<Resultaat 2645 van 3122

>

p1
Monsieur Guido Gezelle,
Membre de l'Académie royale flamande, à
Courtrai.
 
p2

MINISTÈRE

DE

L’INTÉRIEUR

ET DE

L’INSTRUCTION PUBLIQUE.

_

ADMINISTRATION

DE

L’ENSEIGNEMENT SUPÉRIEUR, DES SCIENCES

ET DES LETTRES.

_

N° 57

_

N.B. Rappeler dans la réponse la date et le

numéro de la dépêche, ainsi que l’indication de

l’Administration.

_

_

Monsieur,

J’ai l’honneur de Vous informer que je viens d’allouer à Melle Marie De Bo un subside de deux cents francs.[1] Une ordonnance de paiement de cet import parviendra incessamment à votre protégée.

Agréez, Monsieur, l’assurance de ma considération distinguée.
Pour le Ministre:
Le Directeur Général,
CyrvanOverbergh

Noten

[1] Maria De Bo had als huishoudster van haar broer, de deken Leonard, financiële problemen na zijn dood. Door zijn ongeremde vrijgevigheid voor de armen zowel in Elverdinge als in Poperinge, liet hij, tot wanhoop van Marie, grote schulden na. Gezelle met anderen zocht die schulden af te lossen door boekenverkoop en de heruitgave van het Idioticon. Dat hielp. Maar Maria had géén woonst meer en geen inkomen, zij was niet in staat om huurgeld te betalen of in haar levensonderhoud te voorzien. Via Gezelle werd een jaarlijks leefloon van 200 frank verkregen van het Ministerie van Binnenlandse zaken. Af en toe moest hij tussenkomen om de toelage opnieuw te verkrijgen. Uiteindelijk vond Gezelle een woonst voor haar in het Kortrijkse Begijnhof.

Register

Correspondenten - personen

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamVan Overbergh, Cyriel; Cyrille Justin Médard
Datums° Kortrijk, 07/03/1866 - ✝ Elsene, 31/03/1959
GeslachtMannelijk
Beroepkabinetchef; socioloog; politicus; auteur
BioCyriel Van Overbergh, geboren in Kortrijk op 7 maart 1866, was de zoon van handelaar Charles Van Overbergh en Mathilde Rosseeuw. Hij groeide op in een Franstalig gezin en volgde zijn middelbare studies aan het jezuïetencollege Notre-Dame in Doornik. In 1889 behaalde hij zijn doctoraat in de rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Tijdens zijn studententijd was hij actief in de Kortrijkse studentenvereniging De Groeninghergilde en werkte hij onder leiding van professor Joris Helleputte aan een studie over het sociaal katholicisme in het buitenland. Al vroeg engageerde hij zich voor de sociale rechten van arbeiders en vrouwen en zag hij het corporatisme als een antwoord op de sociale vraagstukken van zijn tijd. In 1887 was hij medeoprichter van de Gilde van Ambachten en Neringen in Brugge. Vier jaar later stond hij ook mee aan de wieg van de Kortrijkse afdeling, die hij uitbouwde naar het voorbeeld van de Leuvense gilde van Helleputte. Na zijn studies vestigde hij zich als advocaat aan de balie van Leuven, waar hij stage liep bij Frans Schollaert, de schoonbroer van Helleputte. Via beide politici raakte hij nauw betrokken bij het katholieke sociale en politieke leven. Hij werd commissaris van de Leuvense Volksbank en werkte mee aan de oprichting van de Boerenbond in 1890. In 1892 werd Van Overbergh benoemd tot arrondissementscommissaris van Kortrijk. Twee jaar later werd hij kabinetschef op het ministerie van Justitie in de regering-De Burlet. In 1895 volgde hij minister Frans Schollaert naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij tot 1899 kabinetschef bleef. In die functie onderhield hij onder meer contacten met Guido Gezelle en diens omgeving over culturele subsidies. In 1900 werd Van Overbergh directeur-generaal voor het Hoger Onderwijs, de Kunsten en de Wetenschappen. Vanuit die functie drukte hij een belangrijke stempel op het Belgische onderwijs- en cultuurbeleid. Daarnaast ijverde hij voor vrouwenkiesrecht, de gelijkberechtiging van het vrije en het officiële onderwijs, de invoering van de leerplicht, betere huisvesting en een vooruitstrevende sociale wetgeving. Verder behoorde hij in 1921 tot de initiatiefnemers van het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW). Op 1 september 1894 huwde Cyriel Van Overbergh met Elvire Ameye. Samen kregen zij zeven kinderen. Hij overleed op 31 maart 1959 in Elsene. Als erkenning voor zijn verdiensten werd hij benoemd tot minister van Staat.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; studentenbeweging; Groeninghergilde Kortrijk

Briefschrijver

NaamVan Overbergh, Cyriel; Cyrille Justin Médard
Datums° Kortrijk, 07/03/1866 - ✝ Elsene, 31/03/1959
GeslachtMannelijk
Beroepkabinetchef; socioloog; politicus; auteur
BioCyriel Van Overbergh, geboren in Kortrijk op 7 maart 1866, was de zoon van handelaar Charles Van Overbergh en Mathilde Rosseeuw. Hij groeide op in een Franstalig gezin en volgde zijn middelbare studies aan het jezuïetencollege Notre-Dame in Doornik. In 1889 behaalde hij zijn doctoraat in de rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Tijdens zijn studententijd was hij actief in de Kortrijkse studentenvereniging De Groeninghergilde en werkte hij onder leiding van professor Joris Helleputte aan een studie over het sociaal katholicisme in het buitenland. Al vroeg engageerde hij zich voor de sociale rechten van arbeiders en vrouwen en zag hij het corporatisme als een antwoord op de sociale vraagstukken van zijn tijd. In 1887 was hij medeoprichter van de Gilde van Ambachten en Neringen in Brugge. Vier jaar later stond hij ook mee aan de wieg van de Kortrijkse afdeling, die hij uitbouwde naar het voorbeeld van de Leuvense gilde van Helleputte. Na zijn studies vestigde hij zich als advocaat aan de balie van Leuven, waar hij stage liep bij Frans Schollaert, de schoonbroer van Helleputte. Via beide politici raakte hij nauw betrokken bij het katholieke sociale en politieke leven. Hij werd commissaris van de Leuvense Volksbank en werkte mee aan de oprichting van de Boerenbond in 1890. In 1892 werd Van Overbergh benoemd tot arrondissementscommissaris van Kortrijk. Twee jaar later werd hij kabinetschef op het ministerie van Justitie in de regering-De Burlet. In 1895 volgde hij minister Frans Schollaert naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij tot 1899 kabinetschef bleef. In die functie onderhield hij onder meer contacten met Guido Gezelle en diens omgeving over culturele subsidies. In 1900 werd Van Overbergh directeur-generaal voor het Hoger Onderwijs, de Kunsten en de Wetenschappen. Vanuit die functie drukte hij een belangrijke stempel op het Belgische onderwijs- en cultuurbeleid. Daarnaast ijverde hij voor vrouwenkiesrecht, de gelijkberechtiging van het vrije en het officiële onderwijs, de invoering van de leerplicht, betere huisvesting en een vooruitstrevende sociale wetgeving. Verder behoorde hij in 1921 tot de initiatiefnemers van het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW). Op 1 september 1894 huwde Cyriel Van Overbergh met Elvire Ameye. Samen kregen zij zeven kinderen. Hij overleed op 31 maart 1959 in Elsene. Als erkenning voor zijn verdiensten werd hij benoemd tot minister van Staat.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; studentenbeweging; Groeninghergilde Kortrijk

Briefontvanger

NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]

Plaats van verzending

NaamBrussel
GemeenteBrussel

Naam - persoon

NaamDe Bo, Maria; De Bo, Marie
Datums° Beveren-Leie, 14/08/1828
GeslachtVrouwelijk
BioMaria De Bo is de zus van Leonard Lodewijk De Bo. Ze kwam na zijn dood in financiële problemen door de schulden die hij achterliet. Ze moest op zoek naar een nieuw onderkomen. Er werden oplossingen gezocht om haar te helpen. Aanvankelijk kon zij in Ruiselede verblijven, in een voorlopige woonst dankzij de deken, maar daar moest ze ook weer weg. Zij ontving ondertussen geldelijke steun van Guido Gezelle en Pieter Baes en anderen die een soort noodfonds voor haar financierden en alle schulden van Leonard De Bo afbetaalden, dankzij de heruitgave van zijn Idioticon. Het aanbod van een kleinere woning in Ruiselede werd door haar afgewezen, tot ergernis van Pieter Baes. Uit het adressenboekje dat Cordelia Van De Wiele voor Guido Gezelle bijhield bleek dat ze uiteindelijk in het begijnhof van Kortrijk een onderkomen vond.
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamGezelle, Guido; Loquela; Spoker; Gonsalvo Megliori
Datums° Brugge, 01/05/1830 - ✝ Brugge, 27/11/1899
GeslachtMannelijk
Beroeppriester; leraar; onderpastoor; dichter; taalgeleerde; vertaler; publicist
BioGuido Gezelle werd geboren in Brugge. Na zijn collegejaren en priesterstudies (priesterwijding te Brugge op 10/06/1854), werd hij in 1854 leraar aan het kleinseminarie te Roeselare. Gezelle gaf er onder meer talen, begeleidde de vrij uitgebreide kolonie buitenlandse leerlingen, vooral Engelsen, en kreeg tijdens twee schooljaren (1857-1859) een opdracht als leraar in de poësis. In 1865 werd Gezelle onderpastoor van de St.-Walburgaparochie te Brugge. Naast zijn druk pastoraal werk was hij bijzonder actief in het katholieke ultramontaanse persoffensief tegen de secularisering van het openbare leven in België en als vulgarisator in het culturele weekblad Rond den Heerd. In 1872 werd Gezelle overgeplaatst naar de O.-L.-Vrouwparochie te Kortrijk. Gedragen door een sympathiserende vriendenkring werd hij er de gelegenheidsdichter bij uitstek. Gaandeweg keerde hij er ook terug naar zijn oorspronkelijke postromantische en religieus geïnspireerde interesse voor de volkstaal en de poëzie. De taalkundige studie resulteerde vooral in een lexicografische verzameling van niet opgetekende woorden uit de volkstaal (Gezelles ‘Woordentas’ en het tijdschrift Loquela, vanaf 1881), waarmee ook hij het Zuid-Nederlands verdedigde binnen de ontwikkeling van de gestandaardiseerde Nederlandse cultuurtaal. Die filologische bedrijvigheid leidde bij Gezelle uiteindelijk ook tot een vernieuwde aandacht voor zijn eigen creatief werk, zowel vertaling (Longfellows Hiawatha) als oorspronkelijke poëzie. In 1889 werd hij directeur van een kleine Franse zustergemeenschap die zich in Kortrijk vestigde. Hij was een tijdje ambteloos. Dit liet hem toe zich op zijn schrijf- en studiewerk te concentreren. Het resultaat was o. m. de publicatie van twee poëziebundels, Tijdkrans (1893) en Rijmsnoer (1897), die, vooral in het laatste geval, qua vormgeving en originaliteit superieur van gehalte zijn. Om die authentieke en originele lyriek werd hij door H. Verriest, P. de Mont en vooral door Van Nu en Straks als een voorloper van de moderne Nederlandse poëzie beschouwd. Ook later eerden Nederlandse dichters, zoals Paul van Ostaijen en recenter, Christine D’haen, Gezelle als de meest creatieve en vernieuwende Nederlandse dichter in Vlaanderen. In 1899 werd Gezelle naar Brugge teruggeroepen om zich te wijden aan de vertaling van een theologisch werk van zijn bisschop (Waffelaerts Meditationes Theologicae). Hij verbleef nu in het Engels Klooster van Kanonikessen, waar hij echter vrij vlug en onverwachts stierf op 27 november 1899. Hij liet nog een verzameling uitzonderlijke gedichten na die in 1901 postuum als zijn Laatste Verzen werden gepubliceerd.
Links[odis], [wikipedia], [dbnl]
NaamSchollaert, Frans Victor; Schollaert, François
Datums° Wilsele (Leuven), 18/08/1851 - ✝ Sainte Adresse, 29/06/1917
GeslachtMannelijk
Beroepadvocaat; politicus
BioFrans Schollaert was de zoon van François Schollaert en Jeanne van der Schrieck. Hij promoveerde tot doctor in de rechten en vestigde zich als advocaat aan de balie van Leuven. Hij werd in 1880 verkozen tot provincieraadslid voor de katholieke partij en was van 1888 tot aan zijn overlijden volksvertegenwoordiger en van 1901 tot 1908 en van 1911 tot 1917 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Bovendien was hij van 1908 tot 1911 eerste minister. In 1890 was hij medestichter geweest van de Belgische Boerenbond.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent
NaamVan Overbergh, Cyriel; Cyrille Justin Médard
Datums° Kortrijk, 07/03/1866 - ✝ Elsene, 31/03/1959
GeslachtMannelijk
Beroepkabinetchef; socioloog; politicus; auteur
BioCyriel Van Overbergh, geboren in Kortrijk op 7 maart 1866, was de zoon van handelaar Charles Van Overbergh en Mathilde Rosseeuw. Hij groeide op in een Franstalig gezin en volgde zijn middelbare studies aan het jezuïetencollege Notre-Dame in Doornik. In 1889 behaalde hij zijn doctoraat in de rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven. Tijdens zijn studententijd was hij actief in de Kortrijkse studentenvereniging De Groeninghergilde en werkte hij onder leiding van professor Joris Helleputte aan een studie over het sociaal katholicisme in het buitenland. Al vroeg engageerde hij zich voor de sociale rechten van arbeiders en vrouwen en zag hij het corporatisme als een antwoord op de sociale vraagstukken van zijn tijd. In 1887 was hij medeoprichter van de Gilde van Ambachten en Neringen in Brugge. Vier jaar later stond hij ook mee aan de wieg van de Kortrijkse afdeling, die hij uitbouwde naar het voorbeeld van de Leuvense gilde van Helleputte. Na zijn studies vestigde hij zich als advocaat aan de balie van Leuven, waar hij stage liep bij Frans Schollaert, de schoonbroer van Helleputte. Via beide politici raakte hij nauw betrokken bij het katholieke sociale en politieke leven. Hij werd commissaris van de Leuvense Volksbank en werkte mee aan de oprichting van de Boerenbond in 1890. In 1892 werd Van Overbergh benoemd tot arrondissementscommissaris van Kortrijk. Twee jaar later werd hij kabinetschef op het ministerie van Justitie in de regering-De Burlet. In 1895 volgde hij minister Frans Schollaert naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij tot 1899 kabinetschef bleef. In die functie onderhield hij onder meer contacten met Guido Gezelle en diens omgeving over culturele subsidies. In 1900 werd Van Overbergh directeur-generaal voor het Hoger Onderwijs, de Kunsten en de Wetenschappen. Vanuit die functie drukte hij een belangrijke stempel op het Belgische onderwijs- en cultuurbeleid. Daarnaast ijverde hij voor vrouwenkiesrecht, de gelijkberechtiging van het vrije en het officiële onderwijs, de invoering van de leerplicht, betere huisvesting en een vooruitstrevende sociale wetgeving. Verder behoorde hij in 1921 tot de initiatiefnemers van het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW). Op 1 september 1894 huwde Cyriel Van Overbergh met Elvire Ameye. Samen kregen zij zeven kinderen. Hij overleed op 31 maart 1959 in Elsene. Als erkenning voor zijn verdiensten werd hij benoemd tot minister van Staat.
Links[odis], [wikipedia]
Relatie tot Gezellecorrespondent; studentenbeweging; Groeninghergilde Kortrijk

Naam - plaats

NaamBrussel
GemeenteBrussel
NaamKortrijk
GemeenteKortrijk

Naam - instituut/vereniging

NaamDe Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal en Letterkunde
BeschrijvingDit wetenschappelijk genootschap bestudeert en stimuleert de Nederlandse taal- en literatuur. Na een lange voorgeschiedenis werd het opgericht bij Koninklijk Besluit van 8 juli 1886 als Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. De activiteiten omvatten onder meer maandelijkse bijeenkomsten met wetenschappelijke en letterkundige besprekingen, prijsvragen en publicaties. Guido Gezelle was één van de stichtende leden. Dit was een belangrijke erkenning van zijn werk. Hij was betrokken bij verschillende prijsvragen en schonk ook een deel van zijn boeken aan de academie.
Datering1886-heden
Links[wikipedia]
NaamMinisterie van binnenlandse zaken en openbaar onderwijs
BeschrijvingGuido Gezelle vroeg geregeld subsidies aan bij het ministerie van binnenlandse zaken voor zijn tijdschriften Loquela en Biekorf en voor zijn dichtbundel Rijmsnoer.

Titel07/03/1899, Brussel, Cyriel Van Overbergh aan Guido Gezelle
EditeurKoen Calis; Universiteit Antwerpen
Wetenschappelijke leidingEls Depuydt
Partners Openbare Bibliotheek Brugge (Guido Gezellearchief); Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren); Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Lage Landen (ISLN) (Piet Couttenier, Universiteit Antwerpen); Guido Gezellegenootschap
UitgeverGuido Gezellearchief, KANTL/CTB
Plaats van uitgaveBrugge, Gent
Publicatiedatum2026
Beschikbaarheid Teksten en afbeeldingen beschikbaar onder een Creative Commons Naamsvermelding - Niet Commercieel licentie.
DisclaimerDe editie van de Guido Gezellecorrespondentie is het resultaat van een samenwerkingsproject met vrijwilligers. De databank is in opbouw, aanvullingen en opmerkingen kunnen gemeld worden aan els.depuydt@brugge.be.
Meer informatie over het vrijwilligersproject is te vinden op gezelle.be.
CiterenKoen Calis; Universiteit Antwerpen, Van Overbergh Cyriel aan Gezelle Guido, Brussel (Brussel), 07/03/1899. In: GezelleBrOn, Wetenschappelijke editie van de correspondentie van Guido Gezelle. 2026 Available from World Wide Web: link .
VerzenderVan Overbergh, Cyriel
OntvangerGezelle, Guido
Verzendingsdatum07/03/1899
VerzendingsplaatsBrussel (Brussel)
Fysieke bijzonderheden
Drager 1 dubbel vel, briefomslag: 136 mm x 204 mm; dubbel vel: 345 mm x 214 mm
papier, wit; briefomslag:papier, bruin
papiersoort: 1 zijde beschreven; zijde 1 met adres, inkt
Staat volledig
Vormelijke bijzonderheden papier met briefhoofd: Ministère // de // l'Intérieur // et de // l'Instruction publique. // Administration // de // l'Enseignement supérieur, des Sciences // et des Lettres.
briefomslag bewaard, met adres, afgestempeld, met stempel: Ministère de l'Inté
Toevoegingen op zijde 4 linksboven in de zijrand: 7/3 1899 (inkt, verticaal, hand P.A.); op recto van briefomslag, linksboven: Jw De Bo (potlood, verticaal)
Bewaargegevens
LandBelgië
PlaatsBrugge
BewaarplaatsGuido Gezellearchief
ID Gezellearchief7098 G
Bibliotheekrecordhttps://anet.be/desktop/gga/nl/opacgga/nr=tg:gga_6.13383
IIIF-manifesthttps://go.wander.be/iiif/bibliotheek-brugge/cb992e81e47ba6d5364709b19fbcf40a5f22793e/manifest
Inhoud
IncipitJ'ai l'honneur de Vous informer que je
Tekstsoortbrief
TalenFrans
De tekst werd diplomatisch getranscribeerd, en aangevuld met een editoriale laag.
De oorspronkelijke tekst werd ongewijzigd getranscribeerd; alleen typografische regeleindes en afbrekingstekens, en niet-betekenisvolle witruimte werden genormaliseerd.
Auteursingrepen in de tekst (toevoegingen, schrappingen), en latere redactie-ingrepen (schrappingen, toevoegingen, taalkundige notities) door de lezer werden overgenomen en expliciet gemarkeerd.
Voor een aantal tekstfenomenen werden naast de oorspronkelijke vorm ook editeursingrepen opgenomen in de transcriptie: oplossingen voor niet-gangbare afkortingen en correcties voor manifeste fouten. Daarnaast bevat de transcriptie editeursingrepen ter verbetering van de leesbaarheid (toevoegingen, reconstructies) of ter motivering van transcriptie-beslissingen (aanduiding van onzekere lezingen, weglating van onleesbare tekst). Alle editeursingrepen worden expliciet gemarkeerd.