verdenken, noch zelfs van nen schijn van tegenstrippelen gebruik maken. . . . en A. Cuppens, die ik de zaak (van antwoorden) overgelaten heb, was van zin den H. Timmermans,[11] die waarlik in geenerlei zaken, die 't Daghet aangaan, te huis is, eens duchtig over zijnen rikus te varen.[12] Wij hebben het, staat het u of iemand onzer mannen p3niet tegen zelfs gedacht ons antwoord te onderteekenen; als vrije en deftige Limburgers?

Gij weet zeker wel, in 't doorgaan gezeid, dat de tweede Groot-vicaris Mgr. Boogaerts ons ondersteunt en “die oude schoolmeester” is waar gij in den 1sten N° (over Sprokkelmaand) aan geantwoord hebt.[13] Dat blijft gezwegen. —————

Over den kabouter; tijdschrift, enz. Ik heb met den hoofdopsteller (of eenigste opsteller?!) Hr. Lod. Plessers, tot hier toe Student in de Rechten,[14] (1) met een jaar of zoo wat advocaat,) over zes jaren als vriend en makker omgegaan. Sedert dien heb ik niets meer over hem vernomen, 't en zij dat hij ”schrijver van met Tijd en Vlijt“ is.[15] Verleden jaar nogtans heb ik van hem nen brief ontvangen, met zijne beeltenis, waarin hij mij bedankte van hem “flamingant” gemaakt te hebben van franskillon[16] dat hij waarlik vroeger was (?!)

(1) Paus-collegie, Leuven.p4Hij aanziet het Daghet als eenen “oudheidskundigen boek”, die voor de vlaamsche beweging weinig méér uitricht als b.v. eene geschiedenis van dit of dat dorp. Hij wilt het “heilig vuur”, onder de limburgsche jonkheid brengen of onderhouden.

Omdat hij ons, als priesters, en als echte dietschers bemint en eerbiedigt zal hij “hem weinig of niet met het Daghet” bemoeien in zijn tijdschrift. - Hij moet min of meer voor de volkstaal zijn, maar zal daar niet over twisten, denk ik.[17] Hij is van zin de Vl. Vlagge na te volgen, ja! zooveel mogelik te vechten en te taggen.[18] —————

De mannen van 't Daghet hebben 1° 't eerste in geschreven op zijn blad, 2° A. Cuppens en ik, zijn zijne oude vrienden - en daarom zullen wij bij hem nog al wat te zeggen hebben (?!) - Gij zelf zult hem min of meer konnen beteugelen op deze voorwaarde: (a) dat ge zijn braaf vlaamsch (misschien te vurig hert) niet misprijst; maar . . . . . prijst; (b) dat ge hem geene lessen vóór spelt: maar als een medemakker behandelt en hemp5uwen goeden raad, als een makker in den vlaamsche strijd, mededeelt.

Dat lijnken onder medemakker en makker hebt ge begrepen. - Wat ik u zeg hebt ge reeds te werken gesteld met ons, (daar was het zoo erg niet vandoen,) maar denk na. a.u.b. dat de Hr Plessers, geen priester of Seminarist en is, - dat hij veel geteld is, en dat weet hij zeker, bij zijn Leuvensche “cameraden” . . . . . . .

Ik hoop van U, dat ge hem op de een of andere wijze zult helpen (ik meen te weten, of heb ik het mis? dat uwe werken, waar door hij u kent, niet heel en al gewaardeerd naar waarde geschat zijn) maar op zes jaren kan hij heel wat veranderd zijn, wi ik, die u met heel uwe volkstaal aldoen verachtte en bespotte (dat heeft mij op den rechten en echten weg gebracht en hem misschien ook). O! wat eene nette parenthesis! Gij p6zult hem als een vriend (wat ben ik een lomperik als ik het nog eens zeg, want ge weet wat ik mein) doen begrijpen, dat hij . . . . met vuur mag en moet vooruit gaan, maar . . . . . . dat stil werken en zacht laten gevoelen somtwijlen beter middelen (konnen) zijn als aanvallen en kijven en razen.

A. Cuppens heeft mij vandaag nog gezeid, dat hij niet verwonderd zoudt zijn, begon de Kabouter in dezen trant:

“A. Cuppens en Coob Lenaerts; zitten als capelaans daer en daer! Waarom?” enz.[19]

Dat denk ik niet - ten minste voor de eerste keeren - en tusschen dit en dien datum raken wij (en gij?) in onderhandeling met L. Pl.p7Voor 't Daghet zien we met recht uit naar B.B.[20] d.i. Balthasar Broers die ongelukkiglik ziek ligt sedert twee jaren, maar dien wij (Cup. en ik) toekomende dinsdag zullen bezoeken,

naar “Nonk” dit is Willem Onclin,[21] die verre af (Petit Rechain) en onder onze handen uit zit te koekeloeren met . . . . A. Lewylle (Vlamertinghe) dien we niet aan 't werk krijgen en konnen,

naar eenen Student van 't Groot Seminarie “Winters” die over “'t Kruis”[22] geschreven heeft, wat zal uit komen; en W. Coopmans,[23] die met mij in 't Seminarie, al was en drie of vier jaren verschil, meedeed in 't opzoeken en nagaan der limburgsche woorden wendingen en zegwijzen. . . . . . . .

Ik zou ze, tegen E.H. P. Daniëls in, (en spraken wij er eens over, hij zou mij misschien gelijk geven) als mede-p8hoofdopstellers[24] van 't Daghet willen aanschouwen, en ze laten werken zooveel of zoo weinig als ze konnen.

't Daghet houdt goed stand: 1) inschrijvers genoeg (360 of zoo wat) 2) opstellen genoeg; we zijn van zin de mededeelingen uit Antwerpen, Lier, Turnhout, enz. dus: uit vreemde gouwen, ook over te drukken “ze vergelijkende met de Limburgsche Dichtveerdigheid”[25] (want het is meestendeels dichtveerdigheid) 3) Als 't lukt zullen we met het begin van den 4den jaargang nen anderen Drukker nemen,[26] J. Leenen te St Truiden, die ons 't ding drukt (a) op tijd, (b) met bijvoegsels, voor 100 frs. minder als Ceyssens in ‘t jaar (N.B. zijne drukkerij hiet St Lutgardis drukkerij)

Nu, gegroet uit den grond van 't hert en verschooning (?) gevraagd over mijn gekribbel — ik heb nog nooit eenen deftigen brief konnen schrijven en ik zeg: mea culpa, mea maxima culpa.[27]

LWJLenaerts.

Noten

[1] August Cuppens diende van 1886 tot 1888 als onderpastoor van Ans.
[2] Op 3 juni 1887 werd Van De Putte benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik.
[3] Praten.
[4] Verscheen op 1 februari 1888.
[5] De Salesius-bode had eerder, in 1887, aanklachten gepubliceerd tegen ’t Daghet in den Oosten waarin vooral het streven naar het gebruik van de volkstaal in plaats van het letterkundig Nederlands werd afgekeurd. (Zie ook vorige brief van J. Lenaerts aan G. Gezelle). De artikels waren van de hand van Timmermans. O.m. Onze Taal. In: De Salesius-Bode: 8 (15 oktober 1887) 42, p. 669-670. Polydor Daniëls vat de inhoud van dit artikel samen in zijn brief van 01/11/1887 aan G. Gezelle o.m.: “Wij kunnen - men vergeve ons onze eenvoudigheid! - wij kunnen maar volstrekt niet begrijpen wat voordeel de Vlaamsche beweging kan trekken uit het gewoel en gewar der voorstanders van de zoogezegde volkstaal, die graag onze taal tot de taal van de 13e of 14e eeuw zouden willen terug brengen, of in elk kanton, misschien wel in elke gemeente, een dialect invoeren? Dit moge eene heropbouwing van Babel's toren zijn; iets anders ontwaren wij niet in dat taalbederf, al geeft men voor een gloriezon aan de oosterkim te doen verrijzen. (Dees leste is onderstreept in den Bode) “ De redactie van ’t Daghet in den Oosten wilde een tegenaanval publiceren. In zijn antwoordbrief aan Polydor Daniëls adviseert Gezelle om niet op de aanval te antwoorden en gewoon voort te doen, want met de volkstaal gaat het goed. Er volgt nog een aanval op 10 december 1887: Marie Hubert Timmermans, Dialect en volkstaal, In: De Salesius-Bode: 8 (10 december 1887) 50, p. 795-796. Het is een spottend en polemisch artikel gericht tegen ’t Daghet in den Oosten.

Een late reactie op de aanvallen van Timmermans volgt dan toch in: Vrijheid-Blijheid. In: ’t Daghet in den Oosten: 8 (1892) 3-4, p. 24-30.

[6] August Cuppens.
[7] Leonard Willem Jakob Lenaerts.
[8] Willem Onclin, werd in 1885 onderpastoor in Petit Rechain. Dit tot 6 januari 1888, dan werd hij benoemd tot onderpastoor in Peer.
[9] In 1887 was Arthur Lewylle onderpastoor in Verviers, en dat tot juli 1888 toen hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik werd. Hij werd onderpastoor in Verviers begin 1885.
[10] Als.
[11] Gaat over dit artikel: Marie Hubert Louis Innocent Timmermans, Onze Taal. In: De Salesius-Bode: 8 (15 oktober 1887) 42, p. 669-670.
[12] Een late reactie op de aanvallen van Timmermans volgt in ’t Daghet in den Oosten: Vrijheid-Blijheid. In: ’t Daghet in den Oosten: 8 (1892) 3-4, p. 24-30.
[13] Die Oude Schoolmeester (Constantinus Josephus Bogaerts), Uit boeken, brieven en bladeren. In: ’t Daghet in den Oosten: 1 (1885) 4, p. 25-28.
[14] Lodewijk Plessers studeerde rechten in Leuven vanaf 1884. Deze studies onderbrak hij tijdelijk van 1889 tot 1891, maar zijn tweede poging tot afstuderen was tevens zonder succes.
[15] Lodewijk Plessers was secretaris en auteur bij Met Tijd en Vlijt van 1886 tot 1888.
[16] Een Vlaming die het Frans als hoofdtaal gebruikt of beschouwt.
[17] Plessers, zowel in de Kabouter als in de pamfletten die hij schreef voor Met Tijd en Vlijt, was een groot voorstander van het gebruik van de volkstaal en de vernederlandsing van het onderwijs. De leuze van de Kabouter was dan ook toepasselijk :”In Vlaanderen Vlaams”.
[18] ”Kijven, krakeelen, kibbelen, ruziemaken”: L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon. Brugge: Boek- & Steendrukkerij Edw. Gailliard & Comp., 1873.
[19] Veel Vlaamsgezinde priesters uit Limburg werden in Wallonië tewerkgesteld.
[20] In het januarinummer van 1887 verscheen dit artikel: B.B, Van de wilde jacht. In: ’t Daghet in den Oosten: 2 (1887) 24, p. 191. Het gaat over een heksenjacht.
[21] Onclin schreef o.m. deze bijdragen: Limburgsche dichtveerdigheid. De zegge van Korenbloms man. In: ’t Daghet in den Oosten: 2 (1887), 24, p. 188-189 en

‘Limburgsche dichtveerdigheid. De zeg van Breek-ijzer-en staal en van Gouwer-als-de wind. In: ’t Daghet in den Oosten: 3 (1887) 2-3, p. 9-15.

[22] J.M. Winters, Zeden, Zeggen en Gebruiken – Het Kruis. In: ’t Daghet in den Oosten: 4 (1888), p. 91-94.
[23] Er werden in 't Daghet in den Oosten geen ondertekende bijdragen van Coopmans teruggevonden. Dit betekent evenwel niet dat hij niet aan het tijdschrift heeft meegewerkt, aangezien de meeste bijdragen ongesigneerd verschenen.
[24] De vier hoofdopstellers van ’t Daghet in den Oosten waren Jakob Lenaerts, August Cuppens, Jan Mathijs Winters en Polydor Daniëls.
[25] Rubriek in ’t Daghet in den Oosten waarin allerlei voordien mondeling overgeleverde verhalen, sagen, gedichten, raadsels, liederen, etc. opgetekend werden.
[26] De drukker blijft Ceyssens.
[27] Vertaling (Latijn): Door mijn schuld, door mijn grote schuld. Komt uit de katholieke schuldbelijdenis (Confiteor). Hier een versterking van zijn verontschuldiging voor ’zijn gekribbel’.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/

Briefschrijver

NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamVal-Saint-Lambert

Naam - persoon

NaamBroers, Balthasar; Broers, Balthazar; B.B.
Datums° Moelingen, 06/01/1861 - ✝ Eijsden, 24/10/1918
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
VerblijfplaatsNederland
BioBalthasar Broers werd geboren in Moelingen (Voeren) op 6 januari 1861, als zoon van Balthasar Broers en Maria Catharina Janssen. Tijdens zijn studies aan het groot Seminarie van Luik was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. Hij werd priester gewijd op 19 juni 1886 in Luik. Op 17 oktober 1895 werd hij benoemd tot pastoor van de parochie Sint-Jan Baptist in Herstappe, een functie die hij waarnam tot 1904. Balthasar Broers overleed in Eijsden (Nederland) op 24 oktober 1918.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, dl. I, p. 38; Geneanet
NaamCeyssens, Michiel
Datums° Beringen, 29/01/1833 - ✝ Hasselt, 11/01/1927
GeslachtMannelijk
Beroepboekhandelaar; boekdrukker
BioMichiel Ceyssens was Hij werd geboren op 29 januari 1833 te Beringen als zoon van Jean Arnold, notaris en burgemeester (Eksel 1788 – Beringen 1846), en Carolina Bellefroid (Genk, 1794 – Hasselt 1866). Hij werd boekhandelaar en drukker en zette de drukkerszaak van zijn in 1866 overleden broer Henri Joseph verder samen met zijn jongere broer Pierre Alphonse. In 1866 en 1867 kocht hij twee Hasseltse drukkerijen, ‘Den Gulden Kelck’ in de Nieuwstraat en ‘Den Yseren Kerf’ in de Demerstraat, op om de bladen “Le Constitutionnel du Limbourg Belge” en “De Onafhankelyke der Provincie Limburg” uit te geven. Tevens drukte en publiceerde hij het taal- en volkskundige magazine “’t Daghet in den Oosten”, waarmee Guido Gezelle nauw verbonden was, van 1885 tot 1910, waarna hij het beheer van zowel zijn populaire boekenwinkel op de Grote Markt als de drukkerij in de handen zijn zoon Jules Ceyssens legde. 17 jaar later, in 1927, stierf Michiel Ceyssens in Hasselt.
Relatie tot Gezelleadressenlijst Cordelia Van De Wiele; drukker van 't Daghet in den Oosten
Bronnen https://www.hasel.be/ceysens-michiel-1833-1927; Ward Segers, Letteren & Woord: Een onderzoek naar het literair erfgoed van Hasselt. S.l.: s.n., 2013; Anny Corens, 't Daghet in den Oosten Limburgs tijdschrift uit de 19e eeuw - taalkunde, folklore, letterkunde. Antwerpen: Centrum voor Studie en Documentatie, Antwerpen, 1971
NaamCuppens, August
Datums° Beringen, 28/05/1862 - ✝ Loksbergen, 01/05/1924
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; dichter
BioAugust Cuppens werd geboren te Beringen op 28 mei 1862 als zoon van Maria Rosalia Bosmans en postbode Antoon Cuppens. Na zijn kleinseminarie in Sint-Truiden studeerde Cuppens aan het grootseminarie in Luik. Hij werd er priester gewijd op 9 april 1886. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde' en verzamelde Limburgse woorden voor Guido Gezelle. In 1885 al stichtte hij samen met zijn medestudenten Jacob Lenaertst en Jan Mathijs Winters het tijdschrift “‘t Daghet in den Oosten”. Hij was onderpastoor te Ans vanaf zijn wijding. In 1888 werd hij onderpastoor te Verviers, in 1895 rector van de Armenzusters in Luik, en in 1899 terug in Limburg wordt hij pastoor in Loksbergen. Vlaamse kunstenaars en schrijvers kwamen bij hem vaak over de vloer (Verriest, Streuvels, Belpaire, Nahon…) en hij onderhield een levendige briefwisseling met Guido Gezelle en Maria Belpaire. Hij schreef proza, poëzie en toneel en publiceerde vele bijdragen in literaire tijdschriften. Zijn Frans was hoogstaand, zo vertaalde hij 58 gedichten van Gezelle naar het Frans. Hij was medeoprichter van “Dietsche Warande en Belfort” en speelde een voorname rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Hij overleed te Loksbergen op 1 mei 1924.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; Limburgsch Zantersgildeken; adressenlijst Cordelia Van De Wiele; ’t Daghet in de Oosten; studentenbeweging
NaamDaniëls, Polydoor; Broeder Elias
Datums° Diest, 20/12/1845 - ✝ Hoeilaart, 05/12/1944
GeslachtMannelijk
Beroeppriester, leraar; huiskapelaan; archivaris
BioPolydoor Daniels werd op 20 december 1845 geboren te Diest. Hij volgde een priesteropleiding aan de seminaries van Sint-Truiden en Luik. Na zijn priesterwijding op 3 juni 1871 gaf hij les aan de colleges van Huy en Saint-Roch te Ferrières. Omwille van zijn zwakke gezondheid werd hij in 1876 huiskapelaan bij baron de Villenfagne de Vogelsanck te Zolder. Die bood hem een stimulerende intellectuele omgeving. Daniëls legde zich toe op historisch en filologisch onderzoek. Samen met August Cuppens en Jacob Lenaerts stichtte hij het taal- en volkskundig tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" (1885) dat sterk onder invloed van Gezelle stond en de Limburgse studentenbeweging steunde. Zo kwam hij in contact met Gezelle die de eerste jaargangen nazag. Daniëls werkt mee aan de Woordentas en "Loquela". Hij was tevens medestichter van "Het Belfort", van "De Banier" en van het historische tijdschrift "L'Ancien Pays de Looz". Na de dood van baron de Villenfagne in 1904 werd hij benoemd tot bestuurder van de broeders van Liefde in Hasselt en tot rector van het Begijnhof. In 1909 werd hij archivaris en conservator van het Stedelijk Museum van de stad Hasselt. In 1939 ging hij met pensioen te Hoeilaart. Hij stierf er op 3 december 1944.
Links[odis]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter (WDT)
Bronnen https://hasel.be/dani%C3%ABls-polydoor-1845-1944
NaamLenaerts, Leonard Willem Jakob
Datums° Zonhoven, 30/04/1862 - ✝ Landen, 16/12/1913
GeslachtMannelijk
Beroepdichter; priester; kapelaan; pastoor; legeraalmoezenier
BioJacob Lenaerts werd geboren te Zonhoven op 30 april 1862. Zijn ouders overleden toen hij nog zeer jong was en hij werd opgevoed door zijn heeroom Willem Arnold Lenaerts, pastoor-deken van Vlijtingen. Hij volgde de humaniora in het seminarie van St.-Roche in de provincie Luik en studeerde daarna wijsbegeerte aan het kleinseminarie te St.-Truiden. Als seminarist was hij lid van het 'Limburgsch Zanterkesgilde'. In 1884 stichtte hij als seminarist, samen met August Cuppens en op impuls van Gezelle, "’t Daghet in den Oosten" (1885-1914), een taal- en volkskundig weekblad voor de provincie Limburg. In 1886 werd hij priester gewijd en aangesteld als kapelaan in Val-Saint-Lambert. Op 30 mei 1890 werd hij vervolgens aangesteld als hulpmoezenier van het legerkamp Beverlo. In 1898 werd hij pastoor in Bevingen-Halmaam (St.-Truiden). Van 1901 tot 1904 was hij pastoor te Membruggen en van 1904 tot 1913 pastoor-deken te Landen, waar hij overleed op 16 december 1913. Lenaerts schreef talrijke artikels over taal- en volkskunde, lokale geschiedenis en hagiografie. Zijn meest geslaagde publicatie is "De Verdwijning der Auwelen" (1890). Hij verwerkte hierin, onder invloed van Gezelle, oude sprookjes en sagen.
Links[odis], [dbnl]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; correspondent; studentenbeweging
Bronnen https://nevb.be/wiki/Lenaerts,_Jacob_(eigenlijk_Leonard_W.J.); https://schrijversgewijs.be/schrijvers/lenaerts-jacob/
NaamLewylle, Arthur
Datums° Vlamertinge, 15/01/1860 - ✝ Ukkel, 31/12/1914
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioArthur Lewylle was de zoon van Julia Bulteel en marktkramer Petrus Lewylle. Hij studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en had er de priesters Edmond Houtave als principaal en Frans Boudeweel als titularis in de twee laatste jaren. Hugo Verriest verving Houtave tijdens de retorica van Arthur Lewylle. Voor de prijsuitreiking schakelde Verriest de enscenering in van Albrecht Rodenbach voor een Nederlandstalige opvoering, half augustus 1879. Door de gunstige Vlaamsgezindheid in het college was Arthur Lewylle een geëngageerde filosofiestudent aan het kleinseminarie van Roeselare. Dat kwam hem duur te staan, hij werd weggestuurd door superior Delbar, en meteen kon hij zijn priesterstudies niet verderzetten. Verriest zorgde ervoor dat dit wél kon, in Sint-Truiden voor dat ene jaar filosofie en de resterende jaren theologie in Luik. Ondertussen overleed Rodenbach en Lewylle wou hem herdenken in Sint-Truiden. Dit verbaasde zijn Limburgse medeseminaristen. Hij leerde hen niet alleen Rodenbach en de Blauwvoeterij, maar ook en vooral Gezelle kennen. Correspondentie volgde, de Limburgsch Zantersgildeken kwam er en zelfs het tijdschrift ’"t Daghet in den Oosten" (1885-1914). Voor zijn priesterwijding te Luik op 20 december 1884 kreeg hij een gedicht van Gezelle toegestuurd: 'Het teeken des vreden'. Ook voor zijn eerste mis te Vlamertinge op 23 december 1884 schreef Gezelle een gedicht: "Het land van uw’ geboorte ‘t is". Daarna begon een carrière voor Arthur Lewylle van onderpastoor tot pastoor binnen het bisdom Luik. Begin 1885 werd hij onderpastoor in Verviers, een functie die hij uitoefende tot juli 1888. Dan werd hij onderpastoor van Saint-Gilles in Luik. Later was hij werkzaam in Laar in Vlaams-Brabant en in Halen in Limburg. In augustus 1897 werd hij benoemd tot pastoor in As in Limburg.
Links[odis]
Relatie tot GezelleLimburgsch Zantersgildeken; 't Daghet in den Oosten; gelegenheidsgedichten
NaamPlessers, Lodewijk; Plessers, Joannes Ludovicus; Plessers, Lode; Roderik; Bieken Van Hei; Krouwer; Zwarte Krouwer
Datums° Niel-bij-As, 06/03/1862 - ✝ Amersfoort, 05/08/1915
GeslachtMannelijk
Beroepstudiemeester; publicist; dichter; auteur
VerblijfplaatsFrankrijk; Argentinië
BioLodewijk Plessers werd op 6 maart 1862 geboren in het Limburgse Niel-bij-As. Hij liep zijn middelbaar onderwijs aan het gemeentelijk college in Beringen en aan het college in Saint-Roch (Ferrières). In dit laatste college, waar toen jonge Limburgers zoals August Cuppens en Jacob Lenaerts, studeerden, werd hij Vlaamsgezind. Vervolgens volgde hij wijsbegeerte aan het Klein Seminarie van Sint-Truiden. Net als zijn medestudenten maakte hij er kennis met het werk van Guido Gezelle. Hij werd ondervoorzitter van Utile Dulci, maar zijn kritiek op het gebrek aan strijdvaardigheid en Vlaamse bewustwording leidde tot tegenstand en het consilium abeundi. Vervolgens ging hij rechten studeren aan de KU Leuven. Hij gaf zijn rechtenstudies naar eigen zeggen op om leerkracht te worden, en verbleef in 1889 dan ook in Parijs, en later in Argentinië, als huisleraar. In 1891 probeerde hij zijn rechtenstudie in Leuven opnieuw, maar zonder resultaat. Vanaf datzelfde jaar werkte hij als studiemeester aan de athenea van Hasselt, Antwerpen en Brugge. In Leuven werd hij twee jaar op rij secretaris van het Vlaamsgezinde studentengenootschap ‘Met Tijd en Vlijt’. In 1885 richtte hij er samen met onder anderen Arnold Hendrix de Limburgse gouwgilde op, en in 1888 werd hij ondervoorzitter van het Vlaamsch Rechtsgenootschap aan de universiteit van Leuven. Van 1886 tot 1888 organiseerde hij in Limburgse steden de Limburgse studentengouwdagen. Deze waren effectief: kort na 1888 spraken de aanwezige provincieraadsleden J. Byvoet en P. Voets Nederlands in het anders Franstalige provinciebestuur. In 1886 publiceerde hij in Hasselt anoniem een pamflet getiteld Geen Verbastering, waarin hij zijn ideeën over de Vlaamse beweging uiteenzette. Wellicht zijn grootste verdienste was het stichten van het tijdschrift “De Kabouter uit het Land van Loon” in 1888. Het blad, dat zich richtte op de vernederlandsing van het onderwijs en Vlaamse katholieke waarden zoals de Kerk en het gezin, werd de spreekbuis van de Limburgse studentenbeweging in Leuven. Het bood Plessers ook een platform aan om zijn gedichten en liederen te publiceren. Het blad zou niet meer uitgegeven worden na 1896, een jaar nadat Plessers zelf vertrok bij de redactie. In 1905 trad hij om gezondheidsredenen terug uit zijn functie als studiemeester en vestigde zich vervolgens in As. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij als vluchteling opgenomen in het Sint-Elisabethgasthuis te Amersfoort in de Nederlandse provincie Utrecht, waar hij na een ziekte in 1915 overleed.
Relatie tot Gezellecorrespondent; Studentenbeweging
Bronnen https://encyclopedievlaamsebeweging.be/nl/plessers-lodewijk; Asser- en Nielerstraatnamen. In: Het Aldegondisklokje: 2 (1983) 2
NaamVan De Putte, Rykhart; Van De Putte, Richardus; Van De Putte, Rijkhaard, Van De Putte, Richard; Aerdryck (uit den Oosten)
Datums° As, 21/10/1861 - ✝ Sint-Truiden, 18/11/1932
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; pastoor
BioRykhart Van De Putte werd geboren te As op 21 oktober 1861 als oudste zoon van Désiré Van De Putte (°1831) en Maria Catharina Nys (1823-1894). Na de benoeming van zijn vader tot maréchal de logis (wachtmeester) te Ieper volgde Rykhart er zijn humaniorastudies aan het Sint‑Vincentiuscollege. In 1882-1883 studeerde hij filosofie aan het kleinseminarie te Roeselare. Hij begon zijn theologieopleiding in het grootseminarie van Brugge en zette vanaf de lente 1884 zijn studies verder aan het grootseminarie te Luik, waar hij lid werd van 'het Limburgsch Zantersgildeke'. In de zomervakantie van 1884 verbleef hij twee dagen bij Guido Gezelle te Kortrijk waarbij ze samen de regels van het op te richten tijdschrift "'t Daghet in den Oosten" bespraken. Van De Putte was dan ook actief betrokken bij de oprichting van dit studenblad en stond lange tijd in voor de praktische organisatie van het drukwerk en de inschrijvingenvan het blad. Na zijn priesterwijding in het bisdom Luik droeg Van de Putte op 21 december 1886 zijn eremis op te As. Op 3 juni 1887 werd hij benoemd tot onderpastoor van de Sint-Servaaskerk in Luik. Hij woont er in de Volièrestraat vlak bij de kerk. Later werd hij benoemd tot pastoor van de Sint-Jan-de-Doperkerk in Binderveld, een dorp in Noord-Haspengouw. Van De Putte overleed te Sint-Truiden op 18 november 1932.
Links[dbnl]
Relatie tot Gezellecorrespondent; zanter; studentenbeweging
BronnenE. Koninckx, De priesters van het bisdom Luik (1825-1967), Liège: E. Koninckx, 1974-1975, II, p. 320; Geneanet
NaamRutten, Martin Hubert
Datums° Geistingen, 17/12/1841 - ✝ Luik, 17/07/1927
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; directeur; vicaris-generaal; bisschop
BioMartinus Rutten, geboren als zoon van Jan Rutten, landbouwer, en Petronella Zegers, was een Belgische bisschop van het bisdom Luik van 1902 tot zijn overlijden op te Luik op 17/07/1927. Hij werd in 1867 te Luik tot priester gewijd. Van 1873 tot 1877 was Rutten directeur van het kleinseminarie van Saint-Roch, waar hij als flamingant een Vlaamsgezinde invloed uitoefende op vele leerlingen (o.a. August Cuppens), en in 1875 een Davidsfondsafdeling stichtte. Daarna werd hij vicaris-generaal te Luik (1879-1910). Tijdens de schoolstrijd (1879-1884) speelde hij een vooraanstaande rol in de verdediging van het katholieke onderwijs. Op 2 januari 1902 werd hij tot bisschop van Luik gewijd. Hij moedigde de kennis van het Nederlands bij scholieren en volwassen aan, en streefde naar vernederlandsing van het onderwijs in Vlaanderen, zij het niet in het secundaire, dan toch in het hoger onderwijs. In 1894 steunde hij financieel de oprichting van het Brusselse dagblad Het Vlaamsche Volk. Na W.O. I onderschreef hij het minimumprogramma van Frans van Cauwelaert, ook al was hij niet met alle punten ervan akkoord, en verspreidde de eis tot uitvoering van koning Alberts beloften aan de Vlamingen. Met kardinaal Mercier stond hij, om politieke redenen, op gespannen voet. In 1920 werd hij nationaal erevoorzitter van het Davidsfonds en erevoorzitter van het eerste Katholiek Vlaamsch Congres. Rutten bleef wel trouw aan de Belgische eenheid en waarschuwde voor een toenemend anti-Belgisch radicalisme binnen de Vlaamse studentenbewegingen (1920-1925). Door zijn toedoen keerden de Limburgse studentenbewegingen zich af van het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS) en op 11/10/1925 ondertekende hij samen met de andere bisschoppen de veroordeling van het Vlaams-nationalisme.
Links[wikipedia]
NaamDoutreloux, Victor Joseph
Datums° Chênée, 18/05/1837 - ✝ Luik, 24/08/19012
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; bisschop
BioVictor Joseph Doutreloux werd geboren op 18 mei 1837, maar verloor als zevenjarige zijn ouders, waardoor hij onder de voogdij van zijn oom geplaatst werd. Hij liep school aan het collège Marie-Thérèse de Herve, het Kleinseminarie van Sint-Truiden en het Grootseminarie van Luik. Na studies aan de Gregoriaanse Universiteit van Rome werd hij tot priester gewijd op 23 februari 1861. Bij zijn terugkeer naar België werd Doutreloux directeur van verschillende religieuze onderwijsinstellingen, waaronder het Kleinseminarie van Sint-Truiden en het Grootseminarie van Luik. Bij de dood van toenmalige bisschop van Luik, Théodore de Montpellier werd de benoeming van Doutreloux tot 86ste bisschop van Luik een feit. Zijn bisschoppelijk beleid was sterk sociaal betrokken, en hij poogde dan ook om via allerlei initiatieven de katholieke elite en de sociale arbeidersklasse nauwer te verbinden. Hoewel hij Flamingante propaganda en verenigingen verbood onder studenten van katholieke colleges, aangezien hij vreesde dat dit de scholierenpopulatie zou kunnen verdelen, stond hij progressief tegenover het gebruik van volkstaal in het onderwijs, en gaf hij de schoolbesturen en lerarenkorpsen in zijn bisdom vrijheid op dit vlak. Hij overleed te Luik op 24 augustus 1901.
Links[odis], [wikipedia]
BronnenEncyclopedie van de Vlaamse Beweging
NaamBogaerts, Constantinus Josephus; Die oude schoolmeester
Datums° Paal, 31/01/1812 - ✝ Zonhoven, 17/02/1891
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; directeur; diocesaan inspecteur; pastoor; : vicaris-generaal; erekanunnik; erekamerheer van de Paus
BioJosephus Constantinus Bogaerts werd op 31 december 1812 geboren in Paal in een landbouwersgezin. In 1830 begon hij aan zijn schoolloopbaan in theologie en filosofie aan het seminarie van Luik, waarna hij op 16 augustus 1835 tot priester gewijd werd. Tevens was hij enkele jaren actief als leraar aan het atheneum te Leuven (1837) en het kleinseminarie te Rolduc (1841). Zijn tijd in Leuven werd gekenmerkt door culturele en literaire inspanningen, zoals bijvoorbeeld het stichten van het studentengenootschap “Met Tijd en Vlijt” en bijdrages aan het blad “De Middelaer”. In 1842 werd hij directeur van de normaalschool in Sint-Truiden. Het jaar daarop werd hij diocesaan inspecteur voor het lager onderwijs in Limburg en in 1846 werd hij ere-kanunnik. Vervolgens was hij van 1849 tot 1852 leraar dogmatiek aan het grootseminarie in Luik en vanaf 1851 de titularis kanunnik van de Luikse kathedraal. In 1853 werd hij secretaris van het bisdom Luik. Hij moest echter een vijf jaar lange rustperiode nemen ten gevolge van spanning en oververmoeidheid. Hij werd daarna in 1858 pastoor te Guigoven. Nadat hij in 1861 benoemd werd tot vicaris-generaal van het bisdom Luik werd hij verheven tot kamerheer van Paus Pius IX. In 1875, nog geen 63 jaar oud, ging hij voorgoed op rust te Zonhoven waar hij op 17 februari 1891 overleed. Tijdens zijn leven was Bogaerts erelid van Utile Dulci in Sint-Truiden. Hij schreef theologische werken en was redactielid van "De School- en Letterbode" tussen 1844 en 1855. Hij ageerde onder het pseudoniem 'Die oude schoolmeester' op het tijdschrift "'t Daghet in den Oosten". Guido Gezelle diende hem van een wederwoord.
Links[odis]
Bronnen https://www.paalonline.be/cms55/item/2432-kanunnik-bogaerts
NaamTimmermans, Marie Hubert Louis Innocent; Timmermans, Louis; Ludovicus
Datums° Sint-Truiden, 01/04/1852 - ✝ Luik, 15/01/1897
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; aalmoezenier
BioMarie Hubert Louis Innocent Timmermans werd geboren op 1 april 1852 in Sint-Truiden als zoon van Adelaide Clooten en Louis Timmermans (Maaseik °1810), onderwijzer en directeur van de Rijksmiddenschool te Sint-Truiden. Hij werd op 8 april 1877 in Luik tot priester gewijd en was verbonden aan het bisdom Luik. Van 1877 tot 1887 was hij onderpastoor van de Heilig Kruiskerk in Luik. Op 28 januari 1887 werd hij benoemd tot hij aalmoezenier van het bejaardentehuis van Vertbois in Luik. Hij was er actief tot 1897. Hij overleed te Luik op 15 januari 1897 op 45-jarige leeftijd.
Links[odis]
BronnenCongrès de oeuvres eucharistiques: (1884); Almanach Royal officiel: (1897)
NaamOnclin, Willem; Onclin, Gulielmus
Datums° Val-Meer, 19/03/1860 - ✝ Munsterbilzen, 23/04/1927
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor
BioWillem (Gulielmus) Onclin werd geboren te Val-Meer op 19 maart 1860. Hij volgde zijn priesteropleiding aan het grootseminarie van Luik en werd op 19 december 1885 te Luik tot priester gewijd. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot onderpastoor in Petit-Rechain en op 6 januari 1888 tot onderpastoor in Peer. In 1896 werd hij pastoor in Gorsem bij Sint-Truiden en in 1915 van de parochie Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming te Munsterbilzen. Hij overleed in Munsterbilzen op 23 april 1927. Hij was tevens medewerker van het Vlaamsgezinde tijdschrift "'t Daghet in den Oosten", waarin hij bijdragen publiceerde onder het pseudoniem "Nonk". Hij overleed in Munsterbilzen op 23 april 1927.
Links[odis]
Relatie tot GezelleStudentenbeweging
Bronnenbidprentje; Geneanet
NaamWinters, Jan Mathijs
Datums° Genk, 21/09/1864 - ✝ Hasselt, 31/08/1935
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; pastoor; redacteur; letterkundige; volkskundige; dichter
BioJan Mathijs Winters werd in 1864 geboren als zoon van een boer, die tevens een herberg en winkel bezat, als jongste van 12 kinderen. Hij was de enige overlevende zoon. Na het voltooien van zijn humaniora in 1884 zette Winters zijn studies tot priester voort aan de seminaries van Saint-Roch te Ferrières, Sint-Truiden en Luik. Aan het Seminarie van Sint-Truiden leerde hij August Cuppens en Jakob Lenaerts kennen. Winters, veel minder uitgesproken dan zijn kameraden, zou in 1887 toetreden tot de redactie van "'t Daghet in den Oosten", dat hij als een derde van de zogenoemde 'les trois Flamands inséparables' met Cuppens en Lenaerts mee zou helpen stichten. Winters werd op 21 december 1889 tot priester gewijd in Luik. Van 1889 tot1890 was hij kort actief als leraar te Saint-Roch. Hij vervulde daarna diverse priesterambten, als onderpastoor van Alken van 1890 tot 1901, als pastoor van Riemst van 1901 tot 1916, en ten slotte als pastoor van Lummen van 1916 tot 1933. Hij overleed in de Hasseltse Salvatorkliniek op 31 augustus 1935. Wat de gepubliceerde werken van Winters betreft zijn vooral zijn enige dichtbundel, “Leliën der dellingen en bloemen des velds” en zijn onderzoeken naar sagen en legenden van belang.
Links[odis], [wikipedia]
BronnenPaul Leenders, Vijftig Limburgse Profielen. Retie: Kempische Boekhandel (1961), p. 209-211
NaamLeenen, Martin Jozef
Datums° Sint-Truiden, 22/02/1834 - ✝ Sint-Truiden, 08/10/1916
GeslachtMannelijk
Beroepdrukker
BioMartin Jozef Leenen werd op 22 februari 1834 te Sint-Truiden geboren als zoon van bakker Willem Leenen en Gertrudis Hendrickx. Hij genoot een opleiding in Tongeren, maar keerde in 1856 terug naar Sint-Truiden om er als boekdrukkersgast te werken. Daarnaast was hij actief als letterzetter bij de "Gazette van Sint-Truiden". Vanaf 1885 was hij drukker-boekhandelaar in de Ridderstraat. Later vestigde hij in de Hamelstraat de Sint-Lutgardisdrukkerij, die tevens een boekhandel, uitgeverij en papierhandel omvatte. Van daaruit gaf hij onder meer het katholieke volksblad "De Tram" uit, een van zijn belangrijkste verdiensten. Na zijn overlijden in 1916 werd de drukkerij verdergezet door zijn zoon en later ook door zijn kleinzoon, die beiden Jozef Leenen heetten.
BronnenWillem Driesen; Kamiel Stevaux, Wie was wie in Sint-Truiden? Sint-Truiden: Stedelijke Openbare Bibliotheek (2011)
NaamCoopmans, Willem; Coopmans, Gulielmus
Datums° Waltwilder, 13/01/1864 - ✝ Gellik, 21/01/1936
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; onderpastoor; pastoor; aalmoezenier
BioWillem Koopmans werd op 13 januari 1864 geboren in Waltwilder als zoon van Michael Koopmans en Anna Vandooren. Hij volgde zijn priesteropleiding aan het grootseminarie van Luik, waar hij op 22 december 1888 tot priester werd gewijd. Van 1889 tot 1894 was hij onderpastoor in Ouffet, waarna hij van 1894 tot 1897 dezelfde functie vervulde in Lavoir. Vervolgens was hij van 1897 tot 1905 pastoor in Lens-Saint-Servais en van 1905 tot 1923 in Crisnée. In 1923 ging hij met rust in Gellik, waar hij als aalmoezenier verbonden was aan het Sint-Augustinusgesticht van de Zusters van Sint-Jozef. Hij overleed er op 21 januari 1936.
Links[odis]
BronnenGeneanet

Naam - plaats

NaamAntwerpen
GemeenteAntwerpen
NaamLeuven
GemeenteLeuven
NaamLier
GemeenteLier
NaamSint-Truiden
GemeenteSint-Truiden
NaamTurnhout
GemeenteTurnhout
NaamVlamertinge
GemeenteIeper
NaamLuik
NaamAns
NaamVal-Saint-Lambert
NaamVerviers
NaamPetit-Rechain

Naam - instituut/vereniging

NaamMet Tijd en Vlijt
BeschrijvingHet Leuvense Nederduytsch Tael- en Letterlievend Genootschap 'Met Tijd en Vlijt' is het oudste literair-cultureel studentengenootschap in Vlaanderen, gesticht door Emmanuel van Straelen in 1836. De voorzitter was steeds een hoogleraar. Van bij het begin waren het illustere namen als J.B. David (1838), Pieter Willems (1866) en Paul Alberdingk-Thijm (1898). Actieve leden waren o.m. Eugeen van Oye, Albrecht Rodenbach en Pol de Mont. Het genootschap telde aanvankelijk drie afdelingen, nl. voor letterkunde, voor geschiedenis en voor wetenschappen, vanaf 1866 aangevuld met een ‘redekundige’ afdeling voor het gesproken woord. In de beginjaren steunde het genootschap tal van Vlaamse initiatieven en kwam het op voor het gebruik van het Nederlands in onderwijs, bestuur en gerecht. Door een meningsverschil tussen Willems en Alberdingk-Thijm kwam er rond 1876-77, na de oprichting van het Davidsfonds in 1875 als antwoord op het liberale Willemsfonds, ook verdeeldheid bij de studenten, waarbij Rodenbach en de West-Vlamingen de kant van Thijm kozen, maar de meerderheid van de studenten, onder wie Pol de Mont, de kant van Pieter Willems, die overigens na 1878 Thijm als voorzitter van het Davifdsfonds opvolgde. Na 1900 spitste Met Tijd en Vlijt zich opnieuw toe op wat het oorspronkelijk was: een taal- en letterlievend genootschap, maar geleidelijk aan verloor het zijn aantrekkingskracht bij de brede studentenpopulatie en bleven vooral germanisten over. In 1937 werd het 100-jarig bestaan nog feestelijk gevierd, met o.m. eredoctoraten voor Streuvels, Verschaeve en Van Duinkerken, maar tijdens en onmiddellijk na de tweede wereldoorlog was zijn letterkundige en Vlaamse rol uitgespeeld.
Datering20/10/1836-1945
NaamGrootseminarie Luik
BeschrijvingHet Grootseminarie van Luik werd opgericht als priesteropleiding voor het bisdom Luik in 1592. Sinds 1804 is het gevestigd in de door de Franse Revolutie opgeheven St.-Norbertusabdij van Luik, samen met het Prins-Bisschoppelijk Paleis. Vanaf 1840, na het ontstaan van België, diende het voor de opleiding van priesterstudenten (filosofie en theologie) van de bisdommen Luik en Limburg, tot in 1967 het bisdom Hasselt werd opgericht. Op dit moment is het een onderdeel van het interdiocesaan seminarie Notre Dame te Namen.
Datering1592-heden
NaamPaucollege, Leuven
BeschrijvingHet Pauscollege te Leuven werd gesticht in 1523 door paus Adrianus VI als college voor behoeftige theologiestudenten. In 1776 werd het herbouwd in classicistische stijl volgens de plannen van Ghenne en Louis Montoyer. In 1786 vestigde keizer Jozef II het seminarie-generaal in het college, en van 1825 tot 1830 fungeerde het als filosofisch college onder koning Willem I. Eerder in de 19de eeuw vervulde het kortdurend functies als seminarie en tijdelijk hospitaal tijdens politieke en militaire omwentelingen. Het Pauscollege bleef actief tot 1968 en werd ingericht als pedagogie voor de faculteiten Filosofie, Letteren en Rechten, waar bijna alle kandidaatscolleges werden gegeven. Tevens hadden studentenkringen zoals Met Tijd en Vlijt er hun lokalen. Heden is het een beschermd monument en biedt het moderne huisvesting en pedagogische functies voor Belgische en internationale studenten van de KU Leuven. Het gebouw heeft een vierzijdige structuur rond een binnenkoer en ligt aan het Hogeschoolplein.
Datering1523-1968
Links[wikipedia]
NaamSint-Lutgardisdrukkerij, Sint-Truiden
BeschrijvingDe Sint-Lutgardisdrukkerij (Sint-Truiden) was een drukkerij met uitgeverij, boek- en papierhandel, opgericht en uitgebaat door Martin Jozef Leenen. De onderneming was gevestigd in de Hamelstraat te Sint-Truiden en gaf onder meer vanaf 1893 het katholieke weekblad De Tram uit. Na het overlijden van Leenen in 1916 werd de drukkerij voortgezet door zijn zoon en later door zijn kleinzoon.
Dateringca 1883 - ?

Titel - ander werk

Titelonbekend
Titelt Daghet in den Oosten
AuteurCeysens, L..
Datum1885-
PlaatsHasselt
UitgeverCeyssens
TitelDe Vlaamsche Vlagge (periodiek)
Datum1875-1933
PlaatsBrugge
UitgeverDelplace
TitelDe Kabouter uit het Land van Loon (alias Limburg) (periodiek)
AuteurPlessers, Lodewijk (hoofdredactie); Leën, Eugeen (hoofdredactie)
Datum1888-1898
PlaatsHasselt
UitgeverM.Ceyssens; St-Quintinusdrukkerij
Links[odis]
TitelDe Salesiusbode (periodiek)
Datum1879
PlaatsLuik
UitgeverH. Dessain

Titelxx/[11-12?/1887], Val-Saint-Lambert, Leonard Willem Jakob Lenaerts aan [Guido Gezelle]
EditeurMichael Gijbels; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenMichael Gijbels; Marc Carlier (research); Universiteit Antwerpen, Lenaerts Leonard Willem Jakob aan Gezelle Guido, Val-Saint-Lambert, xx/[11-12?/1887]. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderLenaerts, Leonard Willem Jakob
Ontvanger[Gezelle, Guido]
Verzendingsdatumxx/[11-12?/1887]
VerzendingsplaatsVal-Saint-Lambert
AnnotatieJaartal 1889 van notitie is fout; jaartal en maand gereconstrueerd op basis van de brieftekst: voor het verschijnen van de 4e jrg. van 't Daghet 01/02/1888; reactie op artikel van Timmermans (Onze Taal. In: De Salesius-Bode: 8 (1887) 42, p. 9-10.); adressaat gereconstrueerd op basis van toegevoegde notitie.
Fysieke bijzonderheden
Drager 2 dubbele vellen, 178 mm x 113 mm
papier, wit
papiersoort: 8 zijden beschreven; zijde 3 in twee richtingen beschreven, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden watermerk: de figuur Brittania met helm, drietand en schild Britannia Note
Toevoegingen op zijde 1 links in de bovenrand: Aan G. Gezelle; idem rechts: [1889?] (inkt, beide hand P.A.); idem rechts: 1889? (potlood)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief6091
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.12371
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/b42cc1a3effab6be92d9bbff9d01443b09271d65/manifest
Inhoud
Incipitik heb dezen
Tekstsoortbrief
TalenNederlands
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.