Allerbeste Heer en Vriend,
ik heb dezen morgen uwen brief en uwe zende ontvangen. 't Daghet bedankt u over den boek, en ik heb mij met den arbeid belast van hem drie keeren te lezen. . . . . 't Daghet. . . .? zult ge zeggen: ja! want zijn wij voor onze . . . . flaminganterij tusschen de Walen gestoken, we hebben dan toch ook 't genoegen van allen tusschen de Walen, (ofte bijkans allen) te zitten, en ik heb vandaag, na twee Kristeleeren gedaan te hebben, speeldag gegeven voor mijne drie anderen, om eens met Ans (A. Cuppens)[1] en met St Servaas[2] (R.v.d.Putte) te gaan kallen.[3]
Wij dronken een glas
op den 4den jaarg. van 't Daghet,[4]
Wij plasten een plas,
maar we lieten de zaak toch niet heel wi ze was.
1° Wij hebben ons allen altijd deftig tegenover Bisdom enz. gedragen, p2niemand van de grootte mannen heeft ons iets te verwijten, en daarom staan we vrank en vrij tegenover de Salesius-bode.[5] Nen zekeren schijn, waar gijliês in West Vlaanderen met te doen gehad hebt, hebben we niet te vreezen: Noch Mgr. Rutten, die te verstandig is, noch Mgr. de Bisschop zelf, die ons met een vriendelik händjen ontvangt, omdat hij weet (Ans[6] en Val St Lambert[7] Petit Rechain[8] en Verviers[9]) welke plaatsen wij met liefde en ijver bedienen - wi[10] goede priesters, zelfs na verneukerijen van dezen en genen, 't behooren te doen, - zullen ons verdenken, noch zelfs van nen schijn van tegenstrippelen gebruik maken. . . . en A. Cuppens, die ik de zaak (van antwoorden) overgelaten heb, was van zin den H. Timmermans,[11] die waarlik in geenerlei zaken, die 't Daghet aangaan, te huis is, eens duchtig over zijnen rikus te varen.[12] Wij hebben het, staat het u of iemand onzer mannen p3niet tegen zelfs gedacht ons antwoord te onderteekenen; als vrije en deftige Limburgers?
Gij weet zeker wel, in 't doorgaan gezeid, dat de tweede Groot-vicaris Mgr. Boogaerts ons ondersteunt en “die oude schoolmeester” is waar gij in den 1sten N° (over Sprokkelmaand) aan geantwoord hebt.[13] Dat blijft gezwegen. —————
Over den kabouter; tijdschrift, enz. Ik heb met den hoofdopsteller (of eenigste opsteller?!) Hr. Lod. Plessers, tot hier toe Student in de Rechten,[14] (1) met een jaar of zoo wat advocaat,) over zes jaren als vriend en makker omgegaan. Sedert dien heb ik niets meer over hem vernomen, 't en zij dat hij ”schrijver van met Tijd en Vlijt“ is.[15] Verleden jaar nogtans heb ik van hem nen brief ontvangen, met zijne beeltenis, waarin hij mij bedankte van hem “flamingant” gemaakt te hebben van franskillon[16] dat hij waarlik vroeger was (?!)
(1) Paus-collegie, Leuven.p4Hij aanziet het Daghet als eenen “oudheidskundigen boek”, die voor de vlaamsche beweging weinig méér uitricht als b.v. eene geschiedenis van dit of dat dorp. Hij wilt het “heilig vuur”, onder de limburgsche jonkheid brengen of onderhouden.
Omdat hij ons, als priesters, en als echte dietschers bemint en eerbiedigt zal hij “hem weinig of niet met het Daghet” bemoeien in zijn tijdschrift. - Hij moet min of meer voor de volkstaal zijn, maar zal daar niet over twisten, denk ik.[17] Hij is van zin de Vl. Vlagge na te volgen, ja! zooveel mogelik te vechten en te taggen.[18] —————
De mannen van 't Daghet hebben 1° 't eerste in geschreven op zijn blad, 2° A. Cuppens en ik, zijn zijne oude vrienden - en daarom zullen wij bij hem nog al wat te zeggen hebben (?!) - Gij zelf zult hem min of meer konnen beteugelen op deze voorwaarde: (a) dat ge zijn braaf vlaamsch (misschien te vurig hert) niet misprijst; maar . . . . . prijst; (b) dat ge hem geene lessen vóór spelt: maar als een medemakker behandelt en hemp5uwen goeden raad, als een makker in den vlaamsche strijd, mededeelt.
Dat lijnken onder medemakker en makker hebt ge begrepen. - Wat ik u zeg hebt ge reeds te werken gesteld met ons, (daar was het zoo erg niet vandoen,) maar denk na. a.u.b. dat de Hr Plessers, geen priester of Seminarist en is, - dat hij veel geteld is, en dat weet hij zeker, bij zijn Leuvensche “cameraden” . . . . . . .
Ik hoop van U, dat ge hem op de een of andere wijze zult helpen (ik meen te weten, of heb ik het mis? dat uwe werken, waar door hij u kent, niet heel en al gewaardeerd naar waarde geschat zijn) maar op zes jaren kan hij heel wat veranderd zijn, wi ik, die u met heel uwe volkstaal aldoen verachtte en bespotte (dat heeft mij op den rechten en echten weg gebracht en hem misschien ook). O! wat eene nette parenthesis! Gij p6zult hem als een vriend (wat ben ik een lomperik als ik het nog eens zeg, want ge weet wat ik mein) doen begrijpen, dat hij . . . . met vuur mag en moet vooruit gaan, maar . . . . . . dat stil werken en zacht laten gevoelen somtwijlen beter middelen (konnen) zijn als aanvallen en kijven en razen.
A. Cuppens heeft mij vandaag nog gezeid, dat hij niet verwonderd zoudt zijn, begon de Kabouter in dezen trant:
“A. Cuppens en Coob Lenaerts; zitten als capelaans daer en daer! Waarom?” enz.[19]
Dat denk ik niet - ten minste voor de eerste keeren - en tusschen dit en dien datum raken wij (en gij?) in onderhandeling met L. Pl.p7Voor 't Daghet zien we met recht uit naar B.B.[20] d.i. Balthasar Broers die ongelukkiglik ziek ligt sedert twee jaren, maar dien wij (Cup. en ik) toekomende dinsdag zullen bezoeken,
naar “Nonk” dit is Willem Onclin,[21] die verre af (Petit Rechain) en onder onze handen uit zit te koekeloeren met . . . . A. Lewylle (Vlamertinghe) dien we niet aan 't werk krijgen en konnen,
naar eenen Student van 't Groot Seminarie “Winters” die over “'t Kruis”[22] geschreven heeft, wat zal uit komen; en W. Coopmans,[23] die met mij in 't Seminarie, al was en drie of vier jaren verschil, meedeed in 't opzoeken en nagaan der limburgsche woorden wendingen en zegwijzen. . . . . . . .
Ik zou ze, tegen E.H. P. Daniëls in, (en spraken wij er eens over, hij zou mij misschien gelijk geven) als mede-p8hoofdopstellers[24] van 't Daghet willen aanschouwen, en ze laten werken zooveel of zoo weinig als ze konnen.
't Daghet houdt goed stand: 1) inschrijvers genoeg (360 of zoo wat) 2) opstellen genoeg; we zijn van zin de mededeelingen uit Antwerpen, Lier, Turnhout, enz. dus: uit vreemde gouwen, ook over te drukken “ze vergelijkende met de Limburgsche Dichtveerdigheid”[25] (want het is meestendeels dichtveerdigheid) 3) Als 't lukt zullen we met het begin van den 4den jaargang nen anderen Drukker nemen,[26] J. Leenen te St Truiden, die ons 't ding drukt (a) op tijd, (b) met bijvoegsels, voor 100 frs. minder als Ceyssens in ‘t jaar (N.B. zijne drukkerij hiet St Lutgardis drukkerij)
Nu, gegroet uit den grond van 't hert en verschooning (?) gevraagd over mijn gekribbel — ik heb nog nooit eenen deftigen brief konnen schrijven en ik zeg: mea culpa, mea maxima culpa.[27]







